Perfectionist op alle onderdelen

De charme van de zevenkamp schuilt voor Karin Ruckstuhl (26) in de complexiteit ervan. Analyseren en verbeteren, dat is wat de atlete en wetenschapster graag doet....

Karin Ruckstuhl mag graag klagen over pijntjes, vooral als de wedstrijd nabij is. Als Karin klaagt, zei haar voormalige trainer Peter Verlooy eens, dan is het goed. Dan is ze in topvorm.

‘Die uitspraak geldt niet meer’, zegt de zevenkampster monter. ‘Ik klaag nu altijd.’

Zere enkel, pijnlijke rug, geïrriteerde schouder: Ruckstuhl kan schijnbaar eindeloos spreken over kwaaltjes die door haar gebruinde huid aan het zicht worden onttrokken. Haar atletische voorkomen suggereert slechts gezondheid, lijkt ze te zeggen.

Ruckstuhl is het levende bewijs voor een stelling die haar vriend, de veelvuldig geblesseerde tienkamper Chiel Warners, graag verkondigt. Een meerkamp is niet alleen een wedstrijd in vijf, zeven of tien disciplines. Het is vooral een wedstrijd gezond blijven.

Ruckstuhl slaagt daar tot nu toe wonderwel in, haar rituele klaagzang ten spijt. Ze heeft zich gestaag opgewerkt tot een van de beste zevenkampsters van de wereld. Bij de afgelopen drie internationale titeltoernooien won ze medailles. De EK, vorig jaar in Göteborg, was het hoogtepunt.

Achter de ongenaakbare Zweedse Carolina Klüft, die al zes jaar ongeslagen is, veroverde ze het zilver. Dat was nog nooit een Nederlandse meerkampster gelukt.

Ook bij de WK in Osaka, volgende week, behoort ze tot de medaillekandidaten. Al realiseert ze zich dat de strijd fel wordt. ‘Ik zal een persoonlijk puntenrecord moeten halen om bij de eerste drie te komen’, weet ze.

Als Ruckstuhl zichzelf verbetert, is dat voor het zevende jaar op rij. De 26-jarige atlete, die vlakbij de IJsselmeerdijk in Lelystad samenwoont met Warners, heeft haar grenzen stelselmatig verlegd. Van een vooropgezet plan was geen sprake. Ze heeft min of meer bij toeval, spelenderwijs, haar gave voor de atletiek ontdekt.

Zoals ze ook min of meer bij toeval voor Nederland uitkomt bij internationale toernooien.

Ruckstuhl bezit een dubbele nationaliteit. Pas op haar 10de kwam ze vanuit haar geboorteland Zwitserland naar Nederland. Haar vader, een vooraanstaand natuurkundige, kreeg een baan bij het onderzoeksinstituut Nikef. Ook haar moeder is wetenschapster, een wiskundige.

‘Thuis spraken we Frans. Ik sprak geen woord Nederlands toen we hier kwamen’, zegt de atlete, die nooit heeft overwogen voor Zwitserland uit te komen.

Als meisje deed Ruckstuhl aan turnen op clubniveau. Pas toen bleek dat ze, ondanks vier trainingen per week nog energie overhad, kwam de atletiek erbij. ‘Op maandag en dinsdag had ik geen turnen. Dan ging ik handstanden doen in de woonkamer. Dat vonden mijn ouders te link worden. Zo ben ik op atletiek gekomen.’

Meer dan een liefhebberij was de sport lange tijd niet voor haar. Met topsport kwam ze pas in aanraking toen ze in Utrecht ging studeren en zich aansloot bij de trainingsgroep van Peter Verlooy, de huidige topsportcoördinator van de Atletiekunie. Plotseling trainde ze met nationale sprinttoppers als Jacqueline Poelman en Patrick van Balkom. ‘Dat was voor het eerst dat ik hard moest trainen.’

Een uitgesproken talent vond ze zichzelf niet. Ook Verlooy maakte, in haar herinneringen, nooit toespelingen op een mogelijke carrière als topatlete. Hij liet haar begaan.

Het bleek de juiste aanpak. Ruckstuhl, die zichzelf als een perfectionist omschrijft, raakte gegrepen door de zevenkamp. Ze wilde de diverse onderdelen beheersen. Ze had schik in het leren van de verschillende technieken: sprinten, horden, springen en werpen.

Analyseren en verbeteren, dat is de charme van de zevenkamp voor de jonge wetenschapster, die aan de Utrechtse universiteit promoveert in de geofysica. ‘Ik heb nooit gekozen voor de topsport. Ik wilde helemaal niet leven voor de sport, zoals Jacqueline Poelman. Ik vond het gewoon leuk. Gaandeweg ben ik erin gegroeid. Nog steeds leef ik, voor een topsporter, niet heel erg serieus.’

Ruckstuhl beschikt wel over een sterke innerlijke discipline. Volgens Verlooy streeft ze altijd naar een ‘10 min’, of het nu de wetenschap of de sport betreft.

Ook Ruckstuhl erkent dat die eigenschap in beide vakgebieden nuttig is, zo niet noodzakelijk. ‘Het geeft allebei veel verantwoordelijkheid. In wetenschap en sport heb je zelf in de hand of je het maximale eruit haalt. Je kunt altijd een training overslaan, of met een zesje genoegen nemen. Je moet het echt willen. Het moet uit jezelf komen, want er is niet steeds een baas die over je schouder meekijkt.’

In welk vakgebied de top gemakkelijker te bereiken is, durft ze niet te zeggen. Dat hangt volgens haar af van de definitie van top. Haar studie geofysica rondde ze cum laude af, het hoogst haalbare en dus enigszins vergelijkbaar met een gouden medaille. Maar er zijn veel meer studenten die cum laude afstuderen, dan er winnaars zijn in de atletiek.

‘Het is wel weer moeilijker om de Nobelprijs te winnen dan de WK. Er zijn veel takken waarin je goud kunt winnen, maar weinig waarin de Nobelprijs wordt vergeven. Daarentegen kun je van de wetenschap eerder je beroep maken, dan van topsport. Het is gemakkelijker om van te leven, al moet je om een vaste baan als geofysicus te krijgen wel tot de besten behoren.’

Ruckstuhl schept genoegen in de afwisseling van geestelijke en fysieke arbeid, al heeft ze de laatste jaren wel ervaren dat het ondoenlijk is om in twee vakgebieden tegelijk naar de top te streven. Ze dreigde ten onder te gaan aan de werkdruk in haar eerste promotiejaar. Inmiddels staat de zevenkamp voorop.

Sinds afgelopen winter traint ze drie dagen per week in het nationale sportcentrum Papendal, waar ze samen met Warners beschikt over een kamer. En ze verplicht zichzelf genoeg te rusten. ‘Ik kies er nu bewust voor. Als ik een halve dag niet hoef te trainen, ga ik niet meteen naar de universiteit. Ik heb het moeten leren. Rusten kost zo veel tijd. Als je ’s middags gaat slapen ben je zo anderhalf uur verder.’

Of de keuzes zich zullen vertalen in meer medailles? Ruckstuhl wenst er geen voorspelling over te doen. Hoewel ze zich steeds meer bewust is geworden van de waarde van prijzen, ziet ze topsport in de eerste plaats als een vorm van zelfontplooiing. Ze wil Carolina Klüft, of andere concurrenten, niet per se verslaan. Ze wil zichzelf verbeteren. Als dat een medaille oplevert, is het mooi meegenomen.

Meer over