Reportage

Onder een rood-wit-blauwe vlag verbergt Sifan Hassan haar ongeloof: eeuwige olympische roem

null Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant
Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant

Overal had Sifan Hassan pijn, naweeën van de val op de 1.500 meter eerder die dag. Het weerhield haar er niet van op magistrale wijze de 5.000 meter te winnen.

Ze wrijft herhaaldelijk met gestrekte vingers over het gelaat. Dan wijst ze vol ongeloof naar zichzelf. ‘Ik? Ik?’ Ja, ze is het wel degelijk, olympisch kampioen, en het is inderdaad niet zo vanzelfsprekend.

Sifan Hassan (28) kwam dertien jaar geleden als minderjarige asielzoeker uit Ethiopië in haar eentje naar Nederland en begon als schuchtere tiener met hardlopen, eerst in Leeuwarden, daarna in Eindhoven en vervolgens op Papendal. Deze maandagavond heeft ze in een nat Tokio een gouden medaille gewonnen op de 5000 meter. Dat is er alvast één, vooralsnog. Ze wil ook het allerhoogste op de 1500 en de 10.000 meter.

Het is 29 jaar geleden dat Nederland olympisch goud haalde in de atletiek. Het lukte Ellen van Langen in Barcelona, in 1992 op de 800 meter. Op het tartan van Tokio verbergt Hassan zich onder een rood-wit-blauwe vlag, voor een gebed, maar mogelijk toch ook om zichzelf even de tijd te gunnen maar eens na te gaan welke weg ze heeft afgelegd. Dan volgt er een loopje voor de fotografen en de juichende aanhang uit de Nederlandse ploeg op de tribunes. En dan te bedenken dat ze ‘s morgens nog op de baan was gesmakt, in een serie voor de 1.500 meter. ‘Ik weet zelf ook niet hoe ik het heb gedaan. Het was net een drama. Alsof het niet echt is.’

Hassan loopt hier voor niets minder dan eeuwige olympische roem, met een programma dat bij velen de wenkbrauwen doet fronsen: na lang twijfelen besloot ze enkele dagen geleden op drie afstanden uit te komen. Volgens haar is er ruimte voor en de belangrijkste verklaring is, zegt ze, dat ze haar hart volgt. Het zou een unieke trilogie in goud moeten opleveren. Het roept hier en daar de vraag op af ze niet te veel hooi op haar vork aan het nemen is. Maar in haar gedrevenheid - vraag het haar begeleiders - is geen plek voor dat soort bespiegelingen.

Maandag loopt ze in het oranje shirt lang in de strategie die ze koestert. Lekker achterin in deelnemersveld, meehobbelen lijkt het wel, overzicht hebben, in de gaten houden of er iemand versnelt. Wie? Wanneer? Ze kan altijd vertrouwen op haar ijzersterke eindschot. Op tweederde van de race schuift ze wat verder op. Dan, in de laatste ronde, neemt ze met een overtuigende versnelling ruim afstand van de concurrentie. Ze eindigt in 14,36 minuut, voor Hellen Obiri uit Kenia en de Ethiopische Gudaf Tsegay, op 1,5 en 2 seconden. Als ze bij het passeren van de streep naar het scherm kijkt, grijpt ze naar het hoofd. Nee, het is geen film, het is de werkelijkheid, straks gestold in glanzend eremetaal.

Het mocht dan ogen zoals gepland, gemakkelijk was het zeker niet, verklaart ze laat in de avond, als de Nederlandse vlag na de overwinningsparade langs de cameraploegen dan toch van de schouders is verdwenen. Dat het tempo lang laag lag, was haar wel goed uitgekomen. De val in de ochtend had meer fysieke malheur opgeleverd dan ze aanvankelijk inschatte. ‘Ik had overal pijn. Overal.’ De twijfel had zelfs even toegeslagen. Kon ze het nog wel?

Het afwachtende lopen was haar in de serie van de 1500 meter bijna opgebroken, al loste ze het op indrukwekkende wijze op. Op 350 meter van de finish leek ze alvast wat te willen opschuiven tussen de andere lopers, toen ze struikelde over de Keniaanse Edinah Jebitok die voor haar tegen de grond ging. Ze krabbelde op en zette vol aan om de anderen, die zich ineens tientallen meters verderop bevonden, te achterhalen. Op de streep was ze nog iedereen te snel af en stelde de finale veilig. Ze was geschrokken. ‘Maar ik dacht meteen: ik kan niet stoppen.’ De adrenaline gierde nog lang door het lijf. ‘Het voelde alsof ik twintig koppen koffie had gedronken.’ Even was het zowaar door haar heen geschoten: misschien was het wel wat veel, die overladen agenda.

Dat ze voor drie afstanden koos, kwam enigszins als een verrassing. Zaterdagavond maakte ze na het lopen van de serie voor de 5000 een licht ontredderde indruk. Ze zweette, ze wreef het zout uit de ogen, klaagde over het warme weer, over de stress als gevolg van alle covid 19-beperkingen. Ze moest nog even ‘checken’ hoe het lijf erop had gereageerd.

Maar na twee wereldtitels op de 1500 en 10.000 in 2019 in Doha - ook al nooit vertoond - wil ze meer. De vorige Spelen, in Rio de Janeiro, waren uitgelopen op een deceptie. Op de 1500 meter was ze vijfde geworden. Op de 800 meter bereikte ze de finale niet eens. Na het behalen van de wereldtitel op de WK Indoor in Portland liep ze een dijbeenblessure op, waardoor ze volgens haar te weinig had kunnen trainen. Het leidde uiteindelijk tot vertrek uit Nederland.

Ze ging haar heil zoeken bij het inmiddels opgeheven Nike Oregon Project onder leiding van de omstreden coach Alberto Salazar, een voormalige marathonloper uit de Verenigde Staten, van Cubaanse origine. Hij is na schorsingen wegens het experimenteren met verboden middelen en methoden en emotioneel en fysiek misbruik van atleten uit de sport verbannen. Hassan traint al enige tijd onder een toenmalige assistent, Tim Rowberry.

Ze is blij dat het eerste goud binnen is. De druk is eraf. Vrijdag wacht de finale van de 1500 meter, een dag later moet ze aan de bak op de 10.000. Wat er mogelijk is? ‘Dit zijn geen Diamond League-wedstrijden. Dit zijn de Olympische Spelen. Hier zijn veel landen, hier zijn heel veel atleten. Maar ik doe mijn best. Ik ga alles geven.’ Dat spreekt bij haar dan wel altijd vanzelf.

Meer over