Spel met patronen en varianten

De ploegenachtervolging staat bij de Winterspelen voor het eerst op het programma. De mannen en vrouwen strijden vandaag en morgen om tien extra gouden medailles....

Van onze verslaggever Mark van Driel

Een simpele rekensom was voor de meeste schaatsers voldoende om de bedenkingen tegen het nieuwe olympische onderdeel ploegenachtervolging te laten varen.

Tot deze Winterspelen werden er op de ijsbaan tien gouden medailles vergeven. Met de komst van de ploegenachtervolging, een onderdeel waarbij zowel bij de mannen als bij de vrouwen vijf schaatsers kunnen worden ingezet, is dat aantal in een klap verdubbeld tot twintig.

Veel schaatsers die op individuele afstanden naast de hoogste eer hebben gegrepen, of twijfelen aan hun vermogen om alleen te winnen, hebben hun hoop gevestigd op de landenwedstrijd. Renate Groenewold begon na haar zilveren drie kilometer meteen over het onderdeel dat vandaag en morgen wordt afgewerkt. ‘Ik wil dat goud.’

De toegenomen kans op eremetaal is niet de enige reden dat schaatsers enthousiast zijn. Ze lijken oprecht gefascineerd door de tweedaagse races over acht (mannen) of zes (vrouwen) ronden, waarbij acht nationale teams tegen elkaar strijden.

In totaal worden er vier ronden afgewerkt. In de eerste ronde telt alleen de tijd. Vervolgens rijden de ploegen tegen elkaar in een knock-out-systeem. Wie drie keer wint, is olympisch kampioen.

Carl Verheijen: ‘Ik ben er van overtuigd dat over 10 of 20 jaar dit het mooiste onderdeel is van de Spelen. Hier rijd je niet als individu, maar als land. Nederland kan goud halen.’

De ploegenachtervolging voegt aan het schaatsen nieuwe elementen als de opstellingstactiek en aflossingpatronen toe. Ab Krook, de bondscoach van de mannen- en vrouwploeg, moet uit de vijf rijders die hij heeft geselecteerd per ronde een team kiezen. Op het ijs komen steeds slechts drie schaatsers in actie. Alleen schaatsers die minimaal een keer deel hebben uitgemaakt van het team krijgen eventueel een medaille.

Zijn eerste opstelling maakte Krook dinsdag met een verwijzing naar voetbal bekend. ‘Zo, de hesjes zijn verdeeld. De opstelling van de mannen is: Carl Verheijen, Rintje Ritsma en Mark Tuitert. Bij de vrouwen rijden Renate Groenewold, Gretha Smit en Moniek Kleinsman.’

Krook kiest er voor enkele van zijn sterkste rijders in de eerste ronde te sparen. Hij heeft liever dat Erben Wennemars, Sven Kramer en Ireen Wüst fris hun opwachting maken in de kwartfinales, dan dat ze meehelpen om een goede tijd te rijden in de openingsronde. De tegenstander in de kwartfinale hangt af van de gereden tijd.

De tijdsnelste komt uit tegen nummer 8, nummer 2 tegen 7, 3 tegen 6 en 4 tegen 5. Afvallen in de eerste ronde kan niet, ook niet door valpartijen. De acht deelnemende landen gaan sowieso door naar de kwartfinale.

Andere landen volgen de tactiek van Krook. Bij de vrouwen laat Duitsland Friesinger en Pechstein rusten. Bij de mannen zullen Canada en Italië, twee belangrijke concurrenten van Nederland, niet meteen voluit gaan.

Verheijen, die net als Groenewold vermoedelijk in alle ronden in actie komt: ‘Italië en Canada hebben te weinig sterke rijders. Ze kunnen beter energie sparen voor de afvalronden.’

Met uitgekiende aflossingstrategieën tijdens de race kan tijdswinst worden geboekt. Krook toonde dinsdag een papier met roze, oranje en groene stiftstrepen die de vier basispatronen voorstelden. Uitleggen wat de ovalen precies voorstelden deed hij niet. ‘Ik heb twee hoofdpatronen en twee varianten.’

Bij eerdere wedstrijden is gebleken dat na de start meestal een langzame rijder de koppositie inneemt, om te voorkomen dat een van nature snelle starter wegrijdt van zijn ploeggenoten. Na een ronde neemt een snelle schaatser (Wennemars, Tuitert, Wüst) over en bepaalt het tempo. Daarna wordt er om beurten een ronde kopwerk gedaan.

Op dit basispatroon kan naar hartelust worden gevarieerd. Krook: ‘Carl heeft vorig jaar bij de WK in Inzell, waar Nederland won, bijvoorbeeld bijna vier ronden op kop gereden.’

Net als in het wielrennen kost op kop rijden meer kracht dan schaatsen in tweede of derde positie. Verheijen schat dat een schaatser slechts op 75 procent van zijn vermogen hoeft te rijden als hij netjes in de slag van de kopman zit. Hij kan dus uitrusten of zich, als hij te vermoeid is om kopwerk te verrichten laten meeslepen naar de finish. De aankomst van de derde rijder, niet is de eerste, is beslissend.

Verheijen: ‘Je spaart energie als je achter iemand rijdt. Het is van groter belang in elkaars slag te rijden dan elkaars postuur te hebben. We kunnen tijdens de wedstrijd praten. Aan een paar woorden, zoals ‘jij’ of ‘ho’ heb je genoeg. Als je de benen niet hebt, moet je aangeven dat een ander moet overnemen. ‘Het is bij dit onderdeel cruciaal dat je eerlijk bent over je vorm.’

Meer over