Loorbach heeft maar één taak: presteren in Sydney

Jan Loorbach (50) is sinds gisteren chef de mission van de Nederlandse Olympische ploeg op weg naar de Spelen van 2000....

ALS voorzitter van de BestuursCommissie Topsport typeerde hij zijn voorganger, André Bolhuis, ooit als 'een vreselijk directe man. Echt een terriër op het middenveld.' Loorbach vond in het karakter van de chef de misson diens verleden als tophockeyer moeiteloos terug.

Over zijn huidige collega voor de Winterspelen, Ard Schenk, zei hij bij dezelfde gelegenheid: 'Een man die rustig zijn rondjes draait, maar wel op tempo. Hierdoor worden de anderen ook aangezet hard te lopen, want je wilt niet worden gelapt. Dat hebben we wel tegenover elkaar.'

De vraag met welke metafoor Jan Loorbach zijn eigen gespleten sportleven zou beschrijven ligt voor de hand, maar zijn bescheidenheid zal hem er ongetwijfeld van weerhouden zelf het antwoord te geven. Als basketballer heeft hij de doelen in zijn (sport-)leven altijd op hoogte gezocht en afgaande op zijn trefzekerheid kostte het hem weinig moeite met het succes te flirten.

Loorbach was een goede en sympathieke basketballer, die van 1970 tot 1980 in de eredivisie speelde. Hij droeg het shirt van Donar en Rotterdam-Zuid en werd 43 keer opgeroepen voor het Nederlands team. 'Ik geloofde als actief basketballer nog in de Olympische eed', zei hij ooit in retrospectief. 'We mochten niet voor onze sport leven en er zeker geen geld mee verdienen. Ik kan me herinneren dat ik, tijdens een toernooi in België, een radio op mijn hotelkamer aantrof. Dat beschouwde ik als hét privilege van de topsporter.'

Hij was als sportman gedreven en begaan met zijn sport en met zijn clubs. Dat hij vrijwel meteen nadat hij als speler was gestopt, toetrad tot het bobodom verbaasde niemand. Hij gold al jong als een man met een missie en zei daar gisteren het volgende over: 'Ik ben official geworden omdat ik heel veel aan de sport heb te danken. Als jongetje had ik moeite met mijn lengte (2.17 meter), maar door het basketbal is mijn zelfrespect gegroeid. Ik vond daarom ook dat ik de sport iets verschuldigd was.'

Acht jaar lang was hij voorzitter van de Topsport-Liga van de basketbalbond en daarna (1990) rolde hij als het ware vanzelf binnen bij NOCNSF, dat op dat moment volledig in de ban was van de fusiekoorts.

Hij maakte zijn opwachting, als voorzitter, in de BestuursCommissie Topsport (BCT) en werd daarnaast de eerste man voor de Individuele Begeleiding van topatleten. Twee zaken markeerden zijn entree op het hoogste bestuursplatform. Loorbach was de eerste official die zich in woord èn gebaar sterk maakte voor de komst van de atletencommissie. Hij deed dat vanuit de overtuiging dat beleidsvoornemens moeten worden getoetst bij de belanghebbenden.

Loorbach is, dit jaar voor het laatst, werkzaam als Deken van de Orde van Advocaten in Rotterdam. Minder dan de hem gisteren op Papendal omringende ex-volleybalcoaches Alberda en Sturkenboom hanteert hij het woordgebruik van de sporter; hij is de academicus die er niet voor terugschrikt de mannen in het veld wolliger toe te spreken dan ze gewend zijn.

Maar in hem tikt wel het hart van de oud-sporter die zich in de loop de jaren heeft ontpopt als een warm pleitbezorger voor een beter Nederlands sportklimaat. Het stelligst was hij, in 1991, in een interview waarin hij concludeerde 'dat topsporters in Nederland nog worden gezien als mensen die met deze ongevaarlijke gekte hun gang mogen gaan als ze daaraan maar geen appèl aan de gemeenschapsgelden ontlenen'.

De nieuw benoemde chef de mission bundelde zijn ideologie en strijdbaarheid om te vechten tegen hèt vooroordeel van de massa. De nuances verloor hij daarbij evenwel niet uit het oog. Natuurlijk wilde hij betere voorzieningen voor topsporters, maar tegelijkertijd vroeg hij zich af met welk recht topsporters zich, bij hun verzoek om faciliteiten, mogen verheffen boven mensen die menen voor hun geestelijke ontplooiing een voetreis naar Santiago de Compostela te moeten maken en daarvoor bij de bijstand aankloppen.

Het charmante van Loorbach is dat hij voor elk probleem wel een oplossing heeft. De sport zal haar noden het beste bestrijden, zo luidt zijn adagium, door klemmende regels buiten werking te stellen en de financiële middelen voortdurend te verruimen. Dankbaarheid is wel het laatste dat hij terugverwacht: het enige wat hij bij de sporters hoopt te ontmoeten is begrip. 'Het is niet mijn opdracht een kloon van Bolhuis te zijn. Ik hoef ook niet op een stoel te klimmen om de ploeg toe te spreken, ik heb wat dat aangaat een voorsprong. Maar ik denk dat ik wel een band kan krijgen met de sporter.'

De fascinatie voor prestatiesport draagt hij zijn hele leven al met zich mee. Als actief sporter verkondigde hij al 'geen man te zijn voor joggen of knikkeren.' En toen hem werd voorgehouden dat de mens in de almaar toenemende vrije tijd het recht op recreatie had, riposteerde hij met: 'Er zullen meer mensen zijn die in het bos gaan hollen, maar diezelfde mensen willen 's avonds op de televisie een wedstrijd zien van mensen die heel mooi en heel snel kunnen hollen.'

Vijf jaar geleden zei hij het in deze krant nog scherper: 'Topsport brengt het beste in de mens boven. Het meest van alles spreekt mij de topsporter aan die groot is geworden door zichzelf en niet door de faciliteiten. Die niet afhankelijk is van hetgeen binnen de structuur van de bond voor ze is geregeld.'

Wie zolang in het spectrum van de topsport heeft gebivakkeerd laat zich in een wereld die is vergeven van haat, nijd en een soms zieke prestatiedrang niet gemakkelijk op het verkeerde been zetten. De nieuwe chef de misson weet dat de weg naar succes lang en zwaar is. 'Voor iemand die 50 jaar is, komt deze klus het dichtst in de buurt van een echte basketbalwedstrijd.

'Als een plantje bloeit dan bloeit het omdat het voortdurend water heeft gehad', zei hij deze zomer om aan te geven dat de Nederlandse topsport zich geen moment van verslapping kan permitteren.

Het plantje van de topsport heeft elke dag weer water nodig. En of zijn missie pas geslaagd is als er straks in Sydney dertig medailles worden gehaald, zoals zijn voorganger André Bolhuis in een bui van hoogmoed voorspelde: 'Dat kan ik nooit als een serieuze opdracht beschouwen.'

Meer over