Na het 'gezeik en gezeur' wil nu iedereen voor zijn land spelen

Harrie Weerman..

Van onze verslaggever Mark Misérus

amsterdam Verwacht geen woede-uitbarsting van Harrie Weerman als hij zijn spelers de avond voor een belangrijke wedstrijd aan de toog ziet hangen. Pas als er één ‘laveloos op de hoek van de straat ligt’, zal hij zich op een eventuele ingreep beraden, zegt hij.

De Drent voelt zich eerder medespeler dan bondscoach van de nationale handbalselectie die morgen Litouwen ontvangt in Emmen in de EK-kwalificatiereeks voor 2010. Nog geen moment heeft hij of een ander staflid opgedragen hoe laat het licht op de kamers uit moest worden geknipt.

‘Ze corrigeren elkaar tegenwoordig. Zíj willen heel graag trainen, geen partijtje doen, maar leren om beter te worden. Zíj willen aan het eind van de middag een dvd kijken met beelden van de volgende tegenstander.’

De onderlinge correctie houdt de groep in balans en de sfeer goed, vindt Weerman, drie keer zo oud als sommige van zijn spelers. ‘Ze raken elkaar zelf, dat is de kracht’, is zijn redenering.

‘Eindverantwoordelijk zijn doet me niks’, zegt de man die in tal van functies in vooral het handbal (hij was een tijdlang directeur van voetbalclub Emmen) naam maakte. ‘De tijd dat ik per se in de krant wilde staan, is voorbij.’ Maar zijn gelijk over de weg die hij met de dolende ploeg van voorheen is ingeslagen, zou hij graag halen.

‘Alleen maar gezeik en gezeur’ trof hij naar eigen zeggen een jaar geleden aan, toen de assistent-hoofdcoach Pim Rietbroek afloste. Binnen een paar weken had Weerman opstandige internationals de mond gesnoerd en bleek iedereen ineens wel bereid zich beschikbaar te stellen voor de nationale ploeg en de belangen bij de clubs zo af en toe links te laten liggen.

Er is niets geheims aan die benadering, legt Weerman uit. Hij heeft gewoon de telefoon gepakt en iedereen op de man af gevraagd hoe diegene over zijn toekomst bij de nationale ploeg dacht. Zijn vaststelling nu: ‘Iedereen wil voor dit team uitkomen.’

De weg naar succes dat internationaal telt, is nog lang voor de ploeg die de eerste kwalificatie voor een EK of WK nog moet volbrengen. De coach toont zich vooralsnog geduldig en wijst op de ontwikkeling van zijn spelers, het afgelopen jaar.

Mark Bult en Fabian van Olphen beleefden in Duitsland hun doorbraak. Mark Schmetz, ‘nooit de grote schutter’, wijst zijn team nu de weg in de kwalificatiereeks waarin nog geen duel verloren ging. Bartek Konitz, ‘altijd net niet’ volgens Weerman, is op weg een bepalende speler te worden.

De beste internationals vormen eindelijk de nationale ploeg, maar de spoeling op de bank is te dun om internationaal op topniveau mee te kunnen doen, beseft Weerman. ‘Van een blessure van Bult of Van Olphen worden we nu nog zwakker. Dat mag in de toekomst niet meer zo zijn.’

Binnen anderhalf jaar moet elke positie bezet zijn door twee gelijkwaardige spelers. Over drie jaar wil Weerman voor elke positie drie ‘topkandidaten’ hebben. Hij wil de strijd kunnen aangaan met landen die over meer kwaliteit beschikken omdat de meeste spelers in de grote competities uitkomen.

De programma’s van de jeugdteams benaderen al die van de concurrentie, merkt hij op. Maar als Nederland in 2016 een topland wil zijn, zoals Weerman zich ten doel heeft gesteld, kan het team zich geen afhakende internationals en voortdurend mislukkende kwalificaties veroorloven. Bij de bond hamert hij voordurend op het belang van oefencampagnes in het buitenland. ‘Ik moet naar Zwitserland en Oostenrijk, naar al die gekke landen in Oost-Europa desnoods.’

Nu hij ‘alles in het buitenland heeft zitten’, ontwikkelen de spelers zich bij hun Duitse en Spaanse clubs in sommige gevallen tot gewaardeerde basisspelers. Anderen moeten het hebben van hun invalbeurten.

Maar, zegt Weerman, ook hun ontgaat de progressie van de ploeg niet. ‘We voelen dat we sterker worden. Elke keer weer als we bij elkaar komen, valt het op.’

In de vuurlinie zegt hij desnoods te gaan liggen als weer ‘een of andere makelaar’ een jeugdspeler uit Nederland wil weghalen. Als Weerman het voor het zeggen had, steekt niemand de grens over totdat diegene in Jong Oranje is uitgeleerd. Remco Hagen, die jong naar het opleidingsteam van Maagdenburg vertrok maar op de bank belandde in de Regional-liga, geldt als voorbeeld van hoe het niet moet, zegt hij.

Voor de rest mogen zijn spelers doen wat ze zelf willen, merkt Weerman nog maar eens op. Aan een ‘harnas’ om iedereen in te persen, heeft hij niets. Ook de coach is jong geweest. Hij weet wat er in hun hoofden omgaat. ‘Natuurlijk praten ze over stappen en meisjes. Maar ook over het handbal. Uit zichzelf.’

Meer over