Kleurrijke praatjesmaker met interessante visie

Hij was een visionair met praatjes, ijdel en immer aanwezig...

Dé (Dingeman) Stoop, maandag overleden op 87-jarige leeftijd, was betrokken bij de invoering van betaald voetbal, zette zich in voor de introductie van shirtsponsoring, waakte voor te hoge uitgaven in het voetbal en was, net als Scheringa tegenwoordig, voorzitter en geldschieter tegelijk.

De Amsterdammer Stoop werd miljonair nadat hij een bijna failliete liftfabriek voor een prikkie kocht en ombouwde tot een bedrijf met een jaaromzet van 60 miljoen euro.

Stoop steunde de plaatselijke volleybalclub Blokkeer, waar hij voorloper was met shirtreclame, en hij was later voorzitter van FC Amsterdam, de fusieclub van Blauw-Wit, de Volewijckers en DWS. Hij was ook lid van het sectiebestuur betaald voetbal.

In een gesprek met de Volkskrant zei hij in 1981: ‘Als je dus praat over gezonder betaald voetbal, zeg ik: noem het kind bij zijn naam. Zeg dan: de spelers- en trainerssalarissen moeten omlaag.’

Hij pleitte daarbij voor redelijkheid, want een te stringente korting op de lonen zou tot een uittocht van talent leiden.

De bond was armlastig in de tijd dat Stoop in het sectiebestuur zat. Hij was voorstander van overheidssteun. ‘Het operagezelschap Forum krijgt per jaar vijf keer zo veel als het betaald voetbal. En daar vind je dan eens in de vier jaar een klein stukje van in de krant.’

Hij was niet onverdeeld gelukkig bij de clubs waarvan hij voorzitter was: FC Amsterdam dus en, later, FC Den Haag, dat werd geteisterd door vandalisme van fans.

FC Amsterdam haalde zelfs de vierde ronde van de UEFA Cup in 1975, maar kwijnde weg doordat het Olympisch Stadion bijna leeg bleef. Stoop ging nog tot 1982 door. ‘Je werkt toevallig wel met een circus. Dan moet je een aantal nummers hebben. Je kunt niet alleen werken met een trapeze- en een leeuwennummer.’

De club was al verdwenen toen Stoop nog dertien dagen in de cel verbleef, verdacht als hij was van een zwartgeldaffaire en valsheid in geschrifte. Tot een veroordeling kwam het niet.

Sport was in de ogen van Dé Stoop puur amusement en verdiende het te worden bewaakt door een minister.

‘We zijn zo ver als volk dat we in de wereld niks meer presteren. We zouden er evengoed niet kunnen zijn, zeg ik altijd. Maar waar we nog wel iets mee kunnen betekenen in de wereld is onze sport.’

Meer over