Powell en Bolt, ridders van de sprint

In New York, uitgerekend in New York, kreeg de Jamaicaanse machtsgreep op de 100 meter vorm...

If you can make it there. . .

In de vijfde 100 meter uit zijn professionele loopbaan flitste de 200-meterspecialist Usain Bolt in mei naar het wereldrecord: 9,72. Hij was daarmee 0,02 sneller dan Asafa Powell, de voormalige recordhouder en de man die het vaakst onder de 9,80 heeft gelopen: vijf keer.

Plotseling telde het kleine Caribische eiland (2.6 miljoen inwoners) meer dan één topsprinter. Het is de geboorte- en woonplaats van de snelste en op een na snelste man ter wereld.

Kunnen ze het ook in Peking maken?

In de series gingen Bolt en Powell gisteren zeker niet tot het uiterste, zoals gebruikelijk. Ze rolden gemakkelijk door de twee voorronden en probeerden kracht te sparen voor de confrontaties van vandaag, de halve finale en de finale.

Hun voornaamste rivaal, de Amerikaanse nummer drie van de wereldranglijst aller tijden Tyson Gay (9,77), deed hetzelfde.

Eén van de twee lange atleten kan historie schrijven. Nooit won een Jamaicaanse sprinter olympisch goud op de 100 meter. Altijd kwamen de snelste lopers van het eiland op hun hoogtepunt uit voor andere landen.

Ben Johnson won twintig jaar geleden voor Canada (en verloor zijn titel vervolgens wegens doping aan Carl Lewis). Linford Christie pakte in 1992 goud voor Engeland. En Donovan Bailey werd in 1996 kampioen met een Canadees paspoort.

Bolt en Powell zijn rechtgeaarde Jamaicanen. Ze zijn verknocht aan het tropische eiland, dat een reputatie heeft als een vakantieparadijs maar tegelijkertijd worstelt met hoge criminaliteitscijfers. Anders dan veel talentvolle voorgangers trainen zij op hun eiland, in de hoofdstad Kingston. Daar kunnen ze op straat sinds kort een populair reggaedeuntje horen, dat ter ere van Bolts wereldrecord is opgenomen. De titel? ‘9,72’!

Bolt (21) en Powell (25) schrijven hun succes voor een groot deel toe aan hun keuze om op het eiland te blijven wonen. Dat geldt als ongebruikelijk. Verreweg het grootste deel van de succesvolle Jamaicaanse sprinters heeft dankzij het Amerikaanse universiteitssysteem de top gehaald. Ze verlieten het eiland vanwege de aantrekkelijke studiebeurzen.

‘Ik heb mijn trainer speciaal gevraagd me niet naar de Verenigde Staten te sturen’, zei de 21-jarige Bolt. ‘Echt, ik kan niet buiten Jamaica leven. Ik krijg heimwee en van koud weer ben ik ook geen liefhebber.’

‘Ik voel me hier op mijn gemak’, zei Powell. ‘Ik ken geen zorgen. En de bevolking vindt het leuk dat één van hun atletieksterren hier in Jamaica is gebleven.’

De zachtaardige sprinters zijn bevriend en delen een laconieke houding ten aanzien van sport. Aan trainen hebben ze een hekel. Ze hebben meermaals toegegeven dat ze aan de luie kant zijn.

In het Amerikaanse systeem, met zijn slopende wedstrijdprogramma, zouden ze mogelijk niet eens de top hebben gehaald. Het model heeft veel weg van een survival of the fittest.

Minder is meer, lijkt de filosofie van het bescheiden duo dat alleen samen traint op de estafette. Ze hebben allebei een eigen coach en hebben verschillende wegen naar de top afgelegd.

Het succes van Powell is geleidelijk gekomen. Hij was aanvankelijk alleen in voetbal geïnteresseerd en liep pas in zijn laatste jaar op de middelbare school warm voor de sprint. Zijn oudere broer Donovan was redelijk succesvol en deed in 1999 mee aan de WK indoor.

Als 18-jarige liep Powell slechts 10,85. Daarmee was hij in feite te langzaam om te worden opgemerkt door Amerikaanse universiteiten. Hij sloot zich zonder veel hoop op een profloopbaan aan bij de sprintgroep van de lokale trainer Stephen Francis.

Francis richtte zijn club MVP in 1999 op om te voorkomen dat de sprinters zouden stoppen als ze niet naar Amerika mochten. Hij geloofde dat topatleten ook op het eiland tot wasdom konden komen, een tamelijk excentrieke opvatting. Financiële steun van de Jamaicaanse federatie of van de overheid krijgt de groep niet.

Onder Francis ontwikkelde de fors gebouwde domineeszoon (1.90) zich rap, ondanks of juist dankzij de primitieve omstandigheden waarin wordt getraind. Sprinten is, meer dan andere atletiekdisciplines, een kwestie van genetische aanleg.

Veel van zijn sprintwerk doet de voormalige wereldrecordhouder op een grasbaan in Kingston. Ook het krachthonk is, in vergelijking met de faciliteiten in Amerika, volstrekt onder de maat. ‘Ik zag in 2001 in hem niet de snelste man van de wereld’, heeft Francis toegegeven. ‘Ik zag iets dat ik kon trainen. Zodra we begonnen te trainen, ontdekte ik dat hij speciaal was.’

Na vier jaar liep Powell zijn eerste wereldrecord. Zijn beste tijd (9,74) vestigde hij vorig jaar in Italië, in een voorronde waarin hij de laatste 30 meter ontspannen uitliep. ‘Ik ben ervan overtuigd dat ik daar in de 9,6 had kunnen lopen’, zei Powell later. ‘Ik had geen idee dat ik zo hard ging.’ Hij heeft inmiddels 41 keer onder de 10 seconden gelopen.

Bolt gold altijd als een fenomenaal sprinttalent. Als 15-jarige werd hij in Kingston voor 30.000 toeschouwers wereldkampioen op de 200 meter bij de junioren, zonder er veel voor te trainen of veel voor te laten. Hij liep de dubbele sprint als 17-jarige onder de 20 seconden. Op die leeftijd kon hij dankzij sponsorcontracten al profatleet worden. Hij hoefde niet eens na te denken over de aanbiedingen uit Amerika.

Vanwege zijn ongewone lengte voor een sprinter (1.96) achtte zijn coach Glen Mills hem vooral geschikt voor de 200 en 400 meter. Maar Bolt, die in zijn land bekendstaat onder de bijnaam ‘bliksemschicht’, voelde niets voor de laatste afstand. Hij moet er te hard voor werken.

De 100 meter leek Bolt geschikter, maar zijn coach vond dat hij een kans op die afstand moest verdienen. Pas als hij het 36 jaar oude Jamaicaanse record had verbeterd, mocht hij eens laten zien wat hij waard was op de korte sprint. Zijn pupil accepteerde de uitdaging en gaf zijn loopbaan prompt een spectaculaire wending.

Nadat hij het 200 meterrecord vorige zomer had verbeterd tot 19,75, liet hij zijn talent voor de 100 meter meteen bij zijn eerste race zien: 10,03. Dit jaar, na zijn derde race, wist hij het zeker. ‘Het record is van mij’, zei hij stellig tegen Mills, al kon hij niet bevroeden dat hij Powell slechts een paar weken later al zou opvolgen.

Bolt heeft toegegeven dat vooral het materiële succes van Powell hem heeft geïnspireerd. Hij zag van nabij dat de wereldrecordhouder een groter en mooier huis betrok aan de rand van Kingston en snelle auto’s begon te verzamelen. ‘Ik ben serieuzer gaan trainen. Ik had altijd een hekel aan het krachthonk. Dat heb ik nog steeds, maar ik probeer mezelf er nu toe te zetten. Ik probeer ook minder uit te gaan.’

Met hun ingetogen karakters en soms ongedwongen optredens kunnen Bolt en Powell het aanzien van de sprint veranderen, al zijn ze bij het grote publiek nog nagenoeg onbekend. Dat zal pas veranderen als ze bewijzen dat ze onder hoogspanning ook tot toptijden in staat zijn.

Powell is dat nog nooit gelukt. Vorig jaar moest hij bij de WK genoegen nemen met brons, nadat hij bezweek onder de druk. De Amerikaan Tyson Gay won de titel. Bolt heeft vorig jaar op de 200 meter zijn eerste, zilveren WK-medaille veroverd. Gay bleef ook hem voor.

Zeker is dat de Jamaicanen niets liever willen dan Gay, of een andere Amerikaan, vandaag verslaan. Ze willen de macht in de sprint overnemen. Ze weten zich in hun ambitieuze streven volgens Powell gesteund door veel atleten en atletiekliefhebbers.

‘Er is altijd rivaliteit tussen Amerika en Jamaica geweest. Over de hele wereld heb je personen die iets tegen de Verenigde Staten hebben. Waar ik ook kom zeggen die mensen tegen me: zorg ervoor dat je de Amerikanen verslaat.’

Meer over