Interview

Ron Zwerver is voor eeuwig het gezicht van de gouden volleybalploeg van 1996

25 jaar geleden wonnen de volleyballers olympisch goud in Atlanta. Tijd voor een biografie van Ron Zwerver. Niemand verdiende die triomf in 1996 meer dan deze onbaatzuchtige motor van de ploeg.

Ron Zwerver in actie tijdens de volleybalfinale op de Spelen van Atlanta (1996) tegen Italië. Beeld Getty Images
Ron Zwerver in actie tijdens de volleybalfinale op de Spelen van Atlanta (1996) tegen Italië.Beeld Getty Images

Lang zag hij niks in een biografie. ‘Wat heb ik nou te vertellen.’ Maar hij zat thuis in Heiloo, deels in coronapauze. Zijn Amerikaanse trainersjaren zaten erop. Hij bezocht een theatershow van ex-wielrenner Thomas Dekker (‘die heeft wel een verhaal, soms tenenkrommend natuurlijk’) maar daarna wist Joost Leenders van de Talenten Academie hem toch warm te krijgen voor zo’n onderneming.

Bij nader inzien was er toch best veel te vertellen over een van de meest geslaagde projecten uit de Nederlandse topsport. De titel was met zijn ghostwriter Hans Klippus ook snel gevonden. Eeuwig Goud. ‘Zo voelt het wel, 25 jaar na Atlanta. Maar destijds zag ik dat anders. Toen geloofde ik dat niet.’ En nu? ‘Het is zo.’

Terug in de tijd

Zwerver (53) ging zich in zijn verleden verdiepen. Zijn vader Theo had een boekenkast gevuld met bladen, kranten en knipsels over de prestaties van zijn zoon, de beste volleyballer op het WK van 1990. Hij ging zijn maten af of pakte de telefoon: Martin Teffer, Peter Blangé, Ron Boudrie, Rob Grabert. ‘Ik was hele stukken kwijt van die tijd.’

Hij maakte zich met terugwerkende kracht boos. Over Arie Selinger, de ooit door hem aanbeden hoofdcoach, die pas drie dagen voor het beslissende olympisch kwalificatietoernooi van Rotterdam uit Japan terugkwam.

Nog pissig: ‘Arie die de bond vervolgens een poot uitdraaide. Een assistent aanstelde, Mario Treibitch die wij Mario Drama noemden. Diens voorganger Harry Brokking, die zijn geld moest hebben. Contracten met spelers als Arnold van Ree en Patrick de Reus die gewoon tot en met 1992 doorliepen. Negen ton schuld.’

Hij was het vergeten. Hijzelf had veel opgeofferd voor dat tweede olympische toernooi, na zijn debuut in Seoul in 1988. ‘Ik kreeg de vraag de Italiaanse play-offs te spelen. Ze boden mij 150 duizend dollar voor anderhalve maand volleybal. Ik deed het niet. Mijn vader was woedend. Ben jij helemaal besodemieterd, zei die. Ik heb er nooit spijt van gehad, van die anderhalve ton. Nu wel trouwens. Omdat ik al anderhalf jaar geen werk heb. Maar het gaat zoals het gaat.’

Ron Zwerver (53) vorige week op Papendal ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van het volleybalsucces op de Olympische Spelen van Atlanta. Beeld ANP
Ron Zwerver (53) vorige week op Papendal ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van het volleybalsucces op de Olympische Spelen van Atlanta.Beeld ANP

Alles voor het team

In Zwervers geest ging ‘het team’ altijd voor. Hij werd in dat voornemen ernstig geplaagd toen topspelers als Blangé, Grabert, Posthuma en Zoodsma gaande het befaamde Bankrasmodel naar het buitenland verdwenen. Hij was woest op Ronald Zoodsma. ‘Die ging voor anderhalve ton naar Milbertshofen in Duitsland. Wie geeft jou het recht voor 150 duizend gulden weg te gaan, als ik 550 mille kan krijgen en gewoon blijf? Ik ga eerst, zei ik. Slaat natuurlijk nergens op. Maar zo was ik bezig. Ik was degene die alles opofferde. Het is heel grappig dat nu zo te zien.’

Zwerver spreekt in zijn biografie uit hoezeer hij zich verantwoordelijk voelde voor het team. Hij was ooit begonnen in de nationale ploeg, die voortkwam uit landskampioen Brother Martinus en werd aangestuurd door de spelers Marco Brouwers en Bert Goedkoop.

Het volgende team was van een hoger niveau. ‘Ik vond dat mijn team. Nou is het mijn team, zei ik, klaar. Zo moet het, zo ga ik het doen. Daarom deed ik ook alles voor dat team, liep ik niet weg zoals die anderen, kon ik tegen de Nevobo-voorzitter Piet de Bruin, die dreigde de stekker eruit te trekken, zeggen dat ik bleef. Maar goed ook. Anders hadden we hier niet over dat olympisch goud van 1996 kunnen praten.’

Hij schetst nog eens de ambitie, waarmee Nederland in recordtempo de internationale hitlijst bestormde. ‘We keken om ons heen. Wij trainden vier uur per week, de toplanden twintig. Dat losten we op door halve dagen te gaan werken bij Brother en ons daarmee vrij te kopen voor meer trainingsuren. Maar dat was natuurlijk niet genoeg.

Eén jaar bijeen

‘Selinger zei: we gaan twee maanden onze verdedigingstechniek verbeteren en daarvoor moeten we naar Japan. Smashen, dan naar Cuba. Onverstoorbaar, Rusland. Swingen, hop naar Brazilië. Dat waren de vier ingrediënten van ons volleybal. Maar was het genoeg om olympisch kampioen te worden? Toen bedachten we dat we twaalf maanden bij elkaar zouden blijven en niet zoals Italië deed alleen in de zomer voor het nationale team dienden uit te komen.

‘Dat heeft ons destijds die voorsprong opgeleverd die we pas in 1996, met twee nieuwe jongens erbij, Bas van de Goor en Guido Görtzen, in de olympische titel hebben omgezet. Maar onze vorderingen gingen in die eerste jaren razendsnel. Uiteindelijk hadden we allemaal contracten in Italië en zijn we daar de topspelers geworden die het ook bij hun club moesten doen, die niet konden verzaken. Eerdere ontberingen, reizen over de hele wereld in lastige omstandigheden voor lange mannen als wij, hebben daarbij geholpen.’

Afknijptrainingen

Het ergst waren de afknijptrainingen van Arie Selinger in Kobe, 1992, in aanloop naar de Spelen van Barcelona. ‘We trainden vier keer per dag. Deden we een atletiektraining, 800 meter hard, en dat voor volleyballers die drie meter naar links en drie meter naar rechts bewegen. Ik was zo kapot dat toen Arie riep dat het genoeg was en ik wilde stoppen, mijn benen gewoon doorliepen. Ik had geen stuur over mijn lichaam. Selinger beoogde dat we niet meer nadachten, alleen maar bezig waren die bal erin te rossen om te winnen.’

Eeuwig Goud, Ron Zwerver & Hans Klippus, Ambos Anthos. 19,99 euro.

Meer over