Tarzan nog altijd als voorbeeld

Het begon met zwemmen in zee, honderd meter in de baai van Piraeus. Het was 1896, de watertemperatuur was dertien graden en de eerste winnaar van het koningsnummer van het olympische zwemmen werd de Hongaar Alfred Hajos....

In 1908, in Londen, keerde de 100 meter vrije slag terug op de olympische agenda. Daarvoor waren afwijkende afstanden gezwommen. De crawlsprint in Londen betekende ook de eerste overwinning van een Amerikaan: Charles Daniels.

Het was het begin van een tachtigjarige overheersing. Twaalf maal stond in die jaren een vertegenwoordiger uit Amerika op de hoogste trede. Matt Biondi was in 1988 de laatste. Daarna volgden de successen van de Rus Popov ('92 en '96) en de Van den Hoogenband (2000).

Het werkelijke dieptepunt van de Amerikaanse zwemgeschiedenis moest nog volgen. Het kwam gisteren: de twee Amerikanen op de 100 vrij haalden niet eens de halve finales. Ian Crocker werd zeventiende, Jason Lezak twintigste.

Tot Popovs dubbel in de jaren negentig waren twee Amerikanen de grote mannen van de 100 meter. De eerste kwam van Hawaii. Zijn naam: Duke Kahanamoku. Hij was met zijn verschijning uiterst populair in Zweden, waar hij in 1912 zijn eerste goud won.

Acht jaar later, in Antwerpen, was Duke nog steeds de beste. Hij moest zijn finale tweemaal zwemmen. De eerste finale werd ongeldig verklaard omdat de Australiër Herald gehinderd was door de Amerikaan Oss. Er werd gezwommen in een bad van 100 meter. Pas vier jaar later in Parijs werd voor het eerst een 50-meterbad gebruikt .

In Parijs trad de beroemdste zwemmer uit de geschiedenis aan voor de 100 meter vrij. Het was de latere filmster Johnny Weismuller, een kind van Roemeense ouders, die in 1912 van Duitsland naar de VS waren geemigreerd. In 1922 brak hij als eerste door de grens van één minuut. Hij speelde in Parijs ook nog waterpolo (brons) .

Weismuller die in 1928 in Amsterdam zijn goud prolongeerde, werd beroemd als filmheld, Tarzan, het aapmens. Hij had het perfecte lijf, al trainde hij maar 500 meter per dag. Voor de Spelen van 1932 zegde hij af, omdat hij een aantrekkelijk reclamecontract bij een onderbroekenfabrikant kon krijgen.

Kahanamoku, Weismuller en Popov zijn de enige zwemmers die hun hegemonie op de 100 meter met vier jaar wisten te verlengen. Die opdracht heeft Pieter van den Hoogenband zich ook gesteld.

De wereldrecordhouder van Sydney (47,84) is in uitstekende vorm. Zijn vrees, overgehouden aan de mislukte zomer van 2003, is een ziekte. Een griepje of buikloop is bij een afgetrainde sportman snel opgelopen.

Van den Hoogenband zal het verhaal kennen van Jon Henricks. De Australiër was de beste in 1956 in eigen land, bij de Spelen van Melbourne. Henricks zou zijn titel prolongeren in Rome (1960), maar hij werd op reis van Australië naar Italië ziek en werd in de halve finales uitgeschakeld.

Meer over