Nog twaalf jaar, dan is Amerika wereldkampioen

The Summer of '94 was meer dan een financiële voltreffer. Vier jaar na het WK in de Verenigde Staten oogt de nieuwe profleague kerngezond en valt de jeugd massaal voor het spelletje....

TIM OVERDIEK

door Tim Overdiek

HET IS LASTIG jongleren met wind tegen. Het puntje van zijn tong uit de mond, blikje cola in de linkerhand, doet Dave Young (16) zijn stinkende best. Vanuit zijn ooghoeken houdt hij de auto's in de gaten, die laverend een plekje op de uitgestrekte parkeerplaats zoeken.

'Je hamburger is klaar', zegt Tom Loverra. Dave legt de bal gedecideerd dood onder zijn voet. Met zijn voetbalshirt, het tenue van Premier League-club Arsenal, wist hij het zweet van het voorhoofd. Uit de luidsprekers van de Jeep Cherokee schalt rockmuziek. Die concurreert met flarden salsa en gaat, opgejaagd door de wind, een één-tweetje aan met het beton van Giants Stadium.

Het American football-stadion is van april tot oktober het thuishonk van de MetroStars, een van de twaalf clubs die Major League Soccer rijk is. Dave en Tom zijn sinds dit seizoen kaarthouders, en vanzelfsprekend arriveren ze ruim voor het begin van de wedstrijd voor een onvervalste tailgate party.

Amerikaanser kan het niet. De achterklep gaat open, barbecue verschijnt en binnen tien minuten liggen hamburgers te sudderen, zijn zakken chips verslonden en is de koelbox half leeg. Onderwijl stuitert de meegebrachte voetbal talloze malen van speler naar speler. Clubtenues uit alle uithoeken van de wereld zwermen over de parkeerplaats.

Vlak voor de echte aftrap begeeft de massa zich richting stadion. Veel kleine kinderen, moeders en muziekbands. Eindeloos tromgeroffel en doordringende toeters creëren een Zuid-Amerikaans sfeertje. Achter het doel blaast een man op zijn doedelzak onverstoorbaar de herkenningsmelodie van Star Wars.

Dave en Tom zijn niet al te opgetogen over het niveau van Major League Soccer, maar het is beter dan niks. Zoals basketbalfans in Europa vol ontzag naar de NBA in Amerika kijken, volgt het tweetal de overzeese competitie. Zonder haperen noemen ze de voornaamste spelers van Ajax. Ook de splinternieuwe Arena is hen bekend. In Amsterdam zijn ze nooit geweest. De kennis is vergaard via een computerspelletje van de FIFA. Very cool.

Vrijwel dagelijks posteert het tweetal zich met een emmer popcorn voor de buis. Sinds het WK voetbal is het televisie-aanbod van buitenlandse wedstrijden explosief toegenomen. De Serie A, Bundesliga, Premier League en ook de eredivisie hebben een vast plekje veroverd, naast tal van wedstrijden uit Midden- en Zuid-Amerikaanse landen.

Twaalf jaar oud waren Dave en Tom, toen op Amerikaans grondgebied om de wereldtitel werd gestreden. En acht, toen de Verenigde Staten zich voor het eerst sinds langvervlogen tijden voor een eindronde kwalificeerde. Dat laatste kunnen Tom en Dave zich amper herinneren. De World Cup in eigen huis, ja, dat was iets om trots op te zijn.

Tijdens Italië '90 hadden de Amerikanen 'attractief voetbal' gespeeld, zo hielden spelers en coach zichzelf na een roemloze uitschakeling in de eerste ronde voor. In 1994 volgde een heroische revanche. Colombia werd verslagen, dankzij een doelpunt van Earnest Stewart hetgeen hem (als enige voetballer totnutoe) op het omslag van weekblad Sports Illustrated deed belanden. Een curieus maar onweerlegbaar bewijs dat de voetbalsport meetelt.

In de tweede ronde ging de ploeg met geheven hoofd ten onder tegen de latere wereldkampioen Brazilië. Daar was pas een visitekaartje afgegeven. En dan hebben we het niet eens over de 3,5 miljoen toeschouwers die alle WK-stadions deden uitpuilen. Liefst tien miljoen Amerikaanse gezinnen zagen hun nationale trots op televisie verhitte strijd leveren, en spraken er nadien dagenlang vol bewondering over.

Het was een historische ommekeer. Niet langer viel het bestaan van het buitenlandse spelletje te ontkennen, zoals altijd met zelfgenoegzame spot door genadeloze criticasters was gedaan. Soccer was tot de zomer van '94 een sport voor sissy's, zeikerdjes, gescoord werd er amper en niemand zat te wachten op een profcompetitie die zich zo nodig met honkbal, American football, basketbal en ijshockey moest meten.

Die nieuwe league kwam er toch, zij het met twee jaar vertraging. Extra voorbereidingstijd was noodzakelijk om in april 1996 te kunnen aftrappen. Een complete competitie uit de grond stampen bleek heel iets anders dan het organiseren van een gereputeerd toernooi. Major League Soccer kon slechts bouwen op de ruïnes van een besmet verleden, waarin tal van sportieve en zakelijke blunders waren begaan.

'Ah, de NASL', zegt Jim Trecker, en zijn ogen beginnen te fonkelen. Het waren zonder meer de gouden jaren van het Amerikaanse voetbal, al hield zich onder het vergulde laagje een stevige bonk roest schuil. Maar niemand die dat zag, eind jaren zeventig, toen de onvergetelijke Pelé er praktisch in zijn eentje voor zorgde dat het Amerikaanse volk tijdelijk besmet raakte met het voetbalvirus.

Trecker was indertijd perschef van New York Cosmos, dat in 1974 liefst 4,5 miljoen dollar betaalde voor de Braziliaanse legende. In diens spoor volgden vedetten als Cruijff, Beckenbauer, Neeskens, Best en Chinaglia. De North American Soccer League was enkele seizoenen 'een competitie vol opwinding, magie en hoogtepunten', zo herinnert huidig bondswoordvoerder Trecker het zich met gepaste weemoed.

De kleedkamer na elke thuiswedstrijd van de Cosmos was steevast een glamourvolle scène, waar de beroemde en dure voetballers zich lieten knuffelen door sterren als Mick Jagger, Rod Stewart en Henry Kissinger. Maar intussen verbeet de penningmeester zich, omdat de verliezen zich na elk duel opstapelden.

Nooit weer, namen investeerders zich voor, toen de NASL in 1984 bankroet en in de steek gelaten door publiek en topvoetballers haar laatste adem uitblies. Major League Soccer houdt momenteel krampachtig vast aan een verantwoord financieel beleid. Elke organisatie mag niet meer dan 1,6 miljoen dollar aan salarissen uitgeven, met een maximum van 236.750 dollar per speler.

Sportieve en financiële scheefgroei dient ten koste van alles te worden voorkomen. Hoe verleidelijk het ook kan zijn om te wapperen met dollars en 'grote namen' als Gascoigne en Baggio te kidnappen. Major League Soccer moet het doen met een handjevol smaakmakers van internationale allure.

Carlos Valderrama is er een van. Waar de Colombiaan met zijn huidige team Miami Fusion verschijnt, draven steevast duizenden extra toeschouwers op. Met externe sponsors wordt Valderrama's inkomen opgekrikt. Hetzelfde gebeurde met Jorge Campos, Alain Sutter, Walter Zenga, Roberto Donadoni en, zij het heel eventjes, Hugo Sanchez.

De laatste drie hebben Major League Soccer inmiddels weer de rug toegekeerd, en indrukwekkende vervangers zijn niet aangetrokken. Edwin Gorter, de nieuwe spelmaker bij New England Revolution, is niet iemand voor wie Amerikaanse voetbalfans in groten getale naar Foxboro Stadium in Boston trekken.

Gorter vormt samen met Richard Goulooze en de Amsterdamse hoofdcoach Thomas Rongen een kleine, Nederlandse enclave. Buitenlandse inbreng, per ploeg beperkt tot vijf spelers, komt voornamelijk uit Midden- en Zuid-Amerika. Dat is een bewuste marketing-keuze. Het merendeel van de gemiddeld zestienduizend toeschouwers per wedstrijd is immers afkomstig uit deze contreien.

De geluiden dat MLS steeds meer een Spaanstalige league aan het worden is, zijn begrijpelijk maar niet helemaal steekhoudend. Feit is dat de meeste spelers van de nationale ploeg onderdak hebben gevonden in Major League Soccer. Tot het WK in 1994 moest het gros van de internationals vanuit alle windstreken worden overgevlogen om wedstrijden in de Concacaf-groep te spelen.

Kinderen hebben nu nationale toppers bij de hand om zich aan te spiegelen, en dat is exact wat altijd ontbrak. De NASL was volgepropt met buitenlandse coryfeeën, en voor de vorm stonden hooguit vijf Amerikanen op het veld. Nu is dat omgekeerd. MLS fungeert als lokaas voor veelbelovende spelers, wier voetbalcarrière tot drie jaar geleden onherroepelijk op een dood spoor belandde zodra de tienerjaren erop zaten.

Gevoetbald wordt er volop door de Amerikaanse jeugd. Na het wereldkampioenschap in 1994 groeide het aantal bondsleden met zo'n 25 procent. De United States Soccer Federation (USSF) telt 3,5 miljoen leden, waarvan ruim drie miljoen jonger is dan negentien jaar. Naar schatting trappen zo'n achttien miljoen Amerikanen geregeld een balletje. Dat zijn vooral vrijblijvende partijtjes in het park.

Doorstroming naar clubs is er nauwelijks. In stedelijke gebieden bestaan competities voor volwassenen goeddeels uit immigranten, of hun kinderen. Bergen Kickers, een bescheiden amateurclubje onder de rook van New York City, is van die trend een goed voorbeeld. In 1912 opgericht door Duitse immigranten, bestaat het huidige eerste team anno '98 in zijn geheel uit Ecuadorianen. Met uitzondering dan van de twee reservespelers.

Bestuurslid Fritz Marth noemt het een teken des tijds. Van oudsher is voetbal een spel van immigranten. Bergen Kickers komt uit in de Cosmopolitan Soccer League, die in 1923 als de German-American Soccer League het levenslicht zag. 'Decennia achtereen speelden Ierse, Engelse, Italiaanse en Duitse clubs tegen elkaar. Nu zijn het Ecuadoriaanse, Mexicaanse, Colombiaanse en Braziliaanse ploegen, die de passie voor het voetbal levend houden', aldus Marth.

De USSF voelt zich vier jaar na de World Cup sterk genoeg om de concurrentie met de vier gevestigde sporten aan te gaan. Stapsgewijs moet het jeugdvoetbal de aansluiting vinden met volwassen competities. Die moeten op hun beurt weer worden verbonden met de semi-professionele leagues die verspreid over het land het hoofd boven water proberen te houden. En aan de top van deze piramide prijkt Major League Soccer.

Zestig miljoen dollar was de netto-winst van het wereldkampioenschap. Dat bedrag is conservatief belegd en levert jaarlijks miljoenen dollars op, die via eenmalige subsidies worden besteed om het voetbal te propageren. Voetbalvelden worden aangelegd, coaches en scheidsrechters worden opgeleid. En al die investeringen moeten leiden tot een onwerkelijk ogend dividend in 2010: de wereldtitel.

Over twaalf jaar zal aanvoerder Jamar Beasley de trofee uit handen van de FIFA-president ontvangen, zo staat in de USSF-sterren geschreven. Beasley geldt als het grootste talent dat op de Amerikaanse velden rondloopt. Zestien jaar is hij nu, de bonkige aanvaller uit Fort Wayne, Indiana, en een van de groeidiamanten in het nieuwe samenwerkingsverband van USSF en MLS.

Project-40 voorziet in de opvang van talentrijke junioren, die worden klaargestoomd voor de diverse nationale teams. Vier dagen in de week trainen de spelers bij MLS-clubs, in het weekeinde vinden wedstrijden plaats tegen ploegen uit de A-League en USISL. Dit zijn twee semi-professionele divisies, die qua niveau onder Major League Soccer vertoeven.

Jamar Beasley wordt gedurende de week onder handen genomen door Thomas Rongen, coach van New England Revolution. De geboren Amsterdammer, die in het kielzog van Rinus Michels en Johan Cruijff naar Amerika toog en aan het land verslingerd raakte, is lyrisch over Beasley. 'Hij heeft het sprintend vermogen van een Amerikaan, het technisch vernuft van een Braziliaan en de doordachtheid van een Europeaan.'

Ziehier de ideale Team USA-voetballer. Zet er elf van op het veld, gun ze wat tijd voor loutering en een wereldtitel is binnen bereik. Een optelsom of Amerikaanse grootspraak? Rongen lacht. 'This is America.'

Maar waarom niet? 'Er gebeuren dingen die vier jaar geleden als onmogelijk werden bestempeld. Onderschat de kracht van the melting pot niet. We zijn nog steeds zoekende naar een eigen speelstijl. Maar als al die verschillende invloeden eenmaal samensmelten, krijg je een ploeg waar je bang van wordt.'

Meer over