ANALYSE

Moderne wielrenners als Mathieu van der Poel zijn professioneler dan ooit

De aanvallers Egan Bernal, Wout van Aert, Julian Alaphilippe en Mathieu van der Poel in de finale van de semi-klassieker Strade Bianche. Beeld BELGA
De aanvallers Egan Bernal, Wout van Aert, Julian Alaphilippe en Mathieu van der Poel in de finale van de semi-klassieker Strade Bianche.Beeld BELGA

Zaterdag staat het eerste van de vijf monumenten in de wielersport op het programma, Milaan-San Remo. Toch gingen kanonnen zoals Primoz Roglic, Mathieu van der Poel, Wout van Aert, Tadej Pogacar en Egan Bernal afgelopen weken al tot het gaatje in koersen die te boek staan als voorbereiding voor het echte werk. Hoe houden ze dat een heel seizoen vol? Zes verklaringen.

Minder koersdagen, meer training

Het blijft onder die krachtpatserij wat versluierd, maar de meeste renners maken minder koersdagen dan vroeger. Sinds 2014 legt de UCI een maximum van 85 dagen op. Lang niet iedereen haalt dat aantal. Een enkeling, zoals de Vlaamse kilometervreter Thomas De Gendt, wil nog wel eens verder gaan.

Volgens Louis Delahaije, voormalig trainer van Team Lotto Jumbo, het huidige Jumbo-Visma, zaten veel renners voordien honderd dagen en meer in het zadel. ‘Je reed zo’n beetje van klassieker naar klassieker, van ronde naar ronde.’ Hij meent dat het wielrennen van karakter is veranderd. ‘Het is van een wedstrijdsport meer een trainingssport geworden. Voor training wordt meer tijd ingeruimd.’ Vooral het aantal hoogtestages is toegenomen. ‘Sommigen gaan drie of vier keer per jaar de bergen in en niet zelden voor enkele weken. Als het effect in wedstrijden is weggeëbd, gaan ze weer terug.’ Rustperioden zijn ook gemeengoed geworden.

Delahaije gelooft niet dat renners als Van Aert, Van der Poel, Pogacar en Roglic hun krachtsexplosies van vorige week verderop in het seizoen moeten bekopen. ‘Vergeet niet dat in rittenkoersen als Parijs-Nice en de Tirreno-Adriatico ook dagen voorkomen waarin ze betrekkelijk rustig aan kunnen doen. Dan zijn het hun ploeggenoten die zich voor hen uitsloven.’

Volgens Delahaije zoeken de begeleiders voortdurend naar de ideale balans tussen trainen op volume en intensiteit; veel kilometers maken op een betrekkelijk lage hartslag afgewisseld door kortdurende prikkels waarin renners tot het uiterste gaan. ‘Voor polarized training is nu veel meer aandacht.’ Etappewedstrijd of training, het maakt niets eens zoveel verschil, de verhouding lange duur en intensief is ruwweg 80 - 20 procent. ‘Al ga je in wedstrijden toch net iets verder. Niemand rijdt zich in een training bijna bewusteloos.’

Wat zegt alleskunner Van der Poel, zaterdag een van de favorieten in Milaan-San Remo, er zelf over? Hij is een heel jaar goed in uiteenlopende disciplines: veldrijden, mountainbiken en op de weg. ‘Ik denk dat het prima mogelijk is de vorm vast te houden. Dat gaat automatisch, de laatste jaren. Ik kom met een goed gevoel uit het crossen in de winter en rol zo het wegseizoen in.’

Gedijen in aandacht

Er gaat meer geld om in de wielrennerij. Het gemiddelde budget van een ploeg in de World Tour, de hoogste divisie, is van 8 miljoen euro rond de eeuwwisseling gestegen naar 20 miljoen, vooral onder impuls van sponsors als Sky, tegenwoordig Ineos, en de oliestaatjes. De gullere geldschieters eisen wel meer zichtbaarheid, zegt sporteconoom en hoogleraar aan de KU Leuven, Wim Lagae.

Ze worden de laatste tijd behoorlijk op hun wenken bediend, stelt hij vast. ‘Wielrennen zat lang in het verdomhoekje, geplaagd door dopingschandalen en een saai en voorspelbaar koersverloop. Nu zie je jonge coureurs die zich niet in een keurslijf laten dringen en er gewoon invliegen. Het levert spektakel op. Wielrennen is ook nog eens de sport die het best corona heeft doorstaan. De zwakte van het verdienmodel is een sterkte gebleken: ploegen zijn vrijwel geheel afhankelijk van sponsoring en verdienen niets aan tv-rechten en ticketverkoop. Bewezen is dat het zonder publiek ook lukt.’

Intussen groeit het tv-aanbod. Dat betekent een grotere verleiding er in het oog van de camera maar eens vandoor te gaan. De Belgische en Nederlandse programma's met wielrennen, Sporza en NOS Studio Sport, krijgen meer concurrentie, vooral van Eurosport, dat zich afficheert als Home of Cycling en bijvoorbeeld de rechten op de Giro d’Italia bezit. De zender brengt liefst 200 dagen per jaar live wielrennen. Het aandeel is intussen substantieel.

Neem afgelopen zondag. De rechtstreeks door Eurosport uitgezonden etappe in de Tirreno-Adriatico waarin Van der Poel solo aan de finish kwam, trok in Nederland gemiddeld 204.000 kijkers. Ruim een half miljoen volgden zeker één minuut de wedstrijd. Vanuit België keken er 300.000.

De exposure wordt ook nog eens gevoed door het uitdijend aantal platformen dat het wielrennen volgt. Radio, tv en kranten hebben gezelschap gekregen van speciale websites, sociale media (ook door ploegen zelf onderhouden) en podcasts. Toen Van der Poel donderdag de media te woord stond over zijn verwachtingen voor Milaan-SanRemo, zag hij via Zoom veertig venstertjes met vragenstellers voor zijn neus.

Profijt van innovatie

De wielersport staat niet stil als het om materiaal en voeding gaat. Innovaties zijn erop gericht het een procentje beter te doen dan de concurrentie in de wetenschap dat de niveauverschillen tussen ploegen en renners kleiner zijn dan ooit. Lichtere fietsen met stijvere frames, slimmer eten en alles meten wat meetbaar is, kan het maximale uit iedere renner halen. Voor elke discipline kunnen ploegen iets uit het rek halen: klimmers krijgen een andere fiets mee dan sprinters, kasseienvreters zitten op speciale exemplaren en allemaal zitten ze af en toe op aparte tijdritfietsen.

Een uitgebalanceerd individueel menu, uitgestippeld door diëtisten en op de gram afgepast, scheelt volgens renners die erin geloven, onder wie Tom Dumoulin, ‘niet de laatste paar procent, maar tientallen procenten’. Voeding op maat levert lichtere renners op die niettemin langer een groter vermogen kunnen wegtrappen. Vermogen dat fanatiek gemeten en vergeleken wordt: renners weten welk wattage ze wegtrappen en hoe dat zich verhoudt tot de training van vorige week en de wedstrijd van vorig jaar.

Vernieuwingen aan fiets en kleding leiden ertoe dat minder renners hun seizoen de mist in zien gaan door een val. Schijfremmen maken vooral het dalen veiliger. Speciale vezels in shirts en broeken verminderen de gevolgen van een schuiver met 60 kilometer per uur over het asfalt, zodat renners niet nachtenlang wakker liggen door de pijn van schaafwonden.

Minder obstakels voor jong talent

Het hoge niveau van jongeren baart opzien. Oud-renner Bram Tankink, na 2000 18 jaar prof, denkt dat het in zijn tijd renners zoals Tourwinnaars Pogacar en Bernal veel meer moeite had gekost om door te breken. ‘De grote renners van toen boekten hun successen na jaren van opgebouwde kennis en ervaring – ‘learning by doing’. Ze hadden een enorme voorsprong op jonkies die nieuw bij een ploeg kwamen en hadden er ook geen baat bij om nieuwkomers eens even te vertellen hoe de wereld in elkaar stak. Ik weet zeker dat daardoor vroeger jong talent in de knop is gebroken.’

Het voordeel van in jaren opgebouwde kennis en ervaring is weggevallen, zegt Tankink. Nu wordt alles gemeten, is iedereen gelijk geïnformeerd en hoef je niet jarenlang te fietsen om te weten waar je grenzen liggen en hoe je beter kunt worden. Daardoor kent een ploeg nauwelijks nog hiërarchie en tellen vooral de meetresultaten.

‘En die zijn van een renner van 22, 23 top’, weet Tankink, ‘want op die leeftijd zit je fysiologisch beter in elkaar en is je hormoonhuishouding op je best.’ Dat besef dringt door in de training. ‘Vroeger wérd je prof en ging je dán pas echt trainen. De sport is nu zo geprofessionaliseerd dat je eigenlijk al een prof bent voordat je een prof wordt.’

Scherpere rolverdeling in ploegen

Professionalisering van wielerploegen leidt tot duidelijkheid over de rolverdeling. Er zijn renners die het fijn vinden nauwelijks zelf over de koers na te denken en er goed in zijn de opdrachten uit te voeren, die de ploegleiding in een lange tactische voorbespreking inpepert. In de tijd van Tankink was er geen tactisch plan. ‘Dat besloten we als renners zelf in de koers. Dan was de vraag: hoe goed ben jij vandaag? Nou, ik voel me wel goed. Oké, dan trek jij vandaag de sprint aan.’

Doordat alles vooraf wordt bekokstoofd, is de rol van de ploegleiding volgens Tankink vele malen groter geworden. Op basis van data-analyses uit trainingen en wedstrijden wordt de strategie bepaald, bijvoorbeeld als het op een sprint aankomt. ‘De ploegleider zet zijn renners neer: jij rijdt vijf kilometer van de meet op kop, jij vier, jij drie.’ Het resultaat zie je in de finale van een Touretappe. ‘Op 50 kilometer van de finish rijden al zes sprinttreinen achter elkaar!’

De afgelopen veertig jaar zijn de topploegen grofweg verdubbeld als het om het aantal renners gaat: van gemiddeld 15 naar 29 renners. Omdat het aantal ploegen in de hoogste divisie is gehalveerd, rijden er ongeveer evenveel profs op dat niveau rond: circa 550. Maar daaromheen cirkelen nu aanzienlijk meer werknemers. ‘We hadden één trainer en als je daar geen gebruik van wilde maken, dan niet', vertelt Tankink. ‘Nu heeft een ploeg zoals Jumbo-Visma minstens zeven trainers, die iedere renner bij wijze van spreken elke dag drie keer bellen.’

Gelukkig, zegt Tankink, is er een uitzondering op de gezeglijke wielrenner: Mathieu van der Poel. ‘Hij is het tegenovergestelde van al die renners die zich maar alles laten welgevallen en zich door de ploegleiding laten sturen. Die gaat gewoon demarreren, rijdt een heel peloton aan gort en denkt: lekker. Dat moeten we koesteren, anders wordt het allemaal heel saai.’

Onvermijdelijke vraagtekens

De huidige generatie wielrenners reageert schouderophalend als er vraagtekens bij hun prestaties worden gezet. De sport torst nog altijd de last van de dopingschandalen uit het verleden op de schouders. Dat snappen ze wel, zeggen ze.

Nu er zo hard wordt gereden, duiken in de reacties op wielerfora weer de twijfels op. Hoe kán dit? Pogacar reed bijvoorbeeld in de Tirreno op de Prati di Tivo, een niet al te steile klim van 14 kilometer, meer dan twee minuten sneller dan Chris Froome in 2013. Dan wordt weer verwezen naar de manager van Pogacars ploeg, UAE Emirates. Mauro Gianetti experimenteerde als renner met epo en was de baas van Ricardo Ricco, toen deze in de Tour van 2008 positief testte op cera. Zelf zei de Tourwinnaar er vorig jaar dit over: ‘Ik was altijd het braafste jongetje van de klas. Ik weet dat ik een schone lei heb.’

Sporttrainer Louis Delahaije acht misbruik in de lichting die zich nu zo in de kijker rijdt ‘zeer onwaarschijnlijk’. ‘Reken maar dat deze jongens scherp in de gaten worden gehouden. Hun bloedpaspoort geeft goed weer hoe het zit. Vroeger zag je dat betrapte renners vaak heel wisselvallig presteerden. Ineens stonden ze er. Deze jongens zijn vrijwel het hele seizoen goed. Ik zou niets weten waarmee je dat kunt klaarspelen. Vergeet niet: Van der Poel, Van Aert en Pogacar waren alle drie al bij de junioren uitzonderlijk goed. Nee, dit zijn renners die extreem getalenteerd zijn en zich zeer goed voorbereiden. Die weten wat ze doen.’

Meer over