Schaatseninterview

Schaatser Nils van der Poel blijft filosofisch buitenbeentje uit Zweden

Zaterdag wil de Zweed Nils van der Poel zich plaatsen op de 10 kilometer voor de Spelen van Beijing. Een eitje, gezien de macht waarmee hij heerst op de lange afstanden. Maar niets is zeker. ‘Je doet je best en dan is het aan het lot.’

Erik van Lakerveld
De Zweed Nils van der Poel schaatst naar de eerste plaats op de 10 kilometer tijdens de WK afstanden in februari.  Beeld International Skating Union via
De Zweed Nils van der Poel schaatst naar de eerste plaats op de 10 kilometer tijdens de WK afstanden in februari.Beeld International Skating Union via

Een jaar geleden schudde Nils van der Poel het schaatsen stevig op. Hij werd wereldkampioen 5 en 10 kilometer. Bij de eerste wereldbekerwedstrijd van deze winter ging hij door waar hij gebleven was en won de 5 kilometer. Maar garanties voor succes in China zijn er volgens 25-jarige Zweed niet. ‘Ik besef dat ik waarschijnlijk geen olympisch kampioen word.’

Het is geen valse bescheidenheid van Van der Poel. Het is een vaststelling gebaseerd op de afgelopen drie Winterspelen. Op zijn lievelingsafstand, de 10 kilometer, werd driemaal verwacht dat Sven Kramer zou winnen. Maar in Vancouver, Sotsji en Pyeongchang was het telkens iemand anders die het goud pakte: Lee Seung-hoo, Jorrit Bergsma en Ted-Jan Bloemen. De statistieken spreken tegen de topfavoriet.

Zaterdag staat in Stavanger de enige internationale 10 kilometer voor de Spelen op het spel. Het is de afstand waar het voor Van der Poel allemaal om gaat. Daarvoor keerde hij na een pauze van twee jaar terug in de schaatssport. Nu wil hij in Noorwegen een van de twaalf olympische startbewijzen voor die afstand verdienen.

Het kan altijd misgaan. Vier jaar geleden, in zijn eerdere schaatsleven als subtopper, was de langste afstand ook al zijn hoofddoel, maar was hij ziek toen de olympische tickets werden verdeeld. Hij reed in Pyeongchang daarom alleen de 5 kilometer. Hij bleef er steken op de 14de plek.

Het lot

Die teleurstelling heeft hem veranderd, vertelde Van der Poel half oktober na een regenachtige trainingsrit in Inzell op een mountainbike. Hij accepteert sindsdien dat hij niet alles kan beïnvloeden. Hij kan weer ziek worden, iemand anders kan een topdag hebben. Niets is zeker in de topsport en falen hoort erbij. ‘Je doet je best en dan is het aan het lot.’

De Zweed presenteert zich als een filosoof op ijzers, die wijdlopig spreekt en af en toe bekende denkers aanhaalt. Dat gebeurt niet altijd even accuraat, maar hij bekijkt de zaken in ieder geval anders dan de meesten van zijn collega’s. In zomer mocht hij een referaat van een uur houden bij Sveriges Radio, de Zweedse tegenhanger van NPO Radio1. In bloemrijke zinnen vertelde hij de luisteraars het verhaal achter zijn twee wereldtitels, daarbij onder anderen Aleksandr Solzjenitsyn citerend.

Hij verhaalde over zijn jaar in het Zweedse leger. Hoe hij er tijdens de zware oefenmissies fysiek werd uitgeknepen. En dat hij merkte dat de intrinsieke motivatie voor het soldatenbestaan ontbrak. ‘Een vermoeide soldaat is geen erg goede soldaat, maar een luie soldaat is erger. Ik werd beide.’

Hij wilde weer schaatsen, maar dan wel op zijn manier. ‘Ik weet wat je moet doen om op de Spelen te winnen. Niet dat ik het gedaan heb, maar ik weet waar de lat ligt’, zei hij. ‘Mijn idee is om het schaatsen totaal anders aan te pakken.’

Met de blik op Patrick Roest

Opvallend is dat Van der Poel, hoeveel wijsheden hij ook debiteert, van lang niet alles in de schaatssport op de hoogte is. Hij weet niets van Sven Kramers rugproblemen of dat op zijn record op de 10 kilometer na, alle andere courante wereldrecords in Salt Lake City gereden zijn. Hij is een eenling en zijn belangrijkste houvast in de sport lijkt Patrick Roest.

In zijn radioreferaat was Roest de enige schaatser die hij noemde, zestien keer maar liefst. Als kind keek hij al tegen zijn Nederlandse leeftijdsgenoot op. Van der Poel was in Zweden een goede schaatser, maar toen hij als 12-jarige in Heerenveen deelnam aan een internationale jeugdwedstrijd, de Vikingrace, werd duidelijk hoe weinig hij voorstelde. Hij eindigde er als laatste, Roest behoorde tot de besten.

Dat ligt nu anders. Afgelopen seizoen was hij Roest, die gevoelig is voor druk, de baas op de twee langste afstanden. ‘Er zijn mensen die zeggen dat ik me vorig jaar in Patricks hoofd heb genesteld. Ik weet niet of dat waar is. Ik weet wel dat hij een plekje in mijn hart heeft.’

Ze zijn vrienden, zegt hij. Daarom moedigde hij Roest in Inzell hartstochtelijk aan bij trainingswedstrijd waaraan hij zelf deelnam. Hij had zelfs een spandoek gemaakt. ‘Dat was geen psychologische oorlogsvoering.’ Het was iets tussen een grap en een blijk van waardering in. En hij had het van tevoren gecheckt of Roest het niet vervelend vond.

In de zomermaanden, als Van der Poel een ongekend zwaar trainingsregime heeft, zit Roest in zijn gedachten. Vooral tijdens de lange fietsritten. ‘Het heeft geregend, gesneeuwd en gestormd. Ik heb honger gehad. Echt, ik heb het zwaar gehad. Maar de enige reden dat ik die worsteling onderga is omdat jongens zoals hij me daartoe dwingen.’

Afgelopen februari baarde Van der Poel opzien door na de wereldbekerwedstrijd in Thialf hardlopend terug te gaan naar zijn hotel: 24 kilometer verderop. Geen enkele andere schaatser doet zoiets, maar hij gelooft heilig in hard en vooral heel veel trainen.

Hardloopblessure

Die eigengereide aanpak is niet zonder risico. Dat had hij toen, tussen Heerenveen en Sneek, al kunnen weten. Meer dan een maand had hij last van zijn heup. Gaat wel over, dacht hij. Maar na een loop van 95 kilometer in april was duidelijk dat het niet vanzelf zou verdwijnen. ‘Ik was geblesseerd. De trainingsomvang was te groot.’

Het hoort erbij. Soms weet je het niet of je geblesseerd bent of gewoon moe van je trainingen, zegt hij. ‘Als topsporter doet je lichaam altijd pijn, maar ik had dit veel serieuzer moeten nemen.’

Sindsdien doet hij geen hardlooptrainingen meer, maar fietste, soms tot wel 24 uur achter elkaar. Want grenzen verleggen moet, al kan het misgaan. ‘Het is riskant om een topsporter te zijn. Maar als je de rand niet opzoekt, zul je gegarandeerd niet winnen.’

Twee dagen na zijn succesvolle WK hoorde Van der Poel dat zijn moeder kanker had. In het voorjaar overleed ze. Na haar dood las haar beste vriendin hem zijn moeders favoriete Bijbelcitaat voor. Hij kende het niet, wist niet dat zij het ooit gekozen had als een zin die haar kijk op het leven kenmerkte.

Van der Poel is niet gelovig, maar was wel geraakt omdat hij zijn leven en sport precies hetzelfde beschouwt. Hij besloot er daarom zijn radioreferaat mee: ‘God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.’

Meer over