Rap, slim en zelfverzekerd

Geboren: 19 mei 1940 in Nootdorp...

TWEE JAAR nadat Jan Janssen uitbundig was gehuldigd als de eerste Nederlandse winnaar van de Tour de France, verscheen hij voor het laatst in de omloop van de verschrikkingen. Het was zijn achtste optreden in de Ronde en niet eerder raakte hij zo ver achterop als in de bergetappe naar het Alpendorp Gap. In het gezelschap van 'de duiven', de ijzeren coalitie van de verslagenen, moest Janssen bijna 25 minuten toegeven op ritwinnaar Primo Mori.

Op die dag besefte de met roem en glorie overladen wielrenner dat het leven was veranderd. Jaren had hij het tempo van de winnaars aangegeven, maar in de donkerste uren van zijn carrière verzeilde hij tussen de verliezers. Hij was ontgoocheld en ontluisterd, vernederd ook door de confrontatie met de nieuwe werkelijkheid: de kampioen van weleer temidden van de kanslozen, opgejaagd door de bezemwagen.

Brandende eerzucht voedde de motor achter zijn grote triomfen. Jan Janssen was de kampioen van de wilskracht. Hij zocht zijn eigen weg in het peloton en bereikte de top door voortdurend in zichzelf te investeren.

Een vlammend eindschot was aanvankelijk zijn enige wapen in het gevecht om de hoofdprijzen, maar vooruitgestuwd door de drang om te schitteren groeide hij uit tot een formidabele ronderenner. Zijn karakter stond hem niet toe ten onder te gaan in de anonimiteit.

De vermaarde Gerrit Schulte voorspelde Janssen al een gouden toekomst toen die nog maar net amateur was. 'Da's ne goeie, die Janssen. Ge ziet het hem niet aan, maar die moet ge 'ns in de smiezen houden', zei Schulte in 1960 bij de presentatie van de door hem geleide amateurploeg.

Met zijn tengere lijf, bleke gelaat en studentikoze bril had Janssen de schijn tegen, maar zelden zal een prognose van een voormalige sportheld zo snel zijn uitgekomen als die van Schulte. Al in zijn eerste seizoen bij de amateurs won Janssen vier klassiekers.

Het virus van de wielrennerij had hem te pakken gekregen op de paardenrenbaan van Nootdorp, waar hij op zijn zestiende getuige was van een wielerwedstrijd. Op zijn mededeling dat hij wielrenner wilde worden, reageerde vader Janssen even koel als ontnuchterend: 'Ga jij nu maar op een dragline werken, dan zit je ook in een zadel.'

Maar de jonge Jan, een van de zeven kinderen uit het Nootdorpse aannemersgezin, liet zich niet tegenhouden en wendde als gediplomeerd machinebankwerker zijn kennis aan om zelf een fiets in elkaar te knutselen. Eenmaal in de wedstrijd bleken zijn talent en koersinzicht.

Jan Janssen toonde zich rap, slim en zelfverzekerd. Zijn debuut in de Tour de l'Avenir sloot hij af met de negende plaats, in zijn tweede jaar won hij drie etappes in deze zware amateurronde. Frankrijk sloot hem in de armen als 'de Nederlandse Darrigade', de explosieve held van de natie.

De grote Jacques Anquetil wilde Janssen als zijn eerste luitenant, maar de ambities van de Nootdorper reikten verder dan de knechtenrol. De legendarische ploegleider De Muer legde ten slotte de loper voor hem uit naar Pelforth, de ploeg van de Noord-Franse bierbrouwer.

Janssens beperkingen in het hooggebergte waren toen nog te groot om een hoofdrol te kunnen spelen in het Tour-klassement. Bij zijn debuut in de Ronde van Frankrijk won hij wel de etappe naar Limoges en was hij de groene trui dicht genaderd. Op de Tourmalet kwam hij echter zo zwaar ten val dat een stuk van zijn heupbeen versplinterde en er even voor zijn carrière werd gevreesd.

Maar Janssen had zijn naam gevestigd en Tour-directeur Goddet noemde hem toen al een sieraad van de wielersport. Eén jaar later werd hij, in Sallanches, wereldkampioen, veroverde vervolgens driemaal de groene trui in de Tour en realiseerde zich, met zijn progressie in het hooggebergte, dat hij historie zou schrijven als hij er als eerste Nederlander in zou slagen de Tour de France te winnen.

De Tour was jarenlang het domein geweest van ranke klimmers uit vooral Spanje, Italië en Frankrijk. De eerste editie van de Tour werd in 1903 verreden, pas 33 jaar later maakten Nederlandse renners hun opwachting. Wim van Est, Wout Wagtmans en Ab Geldermans handhaafden zich onder de besten, maar de echte specialisten lieten zich niet bedreigen door in het vlakke land gestaalde kuiten.

Janssen was de eerste serieuze Nederlandse favoriet. In 1966 voelde hij zich nog verraden door een Frans complot toen de Tour-radio, op weg naar Turijn, het nieuws van een vroege vlucht van de latere winnaar Lucien Aimar verzweeg. Het jaar erop won Roger Pingeon de Tour die in het teken stond van de (doping)dood van Tommy Simpson. Die geruchtmakende affaire leidde tot intensivering van de controles en Janssen twijfelde of hij wel zou starten.

Janssen weigerde akkoord te gaan met de dopingvoorschriften. 'Als je verkouden wordt in de Ronde van Frankrijk ben je haast gedwongen te stoppen', klaagde hij. Janssen werd begeleid door José Vidal, een Spaanse verzorger met een bedenkelijke reputatie.

Pas nadat de Franse A-ploeg was gezwicht, tekende ook Janssen de overeenkomst en kon hij zich opmaken voor wat voor hem een historische Tour de France zou worden. Daar zag het lang niet naar uit; z'n nederlaag tegen Grosskost in de proloog was een tegenvaller en toen vervolgens de landenploeg de ene na de andere renner verspeelde, slonk Janssens hoop.

Op weg naar de Pyreneeën kon hij nog slechts op de steun van drie knechten - Den Hartog, Dolman en Beugels - rekenen. Zijn kansen leken helemaal verkeken toen hij ook nog werd verrast door een slimme aanval van zijn concurrenten Poulidor en Bracke. Maar de onvoorspelbaarheid van deze Tour - in de hand gewerkt door de animositeit tussen de Franse favorieten Poulidor en Pingeon - in combinatie met Janssens strijdlust leidde tot spectaculaire ontwikkelingen.

Zelden kreeg de Tour zo'n spannende ontknoping als in 1968. Janssen begon aan de afsluitende tijdrit met een achterstand van 16 seconden op gele-truidrager Van Springel en wist ook de Spanjaard San Miguel nog voor zich. Bovendien leek de Belgische specialist Bracke, vlak achter hem, niet ongevaarlijk.

Maar op de 21ste juli maakte Jan Janssen het onmogelijke waar door de 54,5 kilometer van Melun naar Parijs in een winnende tijd te voltooien. Aan de finish bleek hij 54 seconden sneller dan Van Springel. Op de schouders van zijn supporters barstte Janssen in tranen uit. 'Karin, kindje, je vader heeft de Tour gewonnen', schreeuwde hij naar zijn dochtertje. Voor de Nederlandse kolonie in Parijs liet de nacht deze dag lang op zich wachten.

Met zijn Tour-zege zette Jan Janssen de kroon op een fantastische carrière. Maar het erepodium raakte snel uit zicht. In 1969 werd hij een maand geschorst nadat er in Parijs-Nice sporen van doping in zijn urine werden aangetroffen. Janssen hield vol onschuldig te zijn. Hij bleef nog vier jaar fietsen. Twee keer nog reed hij de Tour. Hij eindigde als 10de en 26ste.

Meer over