Olympische Spelen

Nu de volksliederen zijn gespeeld, is het tijd om de boeken op te maken: wat kost een medaille?

De Nederlandse sporters veroverden in Tokio 36 medailles, goed voor de zevende plek in het medailleklassement. Topsport is geen boekhoudkundige exercitie, maar een relatie tussen geld en prestatie is er wel degelijk.

De hockeysters luisteren naar de volksliederen. De vrouwen wonnen goud, kosten: 8.525.058 euro. Beeld Klaas Jan van der Weij
De hockeysters luisteren naar de volksliederen. De vrouwen wonnen goud, kosten: 8.525.058 euro.Beeld Klaas Jan van der Weij

Met het zilver van Abdi Nageeye op de olympische marathon kwam de oogst voor de Nederlandse atletiekequipe op acht medailles. Afgezet tegen de investeringen van NOCNSF waren de atleten de best renderende sporters in Tokio. Een plak kostte minder dan een miljoen: 892.474 euro.

De duurste medailles kostten ruim het achtvoudige van dat bedrag. Het goud van de hockeysters vergde 8.525.058 euro aan investeringen van de sportkoepel. De bronzen plak van judoka Sanne van Dijke was bijna even duur: 8.240.740 euro.

Topsport is geen boekhoudkundige exercitie, maar een relatie tussen geld en prestatie is er wel degelijk. Sinds de Spelen van Rio investeerde NOCNSF zo’n 110 miljoen euro in de tientallen Nederlandse topsportprogramma’s (exclusief wintersporten). Dat geld is bedoeld om de wedstrijd- en trainingsprogramma’s te financieren en om de trainers, coaches en andere begeleiders te betalen.

3 miljoen per stuk

De kostprijs per plak voor NOCNSF is simpel te bereken: 110 miljoen gedeeld door 36 medailles is iets meer dan 3 miljoen euro per stuk.

In werkelijkheid ligt het bedrag hoger. Een belangrijke voorwaarde om NOC-toelagen te ontvangen, is dat de sportbond minstens 30 procent van het topsportprogramma zelf bekostigt. Los daarvan vloeit er geld vanuit sponsoren en overheden naar de topsport. De topsportstipendia, waaruit atleten worden betaald, komen uit een speciale pot: het Fonds voor de Topsporter.

Femke Bol heeft brons te pakken op de 400 meter horden. Kostprijs:  892.474 euro. Beeld Klaas Jan van der Weij
Femke Bol heeft brons te pakken op de 400 meter horden. Kostprijs: 892.474 euro.Beeld Klaas Jan van der Weij

Onderzoekers aan de Universiteit Utrecht ramen het totaal aan uitgaven aan de Nederlandse topsport in de periode 2017-2020 op een kleine 300 miljoen euro. Met het extra jaar vanwege het uitstel van de Spelen zal het totaal vermoedelijk op zo’n 375 miljoen uitkomen over de afgelopen vijf jaar. Per medaille is dat 10,4 miljoen euro.

De komende olympische cyclus tot Parijs 2024, die twee jaar korter duurt dan , zal vanzelfsprekend goedkoper uitvallen.

NOCNSF steekt het meeste geld in fietsen: wegwielrennen, baanwielrennen, bmx en mountainbike samen. 10.963.948 euro krijgen de renners sinds de Spelen van Rio. Meer dan zeilen (8.837.062), hockey (8.525.058) of judo (8.240.740).

Met lege handen

Het levert wat op. Een derde van alle Nederlandse medailles in Tokio, twaalf in totaal, werd op twee wielen gewonnen. Alleen in de mountainbikewedstrijden bleef Nederland zonder eremetaal. De kosten per medaille? Net iets meer dan in de atletiek, maar nog steeds een koopje vergeleken bij hockey en judo: 913.662 euro.

Ingezoomd op het wielrennen op de weg blijken de medailles – één goud, twee zilver en brons – nog goedkoper dan atletiek omdat die sport grotendeels door sponsors wordt gedragen: 792.690 euro per stuk.

Met eenmaal brons voor voor 8,2 miljoen had judo een magere opbrengst, maar het kon nog slechter. Op de tatami was er eremetaal en dat konden niet alle Nederlandse afvaardigingen zeggen. De duurste sporten die met lege handen terugkeerden waren waterpolo (5.706.542) en turnen (5.217.606).

Dat zijn op hun beurt sporten die minder kunnen rekenen op gelden van sponsoren en waarvoor de bijdrage van NOCNSF van extra groot belang is. Die zullen op de balans altijd relatief duur uitpakken.

Appels en peren

Is eerlijk om de verschillende disciplines rekenkundig tegen elkaar uit te spelen? Niet helemaal. Elke sport heeft zijn unieke karakteristieken. Zo is het eenvoudiger om veel eremetaal te winnen in een sport met veel onderdelen. Zwemmen heeft 37 nummers en dus 111 medailles in de aanbieding, atletiek 48 onderdelen en 144 medailles. Dat kan lekker aantikken in het medailleklassement. Teamsporten als hockey of handbal hebben twee toernooien, mannen en vrouwen, en in totaal slechts zes medailles te verdelen.

En dan is er nog de tegenstand. Die is lang niet in elke arena even sterk. Neem atletiek. Daar zijn veel onderdelen, maar tegelijkertijd wordt geen olympische sport zo mondiaal beoefend en sterk bezet. De concurrentie is er op de meeste van de onderdelen groter dan in elitesporten als zeilen of paardensport. Behalve voordelig voor NOCNSF zijn de prestaties in de atleten dus ook extra knap.

De vallende Liemarvin Bonevacia heeft het stokje gegeven aan Terrence Agard, de tweede loper van de 4 x 400 meter-ploeg. Beeld Klaas Jan van der Weij
De vallende Liemarvin Bonevacia heeft het stokje gegeven aan Terrence Agard, de tweede loper van de 4 x 400 meter-ploeg.Beeld Klaas Jan van der Weij

Atletiek

2 goud, 3 zilver, 3 brons

Investering NOCNSF: 7.139.792 euro

Kosten per medaille: 892.474

Met acht medailles schaarde Nederland zich in Tokio zowaar vlak onder de top van de grootste atletieklanden. Dat was niet voorzien. De belangrijkste, de twee gouden plakken van Sifan Hassan op de 5.000 en 10.000 meter, zijn vooral op het conto van de atleet zelf te schrijven. Haar dadendrang kent geen grenzen. Maar het resultaat weerspiegelt ook beleid. Het besluit talent bijeen te brengen op Papendal, onder begeleiding van coaches die waar nodig ook uit het buitenland werden aangetrokken, werpt zijn vruchten af.

Tegelijkertijd is ook ruimte gelaten voor sporters die liever hun eigen weg kiezen. Het palet leidde op de Spelen tot een reeks verrassingen. Zie het zilver op de zevenkamp van Anouk Vetter, die haar motivatie weer terugvond. Kijk naar Abdi Nageeye, die met zijn tweede plek op de marathon boven zichzelf uitsteeg. Maar let zeker op de vrouwen die zich zaterdagavond in het olympisch stadion na hun teleurstellend resultaat op de 4x400 estafette op de mannen afstuiven die zojuist naar het zilver zijn gedaverd. We zijn één team, beklemtonen ze na afloop. Teamgeest is ook op het tartan een wapen.

Harrie Lavreysen na het succes op de teamsprint.) Beeld Getty Images
Harrie Lavreysen na het succes op de teamsprint.)Beeld Getty Images

Wielrennen

5 goud, 3 zilver, 4 brons

Investeringen NOCNSF: 10.963.948 euro

Kosten per medaille: 913.662

Nederland fietsland. Net na Groot-Brittannië dan, dat zes keer goud pakte, één meer dan de vijf waarvoor het Wilhelmus klonk. Met twaalf medailles en vier olympisch kampioenen (Shanne Braspennincx en Harrie Lavreysen op de baan, Niek Kimmann op de BMX en Annemiek van Vleuten op de tijdritfiets) legde de afvaardiging van de KNWU het meeste gewicht in de schaal. De oogst was het rijkst op de wielerbaan van Izu. Afgezien van een surplus aan talent, waren er ook twee intelligente beslissingen voor nodig. Sprintcoach Hugo Haak besloot Matthijs Büchli mee te nemen als tweede afmaker in de teamsprint. Het gaf de eerst aangewezene, Jeffrey Hoogland, de rust om later te kunnen toeslaan. Braspennincx profiteerde van de specifieke training op individuele nummers, nadat was vastgesteld dat ze samen met Laurine van Riessen, die in Izu hard ten val kwam, op de teamsprint geen zicht had op een medaille. Niet alles liep geolied. De wegrit van de vrouwen, met vier topfavorieten, was een ware klucht, en de duikelpartij van Mathieu van der Poel op de mountainbike een

Dirk Uittenbogaard, Abe Wiersma, Tone Wieten en Koen Metsemakers, de winnaars van goud in de dubbelvier. Beeld ANP
Dirk Uittenbogaard, Abe Wiersma, Tone Wieten en Koen Metsemakers, de winnaars van goud in de dubbelvier.Beeld ANP

Roeien

1 goud, 2 zilver, 2 brons

Investering NOCNSF: 7.879.952 euro

Prijs per medaille: 1.575.990 euro

De Nederlandse roeiers waren de schrik van de olympische roeibaan. Vooral omdat het coronavirus vat had op de Nederlandse selectie. Onder strikte regels, die voor veel ongemak en spanning zorgden, mochten de roeiers toch nog meedoen om de prijzen. Ondanks die moeilijke omstandigheden presteerde de roeiéquipe beter dan ooit: met vijf medailles in totaal. In het verleden kwamen de Nederlandse roeiers nooit verder dan drie.

De mannen dubbelvier met Koen Metsemakers, Tone Wieten, Abe Wiersma en Dirk Uittenbogaard waren de eersten die in Tokio voor Nederland goud veroverden. Het was pas de achtste Nederlandse boot in de olympische geschiedenis die daarin slaagde. Het scheelde één misslag en ook de bronzen dubbeltwee met Ilse Paulis en Marieke Keyser hadden zich olympisch kampioen mogen noemen. En de zilveren vier zonder met Ellen Hogerwerf, Karolien Florijn, Ymkje Clevering en Veronique Meester was eveneens dicht bij de zege, net als Melvin Twellaar en Stef Broenink in de dubbeltwee bij de mannen.

De inspanningen van de roeibond sinds 2014 betalen zich uit. Toen veroverde Nederland op het WK in Amsterdam geen enkele prijs. Sindsdien is er een grote professionaliseringsslag geslagen met een nationaal trainingscentrum aan de Bosbaan, meer aandacht voor voeding en bovenal een veel strakker en vaak ook zwaarder trainingsregime.

Zwemmen

3 zilver

Investering NOCNSF: 6.935.240 euro

Prijs per medaille: 2.311.747

Het Nederlandse zwemprogramma staat al jaren voor een kwaliteitsaanpak in twee hoofdcentra, Eindhoven en Amsterdam. De aanpak staat onder druk. Het levert te weinig. Na het jarenlange oogsten tussen 2000 en 2012 was er in 2016 geen enkele medaille in het zwembad, wel tweemaal goud in het openwater. In Tokio was het schoolslagzwemmer Arno Kamminga die toetrad tot de wereldtop door op beide nummers, de 100 en 200 meter, zilver te winnen. De favoriet geachte Ranomi Kromowidjojo kon op de 50 meter vrije slag de ingecalculeerde medaille niet produceren. Ze werd vierde. Ook op de 4x100 meter vrije slag bleef het Nederlandse kwartet juist buiten de prijzen. Femke Heemskerk en Ranomi Kromowidjojo krijgen te weinig steun van jonge zwemmers, een verschijnsel dat al jaren voortduurt. In het openwater bleek de naar Duitsland uitgeweken titelverdediger Sharon van Rouwendaal nog steeds de wereldtopper, met het derde zilver van de ploeg. De andere titelverdediger, Ferry Weertman, liet zich verrassen en werd teleurstellende zevende.

Zeilen

1 goud, 2 brons

Investering NOCNSF: 8.837.062

Prijs per medaille: 2.945.687

Het Nederlandse zeilen was zo sterk de voorbije jaren, dat de cijferaars van Gracenote de ploeg van hoofdcoach Jaap Zielhuis inschatten voor vijf gouden medailles. Hij nam het niet serieus. Hij wilde de beste prestatie ooit neerzetten met de Nederlandse zeilploeg: één beter dan de drie van Londen 2012. Daarin slaagde het nationale smaldeel niet. De beste was, niet geheel onverwacht, Kiran Badloe in het windsurfen. Hij werd de ware opvolger van Dorian van Rijsselberghe. Lilian de Geus, de vrouw die op hetzelfde board, de RS:X, driemaal wereldkampioen werd, kon haar reputatie niet waarmaken. Zij werd vijfde. Er waren twee bronzen medailles die allebei goud hadden kunnen zijn. Het 49er FX-team van Annette Duetz en Annemieke Bekkering, ook tweevoudig wereldkampioen, verloor in de finalerace de eerste plaats. Pijnlijker was het brons voor de allerbeste vrouw in de Laser Radial, Marit Bouwmeester. De Friezin werd in race 7 gediskwalificeerd wegens een valse start. Het bewijs was zwak en werd niet aan de buitenwereld gegeven. In de medaillerace verspeelde Bouwmeester door een verknalde start nog eens het zilver aan een Zweedse. Drie jaar meticuleuze voorbereiding op locatie bleek zich deze keer niet uit te betalen. Op die manier had zij eerder zilver (2012) en goud (2016) veroverd.

Paardensport

1 brons

Investering NOCNSF: 5.739.394

Kosten per medaille: 5.739.394

Met één bronzen plak voor springruiter Maikel van der Vleuten zijn de Spelen in Tokio voor de Nederlandse paardensport in ieder geval beter verlopen dan die van Rio in 2016, waar voor het eerst sinds 1992 geen medailles werden gewonnen. Toch is het verschil met de jaren voor Rio nog steeds groot. Nederland grossierde in het verleden in olympisch eremetaal, met name te danken aan veelvraat Anky van Grunsven. Nederland blinkt momenteel vooral uit in paarden fokken: veel van de paarden die het olympisch podium haalden in Tokio, komen uit Nederland. De paarden van de Nederlandse ruiters waren nu nog te jong om Oranje terug naar de absolute wereldtop te krijgen. Er wordt veel verwacht voor de Spelen van Parijs in 2024 als ze wat ouder zijn, maar het gevaar van een verkoop ligt altijd op de loer.

Sanne Wevers in actie op balk. De turners wonnen geen medailles in Tokio.  Beeld ANP
Sanne Wevers in actie op balk. De turners wonnen geen medailles in Tokio.Beeld ANP

Turnen

0 medailles

Investering NOCNSF: 5.217.606

Een jaar van sociale en emotionele problematiek in het turnen vernietigde de voorbereiding van de Nederlandse vrouwenploeg. Bondscoach Gerben Wiersma vertrok, hoewel hij werd vrijgesproken van strafbare feiten in de nog steeds woekerende turncrisis. De andere topcoach, Vincent Wevers, mocht van de bond, de KNGU, niet mee met zijn dochters, olympisch kampioen Sanne en allrounder Lieke. Het zou onrust geven. De rechter in Zutphen vond van niet. Het hof van Arnhem ontzegde hem het recht zijn werk als topcoach uit te voeren. De vrouwenploeg was vervolgens nergens. Alleen Lieke Wevers turnde als toegevoegde nummer 24 de meerkampfinale. Zij brak en werd gecoacht door haar zus die het werk overnam van de aangewezen coaches Aimee Boorman en José van der Veen. Bij de mannen bleek de conditie van oud-kampioen Epke Zonderland te breekbaar en vond Bart Deurloo het behalen van een finaleplaats op rekstok al een mooie verrichting. Zijn zevende plaats en laconieke optreden na afloop waren ver onder de maat.

Judo

Brons

Investering NOCNSF: 8.240.740

Prijs per medaille: 8.240.740

Geen enkele olympische medaille was zo duur als die van judoka Sanne van Dijke. NOCNSF investeerde vanaf 2017 ruim 8,2 miljoen euro in het judo. Het leverde een schamele bronzen plak op voor de tienkoppige ploeg van bondscoach Maarten Arens, van wie vijf judoka’s in de top vijf van de wereld staan.

In Tokio hadden de eerste voorzichtige resultaten zichtbaar moeten worden van de centralisatie, het nieuwe beleid dat in 2016 werd ingezet. Na tegenvallende resultaten op de Spelen van Londen (2x brons) en Rio (1x brons) werden judoka’s verplicht op Papendal te trainen. Maar op de Spelen steeg geen enkele judoka boven zichzelf uit, op lichtgewicht Tornike Tsjakadoea na, die vijfde werd.

In Parijs 2024 volgt de afrekening van de nieuw gekozen aanpak. Volgens NOCNSF duurt het acht jaar om het podium te halen. Maar op het tussenrapport scoort het judo een dikke onvoldoende.

Overige sporten

Hockey, 1 goud, investering: 8.525.058, kosten per medaille: 8.525.058.

Handboogschieten, 1 zilver, investering: 1.362.982, kosten per medaille: 1.362.982.

Boksen, 1 brons, investering: 1.362.982, kosten per medaille: 1.362.982.

Meer over