Strakker sneller beter

Mager, fanatiek en altijd te vinden in de sportschool? Het zou wel eens anorexia athletica kunnen zijn. Want sporten mag dan gezond zijn, ‘het moet je leven niet op een ongezonde manier gaan beheersen’....

tekst Sara Berkeljon . fotografie Marijn Scheeres

Het begon met een weddenschap om een paar broodjes haring. Roberto Hofman zou, samen met een studievriend van de Hogere Zeevaartschool in Amsterdam, de halve marathon van Egmond gaan lopen. Hofman: ‘Hij daagde me uit.’ Hofman (45) versloeg zijn studievriend, kreeg de broodjes haring, en stopte na die eerste wedstrijd nooit meer met hardlopen. ‘Deze verslaving duurt nu al mijn halve leven.’ In ruim twintig jaar liep hij meer dan honderd halve marathons en een stuk of tien hele. Inmiddels heeft hij het aantal officiële wedstrijden teruggebracht van vijftig naar vijfendertig per jaar – dat moet wel, als je wat ouder wordt. Trainen doet Hofman ongeveer vijf keer per week, naast zijn fulltime kantoorbaan als vluchtdata-analist bij de KLM. Hij houdt een weblog bij over zijn hobby én geeft wekelijks nog twee tot vier hardlooptrainingen. Een beetje veel van het goede? ‘Ik vind dat ik genoeg tijd overhoud voor andere dingen, maar mijn collega’s en familie vinden soms van niet.’ De meeste van zijn vrienden zijn hardloopvrienden. En het is mooi meegenomen dat zijn vriendin, die hij tegenkwam tijdens een training, ook loopt. ‘Het beheerst mijn leven’, zegt hij. ‘Ik sla bijna nooit een training over om iets gezelligs te doen. Ik moet natuurlijk niks. Maar ik vind van mezelf dat ik moet.’ Als het noodweer is en Hofman een keer niet gaat trainen, voelt hij zich niet lekker. ‘Dan voel ik me schuldig. Een slappe renner.’ Ook op vakantie zorgt Hofman dat hij aan minstens één wedstrijd kan meedoen. Tijdens de laatste vakantie in de Alpen liep hij met zijn vriendin twee halve marathons. Waarom hij het allemaal doet? Hofman denkt even na. ‘Als ik door het bos loop, en ik hoor de vogels, de wind, dan is dat prachtig. Soms krijg ik tranen in m’n ogen. Mensen die in de sportschool op zo’n loopband naar de televisie kijken, daar begrijp ik niks van. Dan snap je niet waar lopen over gaat.’ De verslaving is echter niet alleen geestelijk. Tijdens een lange duurloop maakt het lichaam endorfine aan, een stofje waardoor je je lekker voelt. Dit is de runner’s high, en Hofman kan niet meer zonder. ‘Soms kijk ik op m’n klokje en zie ik dat ik al anderhalf uur bezig ben, terwijl het voelt alsof ik net ben begonnen. Je loopt soepel, je wordt niet moe en je voelt je onoverwinnelijk. Heerlijk. Ik kan dan maar door blijven gaan.’

Hofman is sportverslaafd, zegt hij. Is dat erg? Dat hoeft niet, zegt sportarts Mirjam Steunebrink, die in haar praktijk genoeg ‘verslaafden’ tegenkomt. ‘Sporten is geen roken of alcohol, sporten is gezond. Maar het moet je leven niet op een ongezonde manier gaan beheersen.’ Zoals bij de magazijnmedewerker die naast zijn fulltime baan drie uur per dag op de tennisbaan stond. Hij leed aan een hardnekkige blessure, veroorzaakt door overbelasting. ‘Als hij niet kon tennissen, was hij thuis niet meer te genieten. Hij was chagrijnig, ging veel snoepen of maakte ruzie. De rest van zijn leven, inclusief zijn relatie, had onder zijn obsessie te lijden.’ Wanneer sport je te veel? Steunebrink: ‘Dat verschilt per persoon, maar als je veertig uur per week werkt en daarnaast vijftien uur per week sport, zit je al gauw op het randje. Dan ontkom je er bijna niet aan dat je soms te moe bent om te sporten, maar het toch doet.’ De grenzen van je kunnen opzoeken, daar draait het voor sportverslaafden juist om. Voor Hofman was het hoogtepunt van zijn loopcarrière de marathon van Berlijn, waar hij een persoonlijk record liep. ‘Na de finish heb ik minstens een half uur op de grond liggen kokhalzen. Maar ik had wél een fantastische tijd gelopen.’

Echt op het randje leven de sportverslaafden die ook lijden aan een eetstoornis. Er is een naam voor: anorexia athletica. Bianca van Engelen, preventiewerkster eetstoornissen bij Dimence, de vroegere RIAGG, gaf voorlichting aan sportschoolinstructeurs. Anorexiapatiënten blijven volgens Van Engelen vaak te lang uit het zicht van hulpverleners. Het zou helpen als de instructeurs de magere, fanatieke meisjes in de sportschool zouden aanspreken, maar makkelijk is dat niet. ‘Die meisjes houden er niet van als iemand zich met hen bemoeit, dat verstoort hun ritueel. Bovendien kun je aan de buitenkant niet altijd zien dat ze op een appel en een crackertje uren tekeergaan.’ Zo ging het ook mis bij Sandy van Rees (20). Op haar 15de volleybalde ze op topniveau, in de nationale jeugdselectie. Met de meiden van haar team bewoonde ze een deel van een militaire kazerne. Alles draaide om volleybal: elke dag na school vier uur trainen, in het weekend wedstrijden. Jaloers keek ze naar andere meisjes in haar team, die soms gespierder of slanker waren dan zij. ‘Ik had een normaal lichaam, maar ik wilde een perfect lichaam.’ Dus besloot ze minder te eten en meer te bewegen. In de avonden ging ze, meestal alleen, naar de sportzaal. ‘Ik hongerde mezelf niet uit, maar bewoog te veel voor wat ik at. De anorexia sloop erin. Hoe dun ik ook werd, dat perfecte lichaam kreeg ik maar niet. Ik was alleen maar bezig zoveel mogelijk energie te verbranden en ik raakte compleet in paniek als ik niet kon trainen. Een sociaal leven had ik toch al nauwelijks, maar toen leefde ik écht in mijn eigen wereld.’ Hoewel haar volleybalprestaties afnamen, duurde het lang voor haar probleem werd opgemerkt. En voor ze zelf durfde toe te geven dat er iets mis was. Drie jaar later pas was ze van de anorexia af, al blijven de reflexen. ‘Soms, als ik een paar dagen niet naar de sportschool ben geweest, denk ik: toch maar wat minder eten. Maar ik geef er niet meer aan toe.’ Met volleyballen is ze anderhalf jaar geleden gestopt. ‘Ik ben nogal perfectionistisch en wilde bij de besten ter wereld horen. Toen ik daar geen vertrouwen meer in had, ben ik gestopt.’ Verslaafd aan bewegen is ze nog steeds, zegt ze. Vier à vijf keer per week gaat ze naar de sportschool. ‘Niet omdat het moet, zoals vroeger. Ik geniet er echt van. Als ik nu door een blessure zou moeten stoppen, zou ik misschien even het idee hebben dat mijn wereld in zou storten. Maar uiteindelijk weet ik zeker dat ik er wel overheen kom.’

Natuurlijk heeft niet elke sportverslaafde een eetprobleem. ‘Maar’, zegt hulpverlener Bianca van Engelen, ‘dat wil niet zeggen dat hun verslaving wél gezond is. Het is vaak obsessief. Ze gaan dóór, ondanks blessures, melden zich ziek om te kunnen sporten, zeggen verjaardagen af. Obsessieve sporters zijn vaak eenzaam, op zichzelf gericht. Dat moet wel, om te kunnen presteren. Maar je houdt weinig sociale contacten over.’ Niet alleen de endorfine, ook het uitblinken in iets is verslavend, zegt Van Engelen. En sporters kunnen de lat steeds een treetje hoger leggen – het kan altijd strakker, beter of sneller.

Ook Inge Sieben (30) zal altijd op zoek blijven naar een ‘uitdaging’, zegt ze. In 2005 zag ze op televisie bij toeval een programma over The Ultimate Fitness Challenge. Een sport- én schoonheidswedstrijd voor ‘mooie, superfitte dames’. Die niet alleen met een zandzak op de nek een berg op kunnen rennen, maar er in bikini ook leuk uitzien op de catwalk. Sieben dacht: dat kan ik ook. ‘Het lukt je nooit’, zei haar toenmalige vriend. Ze woog toen 85 kilo. Niet lang daarna was de relatie voorbij. Sieben werkte als ziekenverzorgster aan huis en ging de deur niet uit zonder sporttas in de kofferbak. Elk vrij moment ging ze hardlopen, zwemmen, kanoën, naar de sportschool of de hindernisbaan. Een half jaar intensief trainen later stond ze in de halve finale van The Ultimate Fitness Challenge, op Curaçao. Ondanks een slepende hamstringblessure – ‘van het enthousiaste trainen’ – won ze op één onderdeel: de carpull. Sieben trok een Renault Mégane met een touw om haar middel als eerste over de streep. Ze werd uiteindelijk 20ste. Fanatiek is ze altijd geweest. Als kind deed ze aan turnen, ballet, paardrijden, volleybal, atletiek en tennis. Toen ze begin 20 was, liep ze zes keer per week hard én ging ze drie keer per week naar de sportschool. Met The Ultimate Fitness Challenge in haar achterhoofd, kost het Sieben geen moeite zes keer per week te sporten en zich maandenlang strikt aan een dieet van vooral koolhydraten te houden. Zeven maaltijden per dag: brood met kipfilet of rosbief, groente, pasta en rijst. ‘Ik moet dan wel zorgen dat mijn lichaam alles verbruikt wat ik eet, anders kom ik aan.’

Een keertje naar de snackbar kan, ‘maar vanaf twee maanden voor de wedstrijd, no way’. Uitgaan doet ze zelden, en een nieuwe liefde heeft ze nog niet gevonden. ‘Volgens mij schrikt zo’n gespierde vrouw een beetje af. Vriendinnen die fanatiek sporten, hebben vaak mannetjes die ook heel sportief zijn. Die het begrijpen. Zo eentje moet ik er nog vinden.’ Ook vakanties schieten er soms bij in. Maar daar is Sieben toch niet zo dol op. ‘Eén dag met een cocktail op het strand hou ik wel vol, maar de dag erna móét ik sporten. Het is dat het zo negatief klinkt, maar je zou kunnen zeggen dat ik een beetje verslaafd ben.’ Doorgaan ondanks een blessure, eeten drinkschema’s volgen waardoor je er misschien beter uitziet, maar wel het risico loopt op uitdroging – Sieben weet dat ze af en toe risico neemt. ‘Van nature ben ik aan de stevige kant. Om droger te worden, zodat je mijn spieren beter kunt zien, wilde ik de dag van de bikinironde niet te veel vocht nemen. Je moet op de catwalk een goede indruk maken. Andere meiden maakten het veel bonter, moesten soms aan het infuus. Maar ook ik balanceerde soms op het randje, want je staat de hele dag te zweten in de tropische hitte.’ In 2007 deed ze opnieuw mee aan de fitnesswedstrijd. Dit keer werd ze, dankzij nog harder trainen, 4de tijdens de voorronden. De finale moet nog plaatsvinden, maar is vanwege problemen met sponsors al een paar keer uitgesteld. Op een foto van een van die voorronden staat een afgetrainde Sieben in een kleine rode bikini. Met strakke buik en benen waarvan elke spier opbolt. ‘Mijn moeder en vriendinnen vonden dit niet mooi. Té gespierd. Maar voor mij mag het allemaal nog wat strakker. Ik wil dat wasbordje, maar ik wil geen dikke nek. Het moet niet te mannelijk worden.’ Want dat is een nadeel van het vele trainen: de rondingen verdwijnen. Ook bij Sieben. ‘Maar ik heb nog wel borsten. Ik ken vrouwen die zo veel hebben getraind dat er óf helemaal geen borsten, óf, letterlijk, twee lege zakjes overblijven.’ Zal zij stoppen voordat haar dat ook overkomt? Ze is het niet van plan. ‘Daarvoor is het te leuk. Maar als ik van die theezakjes krijg, zou ik wel plastische chirurgie overwegen.’

Fanatieke sporters kunnen depressief worden of ‘helemaal de weg kwijtraken’ wanneer ze het door ouderdom, slijtage of blessures rustiger aan moeten doen. Lichamelijke afkickverschijnselen zijn bij endorfinejunks geen uitzondering, zegt sportarts Mirjam Steunebrink. ‘Trillen, hartkloppingen. Je lichaam raakt onrustig doordat je je energie niet kwijt kunt.’ Roberto Hofman ziet nu al op tegen het moment dat hij te oud is om te lopen. ‘Ik zie nog zeventigers op de halve marathon, dus ik kan nog wel even door, hoop ik. Het is voor mij een roeping, maar ik ben bang dat ik op een gegeven moment wel zal moeten stoppen. Dan zou ik in een diep gat vallen. Liever val ik op m’n 70ste dood neer tijdens het lopen.’

Meer over