Na tien jaar slachtoffer van het eigen succes

Michael Boogerd wint eindelijk Luik-Bastenaken-Luik, Thomas Dekker draagt de trui van beste jongere in de Tour de France, die ook nog eens wordt gewonnen door Denis Mentsjov en nieuwkomer Maurizio Ardilla verrast in de Giro d’Italia....

De lat ligt hoog, want na tien jaar sponsoring is de bank, die vandaag in Rotterdam de ploeg voor het komende jaar presenteert, allesbehalve verzadigd. Het instituut heeft een naam hoog te houden en steeds grotere uitslagen nodig om de respons te krijgen die de investeringen rechtvaardigen. Het project wordt langzaam maar zeker slachtoffer van het eigen succes.

Jan Raas had in 1996 samen met Rabo-topman Herman Wijffels wel een idee over hoe de toekomst van het vaderlandse wielrennen eruit zou kunnen zien. Maar geen van de twee zal hebben gedacht dat een decennium later Rabobank een synoniem zou zijn voor de totale Nederlandse wielersport.

De concurrentie zal wijzen op de nadelen en aanvoeren dat de verstikkende greep die de bank op het nationale fietsen heeft veel renners en geldschieters ontmoedigt en dat het zich daarom het alleenrecht kan toeëigenen in wielerland. Dat is waar. Maar zonder het ‘boerengeld’ zou de sport er niet zo rooskleurig hebben voorgestaan.

Een vertegenwoordiger van een voormalige wielersponsor zei een paar dagen geleden nog dat zijn broodheer erover dacht terug te keren in het peloton. Het mooiste zou zijn om ‘de boel van de bank’ over te nemen, droomde hij hardop. ‘Maar dat zal wel niet gebeuren, want die gaan tot in lengte van dagen door.’

Bijna elke renner die in het peloton fietst heeft een of meer jaren doorgebracht in de bankploeg. Zo’n honderdvijftig passeerden er de afgelopen tien jaar de revue. Of zoals veldrijder Gerben de Knegt, die per 1 januari is teruggekeerd op het oude nest, het verwoordde: ‘Als je Nederlander bent en goed kunt fietsen, hoor je bij Rabobank te rijden.’

In 1996, toen het wielrennen een sport voor alleen Spanjaarden en Italianen leek te worden, begon Raas met een budget van zeven miljoen gulden. Een jaar later werd dat budget door de komst van een junioren- en amateurploeg, de basis van het Wielerplan, opgeschroefd. In 2005 had Theo de Rooij 9,5 miljoen euro te besteden voor de renners van het Trade Team 1 en 3, zeg maar de amateurs en de profs.

Het succes bleef niet uit. Michael Boogerd tekende in 1996 voor de eerste etappezege in de Tour, Rolf Sörensen won een jaar later de Ronde van Vlaanderen als eerste grote klassieker, in 2001 veroverde de Belg Marc Wauters de gele trui en afgelopen jaar stond Michael Rasmussen als eerste Rabo-renner op het podium in Parijs en bezorgde Denis Mentsjov door de diskwalificatie van Roberto Heras in de Vuelta zijn sponsor de eerste grote-rondewinst.

Afgelopen zomer stelde Theo de Rooij, die het management overnam van Jan Raas, na de etappezege van Pieter Weening in de Tour triomfantelijk vast dat wat hem betreft de cirkel rond was. Eindelijk was er succes van een renner die alle gelederen van het Wielerplan had doorlopen. Het was de enige manier om de criticasters van repliek te dienen. Dat ook Thomas Dekker en Joost Posthuma moeiteloos de overstap van de beloftenploeg naar de profs maakten, was een kroon op het werk dat tien jaar geleden zijn oorsprong vond.

Ook in sponsorkringen sleepte de Rabobank de ene na de andere prijs in de wacht. De manier waarop de bank (vooral) lokaal, nationaal en internationaal met fietsende jeugd en profs in beeld komt, wordt door de kenners geroemd als hét marketingideaal.

Vooral in Frankrijk zijn ze gecharmeerd van de manier waarop de sponsor zich ontfermt over de toekomst van de sport. Het maakt dat de talenten zeer in trek zijn. Vier Nederlandse renners uit de opleidingsploeg hebben voor komend seizoen een contract getekend in Frankrijk.

De leiding van de bank nam het verlies gelaten. Een jaar eerder braken ook Koen de Kort en Bas Giling hun opleiding voortijdig af voor een buitenlands avontuur. Steeds meer dringt zich de vergelijking met Ajax op, hoewel het moment om de twee instituten tegen elkaar af te zetten misschien ongelukkig is gekozen.

Maar de internationale reputatie van de Ajax-opleiding is bijna even onberispelijk als die van de bank. De vraag is of de ambitie van de laatste om in 2007 of in 2008 met een volledig zelfopgeleide Nederlandse ploeg rond te rijden, nog wel kan worden waargemaakt. In Amsterdam weten ze daarop het antwoord al.

Meer over