Oogkleppen voor en door de barrière heen

De Nederlandse handbalsters willen weten hoe goed ze zijn. En daar moet veel tot alles voor aan de kant. Op 1 mei van het nieuwe jaar verdwijnen de veelal jonge studentes voor minimaal anderhalf jaar uit de competitie....

Van onze verslaggever

AMSTERDAM

Die droge mededeling van twee maanden geleden bracht het ingedommelde handbalwereldje in rep en roer. De plannenmakers vonden de eerste winst direct al op de deurmat. Nooit werd over handbal geschreven, nu was het een onderwerp op de media-agenda.

De ingrediënten van het rumoer waren klassiek: de bondscoach is zijn trainerende collega's zat, de speelsters zijn oprecht en heerlijk naïef van mening dat het allemaal anders moet en kan. En de clubs zijn woedend om zoveel vermetelheid zonder te zijn geraadpleegd. Het kabaal kwam dan ook vooral van clubkant.

De amateurverenigingen praten alsof zij grote bedragen in hun internationals hebben geïnvesteerd, alsof zij zoals uitzondering Swift Roermond de meisjes op de loonlijst hebben, alsof zij de speelsters in zes tot tien avonduren kunnen opleiden tot krachten van internationaal hoogwaardig niveau.

Dat is nooit gelukt. En vooral daarom heeft bondscoach Bert Bouwer zijn speelsters zijn overtuigingen kunnen inmasseren. De trainer, een ouderwetse rebel, hield hen voor dat hij zelf eens bij een internationaal evenement in eigen land, het B-wereldkampioenschap van 1983, wegens gebrekkige voorbereiding voor schut ging. En hij zei dat hij bij ongewijzigd beleid straks in Rotterdam niet eens op de bank plaats zou nemen.

Het nu gepresenteerde Oranje-plan, codenummer 3, kreeg zijn kiem tijdens een stage in Atlanta, niet voor niets het toneel waar de volleyballers hun tien jaar eerder ingezette prestatiemodel bekroonden met Olympisch goud. Het volleybalmodel is de leidraad van de Nederlandse sportwereld. Ook daar werden spelers uit de competitie genomen en werd door meer trainingsomvang en een betere periodisering een snelle inhaalslag gepleegd.

Ook daar waren de initiatiefrijke spelers, de erbij gevraagde coach (Selinger) en bond (lees voorzitter De Bruin) voor en de clubs mordicus tegen. Die gelijkenis bevalt NOCNSF dat nog deze maand nieuwe budgetten hoort te verdelen, ten zeerste. De koepel is weinig onder de indruk van protesterende clubs. Het plan van het NHV is de commissie topsport (BCT) van NOCNSF zeer sympathiek.

Het handbalverbond vraagt om advies en om geld. De wijze raad kan mooi uit de koker van aanstaand Olympisch adviseur Alberda komen. Het tweede is in de Nederlandse sportwereld als altijd een groter probleem. Het NHV dat bij zijn sponsors al twee miljoen voor het basisplan heeft bedisseld, vraagt extra geld voor begeleiding.

De twintig internationals die uit de competitie gaan, zijn merendeels studenten en moeten ondersteund worden in hun loopbaanplanning. Er dient voor enkelen loonderving te worden betaald.

De handbalsters vragen echt niet het uiterste. Een straks uittredend toptalent als Natasja Burgers van Volewijckers zegt al blij te zijn met de tot nu toe toegezegde tweehonderd gulden per maand. Ze heeft altijd geld moeten meebrengen.

Ook in dit geval zal het volleybalvoorbeeld met zijn beroepsperspectief zijn werk hebben gedaan. De internationals die in '88 uit de competitie traden, werden in het eigen internaat zo veel beter dat zij voor buitenlandse clubs grif gevraagde krachten werden. De export van volleyballers bedraagt momenteel veertig stuks (m/v).

De gedachte die het NHV in zijn plan poneert, dat de opleiding in Zeist de competitie met nieuw talent zal versterken, lijkt daarom een weinig onderbouwd idee. In omringende landen (Duitsland, België, Frankrijk) wordt wel betaald en dat zal in de toekomst een aanzuigende werking hebben op goed opgeleide Nederlandse speelsters.

Dat is op zich niet erg. Behalve in het betaald voetbal beschikt de Nederlandse sport niet over goede profcompetities. Het is al mooi als de nationale teams internationaal kunnen concurreren.

Daarvoor moeten de meiden van Bouwer straks keihard aan de slag. Ze gaan 25 uur per week trainen, willen volgend jaar en in 1998 liefst 80 interlands spelen en zich bij de beste zes teams van Europa voegen.

De echte effecten moeten pas in de volgende eeuw komen. Sommigen noemen dat voornemen argeloos, maar soms moeten in de sport nu eenmaal de oogkleppen voor om door een barrière te breken. Het volleybalvoorbeeld, dat niets onmogelijk is, heeft school gemaakt in Nederland.

John Volkers

Meer over