Koude oorlog herleeft op Olympische Spelen, de strijd woedt nu tussen VS en China

Op het nippertje passeerde Amerika zijn grootste concurrent, China, in het medailleklassement. Op het olympische toneel lijkt zich een nieuwe rivaliteit te voltrekken, die doet denken aan de Koude Oorlog.

De medaillewinnaars op de balk: Guan Chenchen (goud) en Tang Xijing (zilver) uit China en de Amerikaanse Simone Biles (brons). Beeld Reuters
De medaillewinnaars op de balk: Guan Chenchen (goud) en Tang Xijing (zilver) uit China en de Amerikaanse Simone Biles (brons).Beeld Reuters

De Amerikanen eindigden in Japan voor de zevende Zomerspelen op rij boven aan de medaillespiegel, althans, volgens de Amerikanen. Ook de Spelen van Beijing, waar de Chinezen twaalf gouden plakken meer verzamelden, worden meegerekend.

In de Amerikaanse media (en bij het nationaal olympisch comité) krijgt het totaal aantal medailles voorrang in de telling, waar de rest van de wereld, het IOC incluis, gouden plakken zwaarder weegt.

De rekenwijze werkt logischerwijs in het voordeel van de Verenigde Staten, die een recordaantal van 613 sporters naar Tokio stuurden. Ook China kwam met 413 atleten met de grootste olympische equipe in de geschiedenis van het land naar de Spelen en leek lange tijd op een triomf af te stevenen.

De verschillen zijn talrijk, maar ook de overeenkomsten met de sportieve wedloop ten tijden van de Koude Oorlog zijn daar. Ook in de jaren zestig tot negentig verplaatste een geopolitieke strijd zich naar het olympische toneel, toen met de Sovjet-Unie als grote rivaal van de Verenigde Staten.

Van 1956 tot 1988 moesten de Amerikanen het afleggen in het medailleklassement tegen een land waar sporters met een door de staat gesponsord programma van de lopende band rolden. Ook China bedient zich nu van een soortgelijke methode, waarbij het zich met name richt op sporten waar veel medailles zijn te verdienen, of die in andere grote landen minder aandacht krijgen. Gewichtheffen, bijvoorbeeld.

De sportieve rivaliteit met China is vooralsnog vooral een statistische, de landen ontlopen elkaar op de meeste onderdelen. De Chinezen moeten het hebben van badminton, schieten en schoonspringen, waar de Amerikanen excelleren op de atletiekbaan, het basketbalveld en in het zwembad.

Van een directe confrontatie kwam het op de evenwichtsbalk bij het turnen, waar Simone Biles twee Chinese concurrenten voor zich moest dulden. De knuffels na afloop, de uitingen van wederzijdse bewondering, deden in niets denken aan een bittere rivaliteit.

Het is wachten op een Miracle on Ice, de ijshockeywedstrijd op de Winterspelen van Lake Placid in 1980 waaraan de Amerikanen warme herinneringen bewaren. Een team Amerikaanse studenten van gemiddeld 22 jaar oud versloeg de machtige Sovjet-Unie (4-3), dat daarvoor vier olympische toernooien op rij had gewonnen.

In hetzelfde jaar boycotten de Amerikanen de Zomerspelen van Moskou op aandringen van president Jimmy Carter en als vergelding voor het binnenvallen van Afghanistan. Vier jaar later waren de rollen omgedraaid en sloegen de Sovjets de Spelen van Los Angeles over.

In de Amerikaanse politiek klinkt ook nu de roep om een boycot van de Winterspelen van Beijing van volgend jaar, wegens de behandeling van Oeigoeren en andere etnische minderheden. Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken bestempelt die als genocide.

Het was in Los Angeles, in 1984, waar China zijn eerste gouden olympische medaille won. In Seoul, bij de volgende Zomerspelen, waren het er vijf en sindsdien klommen de Chinezen in het medailleklassement. Het omstreden staatsprogramma waarmee jonge kinderen tot topatleten worden gesmeed, betaalde zich in Tokio opnieuw uit.

De Verenigde Staten maakten het in Japan spannend door het te laten afweten op de atletiekbaan, waar vooral de mannelijke sprinters teleurstelden. Het vrouwenvoetbalteam kon de hoge verwachtingen niet waarmaken en op nieuwe onderdelen als surfen en skateboarden deden de Amerikanen het minder goed dan verwacht. Bovendien liet Biles de meeste van haar individuele optredens schieten wegens mentale problemen.

In een betoog in The Washington Post viel vorige week te lezen dat Amerika, toen nog in de achtervolging op China, zich wellicht alsnog het superieure land mocht wanen. Dat mochten de Amerikanen omdat zij hun sporters, zoals Biles, de ruimte bieden (mentale) gezondheid voorrang te geven, waar de Chinezen hun talenten van jongs af aan het podium op dwingen.

De spannende medaillerace met China, die verloren leek te gaan, leidde bij het olympisch comité van de Verenigde Staten tot een opvallende, bijna on-Amerikaanse gedachte: winnen is niet zaligmakend.

Voor de eindsprint van afgelopen weekend dekten de Amerikaanse sportbestuurders zich alvast in. Gezien de omstandigheden, het uitstel van de Spelen en de coronamaatregelen in Japan, toonde Rick Adams, de Amerikaanse chef de mission, zich buitengewoon tevreden over het toernooi. ‘Ik ben ontzettend trots op dit team.’

Zijn collega Sarah Hirshland, ceo van het olympisch comité, had de verwachtingen vooraf getemperd. ‘Zijn we hier gekomen om veel medailles te winnen? Reken maar van wel, maar in Tokio kan ook het verbeteren van een persoonlijk record als een succes worden gezien.’

Meer over