Conference LeagueFeyenoord

Rinus Israël: Het is niet het grootste toernooi, maar Feyenoord doet het geweldig

In 1970 won Rinus Israël (80) als aanvoerder van Feyenoord de Europa Cup 1. Woensdag staat Feyenoord in de finale van de Conference League tegen AS Roma. ‘Prachtig, ik heb er heel veel zin in.’

Bart Vlietstra
De 80-jarige Rinus Israël scoorde in 1970 voor Feyenoord tegen Celtic en gaf de voorzet op waaruit Kindvall de winnende treffer maakte.  Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant
De 80-jarige Rinus Israël scoorde in 1970 voor Feyenoord tegen Celtic en gaf de voorzet op waaruit Kindvall de winnende treffer maakte.Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant

Rinus Israël weet niet meer wat hij precies dacht toen hij als eerste Nederlandse voetballer een Europese beker omhooghield. ‘Onwerkelijk was het vooral. Wij met zo’n grote zilveren beker. Onvoorstelbaar.’

De Amsterdammer Israël (80) was aanvoerder van Feyenoord dat in 1970 de Europa Cup I won. 52 jaar later is Feyenoord, dat in 1974 ook de Uefa Cup als eerste Nederlandse club won, dicht bij een nieuwe primeur. Komende woensdag in de Albanese hoofdstad Tirana speelt het tegen AS Roma om de winst van de Conference League. Israël: ‘Prachtig, ik heb er heel veel zin in.’

Vergelijkingen tussen het Feyenoord van 1970 en dat van 2022 worden vaak gemaakt. Israël is niet van het soort dat zegt dat vroeger alles beter was, dat hij en zijn kornuiten zoveel beter waren dan de huidige fullprofs. Integendeel. ‘Ze doen het geweldig. Het is misschien niet het grootste Europese toernooi, maar in mijn tijd werden spelers niet zo snel weggekocht.’

Ruimhartig en cynisch

Israël is ook niet jaloers op het verschil in verdiensten. Hij had er nog een sigarenzaak naast, maar kon wel de bouwplaats verlaten dankzij het voetbal. Hij is blij met zijn woning in Landsmeer, net boven Amsterdam. Hij gaat in het weekeinde kijken bij de plaatselijke amateurclubs en slaat dagelijks wat middaguurtjes stuk in fietsenzaak Dral Tweewielers. Hij heeft een klik met het personeel, dat toen hij nog kon fietsen zijn wielrenfiets nakeek en dat net zo ruimhartig en cynisch als hijzelf is.

Hij spreekt er ook af voor dit interview. Eigenaar Pieter Dral doet de koffie en grapt dat Israëls vrouw ‘stallingsgeld’ betaalt om Israël een paar uur van huis te houden. ‘Ze loopt alweer een paar maanden achter, Rinus.’

‘Ik werk er hard zat voor, hoor’, zegt Israël. ‘Zit altijd spijkers te strooien voor de deur zodat jij weer wat bandjes kan plakken.’

Israël spreekt vanachter een tafel die geplaatst is tussen de wand met fietsbellen, -lampen en reservebanden en de reparatieruimte. Er hangen verschillende foto’s boven ‘de tafel van Rinus’, onder meer een plaat van Israël in een harnas. ‘Ja, mooi, hé?’

IJzeren Rinus was zijn bijnaam. Israël vormde bij Feyenoord een gevreesd duo met Theo ‘de tank’ Laseroms. Bekte lekker. Maar met name Israël was naast een stevige verdediger ook een heel goede voetballer, met een uitstekende dieptepass. Een leider die kon scoren getuige zijn treffer in die Europa Cup I-finale van 1970 tegen Celtic. Ook gaf hij de assist op Ove Kindvall, die het winnende doelpunt aantekende. Als aanvoerder mocht hij de Europa Cup I heffen in Milaan, maar feitelijk was hij ook gewoon de man van de wedstrijd.

Rinus Israël met de Europa Cup 1 op luchthaven Schiphol. Beeld ANP /  ANP
Rinus Israël met de Europa Cup 1 op luchthaven Schiphol.Beeld ANP / ANP

Hij grijnst verlegen als de geschiedenis wordt opgerakeld. Na een korte pauze. ‘Dat geluk had ik, dat het in die wedstrijd net lukte.’

Met een nieuwe Europese finale in zicht wordt Israël vaak gevraagd voor interviews, maar meestal zegt hij ‘nee’. ‘Laatst belde SBS6. Moet ik naar een studio, maak ik misschien een uitglijder.’ Wel schuift hij vaak aan bij het amusante radioprogramma NH Radio Sportcafé van presentator Leo Driessen. ‘Ik kom soms niet op bepaalde woorden. Maar daar voel ik me vertrouwd.’

Bij Dral Tweewielers ook. De foto’s van Israël worden meegebracht door bekenden en klanten die vaak een praatje komen maken. ‘En dan hangen wij ze op’, zegt eigenaar Pieter Dral. ‘Rinus vindt het mooi, maar is er eigenlijk te verlegen voor.’

Meest in het oog springt een recente foto van de oud-voetballer die, wulps met een been omhoog, reclame maakt voor recycling (‘Sorteer en geef LandsMeer’). Veel foto’s verder met oud-ploeggenoten, op een ervan poseert Israël met Johan Cruijff tussen allerlei speelgoedkonijnen. Maar ook een Knudde-strip waarbij de coach Israël niet op de naam van een speler kan komen.

Liever niet over de dood

Dat Cruijff en andere oud-ploegmaten op de foto’s niet meer in leven zijn, doet Israël wel wat. Hij was laatst voor het eerst in de Kuip zonder maatje Wimpie Jansen, die op 25 januari overleed. Afwerend: ‘Als je het niet erg vindt, praat ik liever niet te lang over de dood.’

Heel vaak wordt hij nog herinnerd aan die zesde mei 1970. Hij omschrijft dat Feyenoord als ‘fysiek sterk’ met op de belangrijke posities ‘heel goede spelers als linksbuiten Moulijn, complementaire middenvelders Van Hanegem, Jansen en Hasil en een spits Kindvall die niet veel kansen nodig had’.

Over Van Hanegem en Kindvall gaat het vaak. Maar vergeten is Israël geenszins. Op sociale media spuugt het account @IronRinus dagelijks prachtige nostalgische foto’s en filmpjes van Feyenoord uit vroeger tijden uit. En altijd als de Feyenoord-defensie weer eens de vorm aanneemt van een vergiet, zoals vorig seizoen nog, wordt Israël aangesproken door oudere Feyenoorders. Vertellen ze hem dat ze terugverlangen naar de jaren zestig en zeventig toen Israël ‘de beste libero ter wereld’ werd genoemd en Feyenoord veel meer prijzen pakte dan vandaag de dag.

Grijns. ‘Ach, ik ben anders nooit gevraagd door een buitenlandse club dus dat zal wel meevallen, hoor.’

Dat de nietsontziende Feyenoord-generaal buiten het veld een zachtaardige, bescheiden man was, daar verbaasde zelfs gabber Wim Jansen zich altijd over. ‘Mensen verwachten dat niet, die denken nog steeds dat ik de bullebak ben die ik in het veld kon zijn. Ik wilde gewoon winnen, belangrijk zijn.’

Dat hij uit Amsterdam kwam, is hem nooit nagedragen. ‘Dat kon toen gewoon.’

Israël mist niets van Feyenoord, zeker dit seizoen geniet hij weer. ‘Ze hebben karakter, maar creëren ook uitgespeelde kansen op een goede, voetballende manier. Knap dat ze het volhouden. Maar ja, als de resultaten goed zijn, gaat het automatisch, dan voel je niet zo snel wat.’

Al vóór het seizoen zei Israël tegen vrienden die in Dral koffie met hem drinken (‘meestal Ajacieden natuurlijk’): dit Feyenoord is beter dan iedereen denkt. ‘Die nieuwe jongens bevallen me enorm. Aursnes. Goede middenvelder, geen poespas, verricht veel werk, weinig balverlies. En aan de linkerkant, hoe heet-ie, ja Sinisterra. Hij heeft een actie, vaak meer snelheid dan zijn tegenstander, lef. Kökcü staat op de goede plek, wat verder terug op het middenveld, meer naar voren is het te druk voor hem.’

Centrumverdediger Trauner wordt nog wel eens met hem vergeleken. Israëls ogen lichten op. ‘Zo! Niet te kinderachtig, ziet het spel goed, speelt die eerste bal naar voren. Met Senesi is dat een goed centrum. Maar ik wil me niet vergelijken met andere spelers. Ik heb ook stomme fouten gemaakt. Zo’n korte terugspeelbal zoals Kökcü laatst een keer deed (tegen Slavia Praag, red.) heb ik ook wel gedaan.’

Een stuk milder

Hij is zoveel milder dan toen hij speelde of toen hij terugkeerde in de Kuip midden jaren tachtig als veelvuldig scheldende, veel minder succesvolle trainer. ‘Zo stom, dat getier. Het is nutteloos. Je bereikt die jongens toch niet. Je kan het beter voor de wedstrijd goed tegen ze zeggen. Ik wilde iedereen bij de les houden, lette niet zo op de omstandigheden, op hoe iemand wilde worden aangesproken. Past niet meer in deze tijd. In die tijd ook niet, trouwens.’

Zijn toenmalige coach Ernst Happel zat als een standbeeld in de dug-out. Israël: ‘Happel gaf ons zelfvertrouwen. Hij zei: ik heb der Rinus, der Willem en der Coentje. Die lossen het wel op. Dat komt door het straatvoetbal, dan moest je zelf alles organiseren.’

De coaches van de finalisten AS Roma, José Mourinho, en Feyenoord, Arne Slot, roeren zich ook flink langs de zijlijn. ‘Maar ik zie Mourinho na afloop ook zijn spelers knuffelen. Dat deed ik niet. Je kan niet zeggen dat ze het niet goed doen. Vooral Slot. Slimme jongen, praat goed, zit diep in de materie. Ik gaf de strijd op in de derde klas van de mulo. Ik had ook op een hoger niveau gevoetbald. Dan ga je er vanuit dat spelers sommige dingen wel kunnen.’

Milaan, mei 1970. Rinus Israël scoort de gelijkmaker in de finale tegen Celtic.  Beeld ANP
Milaan, mei 1970. Rinus Israël scoort de gelijkmaker in de finale tegen Celtic.Beeld ANP

Israël kan zich wel een beetje inleven in wat de Feyenoordspelers van nu doormaken in aanloop naar de finale. Spits Kindvall viel flauw tijdens de lunch, anderen rookten om de spanning te verdrijven. ‘Ikzelf kon goed slapen vooraf. Maar ik was heus zenuwachtig, dat was ik altijd. Ik maakte mijn tegenstander altijd beter dan-ie was. Dat hij zo goed was als Cruijff. Dat het loodzwaar zou worden. Dan was ik messcherp en viel het meestal mee.’

Hij dankte zijn doelpunt in de finale, gemaakt met het hoofd, aan het vele tennisvoetbal dat hij speelde in een tent op het trainingsveld. ‘Leerde je slaan met je hoofd.’

Hij juichte prachtig, rennend met een arm in de lucht, terwijl ploeggenoten aan zijn brede schouders hingen. ‘Joh, dat weet ik niet precies meer.’

Cup maakt veel los

Van ijzer blijkt Israël niet te zijn, helaas. Hartklachten, een nieuwe knie en heup plus een operatie vanwege een beschadiging aan het ruggenmerg, een incomplete dwarslaesie. ‘Mijn zenuwen zijn beschadigd, in mijn nek en rug. Ze geven verkeerde informatie door naar mijn benen. Denk je dat je koude knieën of koude voeten hebt. Ga je voelen en is het niet zo. Heb je ooit zoiets gehoord? Maar goed, het kan erger. Ik kan weer lopen met een stok, autorijden.’

Oh, er is nog een kwaal. ‘Volgens mijn vrouw heb ik ook last van mijn oren. Maar ze vermoedt dat ik sommige dingen gewoon niet wil horen.’ Grote grijns.

Bij zijn vrouw Greet was hij snel terug na de Europa Cup I-zege. ‘Toen we in Milaan waren, hadden we niet gedacht dat het zo massaal gevierd zou worden. Er waren daar ook wel fans, maar ja, je kon er geen Nederlandse krant lezen. Uit het vliegtuig zag je al hoeveel mensen er stonden op het vliegveld. Die wilden feesten. Ik vierde het die avond, maar de volgende dag zat ik lekker bij Greet. Ik ben geen feestnummer, hoefde mezelf niet zo nodig te laten feliciteren. Word ik een beetje ongemakkelijk van. Het gebeurt nu nog steeds. Zelfs hier in Landsmeer heb ik er last van.’

Grijnzend: ‘Dat die jongens het weten, zo’n Cup maakt veel los.’

Meer over