Judo als metafoor voor het leven

In 2004 won Deborah Gravenstijn brons bij de Olympische Spelen van Athene. Twee maanden later overleed haar zus plotseling. In 2005 werd de judoka zelf geveld door een nekhernia....

Marije Randewijk

Het was op de avond voor de operatie die haar van een nekhernia af moest helpen. In het ziekenhuis was het bezoek al weg toen in het scherm van de telefoon van Deborah Gravenstijn een bericht verscheen. ‘Nog 999 dagen tot Peking, weet wat je moet doen’, afzender: Charles van Commenée, technisch directeur van NOC*NSF.

De boodschap was goedbedoeld, maar schoot de ontvanger – die toch al niet lekker in haar vel zat – in het verkeerde keelgat. Gravenstijn tikte boos het nummer van de afzender in en vroeg Van Commenée bars wat hij in hemelsnaam dacht dat ze in het ziekenhuis aan het doen was?

Anderhalf jaar later is de woede gezakt en is ze de beste maatjes met de technisch directeur. Als Gravenstijn over Peking praat, spreekt ze ook weer met haar ogen. De Olympische Spelen zijn opnieuw een doel geworden en dat op zich mag al een wonder heten voor de 33-jarige judoka.

Tussen neus en lippen door zegt ze zelfs aan goud te denken. Natuurlijk is ze nog ambitieus en doen de resultaten er nog toe. Het is het winnen waarnaar ze het meest terugverlangt. ‘Maar de vraag is of ik ooit weer zo kan juichen als vroeger. Soms put ik er moed uit oude foto’s van mezelf te zien. Op andere dagen draai ik die lijstjes aan de muur liever om. Dat was toen en dit is nu. Mijn man hangt ze dan weer goed, hij vindt dat ik trots moet zijn op wat ik heb gepresteerd.

‘Maar ik vraag me af: mag dat wel, dat juichen, er helemaal open voor staan? Vroeger ging dat spontaan, zonder na te denken, nu moet ik ervoor werken. Ik ben gesloten geworden, dat is niet goed voor mij, zo was mijn karakter niet. Ik moet mezelf daarin terugvinden.’

De Rotterdamse moet van ver komen. Eigenlijk was ze al afgeschreven voor topsport. In Hamburg belandde ze in maart 2005 bij een toernooi op haar nek. Met hoofdpijn, tintelingen in de arm en duizelingen deed Gravenstijn in mei nog mee aan de EK in haar eigen Rotterdam.

Het bleek vruchteloos en bovenal levensgevaarlijk. ‘De sportarts zei: je moet per direct van de mat af en judo is een gedane zaak. Ik ben die dag heel kalm naar huis gegaan en dacht: dat zullen we nog wel zien, daar moet ik eerst eens over nadenken.’

In oktober 2005 werd ze geopereerd. Twee weken later kwam haar krachttrainer Hans Kroon haar al halen voor een eerste wandeling van tien minuten. ‘Ik moest twee maanden een korset dragen, kon alleen maar voor me uit kijken, ik mocht niets en ik kon niets. De muren kwamen op me af. Met mij ging het helemaal niet goed.’

Eigenlijk moest ze na de operatie van de neurologen een jaar absolute rust houden. Voor Gravenstijn ging het niet op. Na twee maanden was ze vier dagen in de week in het zwembad te vinden. ‘En dan te weten dat ik een hekel heb aan zwemmen.’

Tussendoor liet de judoka zich ook aan haar linkerknie opereren. Ze had uitgerekend dat ze zo van beide kwetsuren tegelijkertijd hersteld zou zijn. Voor haar gevoel had ze geen tijd te verliezen. ‘Het was te veel. Maar ik heb nooit gedacht: en nu gooi ik de handdoek in de ring. Mijn drijfveer was niet alleen fit te worden voor het judo, maar ook fit te worden om normaal te kunnen functioneren.’

De gedachten aan haar sport kwamen pas later, toen het stapje voor stapje beter ging en ze had besloten voorlopig geen punt achter haar carrière te zetten. Haar coach Jan de Rooij zei te begrijpen als ze zou stoppen. Maar dat was geen optie.

Niet omdat ze zich zonodig nog iets wil bewijzen, maar omdat judo haar veilige haven is. ‘Het is voor mij een goede periode geweest om te reflecteren: waar sta ik, wat doe ik, wat wil ik en wat betekent judo voor mij? Elke keer kwam ik tot de conclusie dat het iets is dat bij mij hoort, dat bij me past.

‘Het is een oersport: twee mensen staan tegenover elkaar en moeten het samen uitvechten. Het is vechten tegen iets dat je kent, maar waarvan je niet weet hoe het eindigt. Het is een metafoor voor mijn hele leven.

De sport is – hoe tegenstrijdig dat misschien ook klinkt – een manier om rust in haar leven te creëren. Gravenstijn is zoekende naar een normaal levensritme en grijpt daarbij terug op alles wat haar in het verleden geborgenheid bood.

‘De grond is onder mijn voeten weggeslagen. Eigenlijk ben ik al sinds Athene op drijfzand aan het lopen. De ene keer zak ik er in weg, de andere keer kom ik toch weer boven. Ik moet eerst vaste grond onder mijn voeten krijgen, wil ik belangrijke beslissingen kunnen nemen. Het judo helpt mij daar nu bij. Ik moet op dit pad blijven, me zeker voelen en dan zélf kunnen beslissen: nu is het klaar. Of: ik moet juist door.’

Het was de boodschap die haar moeder haar meegaf op haar ziekbed. ‘Toen ik haar vroeg of ik moest stoppen of doorgaan, antwoordde ze: je weet het eigenlijk zelf wel. In het begin was ik daar boos over. Ik wilde dat ze iets concreets zou zeggen. Nu ben ik blij. Ik heb het zelf uitgevogeld. Veel mensen zullen beweren dat ik alleen maar doorga voor mijn moeder. Dat is niet zo, ik doe dit voor mezelf. Maar ik vond wel dat als ik zou stoppen, ik net als zij de strijd had verloren.’

De dood van haar moeder – ze overleed in januari aan borstkanker – heeft een grote leegte achtergelaten in Gravenstijns leven. Ook het verdriet over de dood van haar zusje Merghery, in oktober 2004, slijt moeilijk. Twee maanden nadat de judoka brons had veroverd bij de Spelen in Athene, stierf haar zus plotseling aan een bacteriële infectie. ’s Ochtends werd ze ziek, ’s middags was ze dood.

Iedereen stond machteloos. Er kwam niet eens een gevecht aan te pas, terwijl dat juist de kracht van de familie is. Gravenstijn: ‘Altijd maar strijden, altijd willen doorzetten: zo zijn wij grootgebracht.’

Het dubbele verlies heeft diepe wonden geslagen in haar ziel. De familieband was hecht, vooral na de scheiding van haar ouders. Overal ter wereld zaten haar moeder, zus en broer op de tribune. ‘Ik stond in de schijnwerpers, maar ik nam ze overal mee naartoe. We hadden elkaar nodig. Ik hoefde ook niet belangrijk te zijn, ik vond dat anderen dat moesten zijn.

‘Ik heb me altijd over iedereen ontfermd. Vroeger was ik klein en tenger. Maar ik daagde de grootste jongen van de klas uit, want ik kon toch harder rennen. Ik heb weinig angsten gekend. Er werd veel van mij verwacht, ik kon dat ook aan. Ik was gewoon snel volwassen. Ik heb de puberteit niet gemist, maar wel overgeslagen.’

Gravenstijn was de spil in het gezin. Andersom was zus Merghery het klankbord van de judoka en haar moeder het grote voorbeeld. Ze koesterden de rituelen. De een vlocht haar haren, de ander hielp bij het inpakken van de wedstrijdtas. ‘Mijn moeder had ook altijd de gewoonte om als ik al in bed lag, nog even te bellen of een bericht te sturen om me succes te wensen.’

In Praag, waar ze drie weken geleden haar rentree maakte, bleef het stil. Gravenstijn was erop voorbereid. ‘In de voorbereiding moest ik de training soms afbreken omdat ik er met mijn gedachten niet bij was. Maar dat slijt. Ik ben er bewust mee bezig geweest afstand te nemen, uit een soort zelfbescherming, om voorbereid de volgende stap te kunnen zetten.’

In de Tsjechische hoofdstad verloor ze in de eerste ronde van een Belgische. Onnodig, maar het doel was bereikt. ‘Dat was het enige dat door mijn hoofd spookte. Het doel was er te staan, te groeten en vijf minuten te judoën. Dat had ik gehaald, dus kon ik met opgeheven hoofd de mat af.

‘Ik kan niet falen bij mijn comeback. Dat ik er weer bij ben, is de grootste overwinning. Ik ben de goede weg ingeslagen en ervan overtuigd dat ik weer aanhaak bij het niveau. Bij de EK over drie weken in Belgrado zal ik misschien nog geen potten breken, maar bij de WK in september kan ik er weer alles uithalen wat erin zit.’

Ze waarschuwt er wel voor dat ze niet meer dezelfde judoka is als vroeger. Ze wil niet langer stilstaan bij wat ze had. De twee medailles die ze bij de wereldkampioenschappen won, gaf ze mee in het graf van haar zusje. Het olympische brons dat ze in Athene bemachtigde, twee maanden voor haar dood, wilde ze eigenlijk ook schenken.

Haar moeder en haar man Ron van der Veken weerhielden haar daarvan. Die medaille was van de judoka zelf. ‘Ze zeiden dat ik die moest koesteren en misschien hebben ze gelijk. Die medaille heeft ook waarde voor de mensen om me heen.’

Hij ligt nu thuis in een la. ‘Als ik hem niet wil zien, hoeven andere mensen hem ook niet te zien.’

De eerste beker die ze als 13-jarige bij de NK kreeg, werd bij haar moeder begraven. Jarenlang pronkte die in haar woonkamer. ‘Bij het afscheid zei ik: neem hem dan maar mee ook, hij is van jou.’

Het waren prijzen die ze niet alleen voor zichzelf won, maar ook voor haar dierbaren. ‘Tot nu heb ik altijd alles bereikt samen met anderen. Ik ben op het punt aanbeland dat ik de medailles voor mezelf moet gaan winnen.’

Het maakt dat ze er harder voor moet werken. ‘Dat ik nu dieper moet gaan, is omdat mijn leven getekend is, zowel fysiek als mentaal. Je moet ergens de motivatie uithalen. Ik heb alles al gedaan, alles al meegemaakt. Dan kun je het alleen nog maar uit jezelf halen. Voorheen kon ik putten uit een ander, nu moet ik putten uit mezelf. Het voelt alsof je naakt bent. Ik kan me niet meer verstoppen, er is geen weg meer terug.’

De judoka weet niet wat mooier is. ‘Dat moet je me nog maar eens vragen als ik gestopt ben.’

Ze zegt dat ze alleen op de tatami zichzelf is. Daar is ze gelukkig, daar is het veilig en bekend. Erbuiten is ze de kameleon, die zich moet aanpassen aan het ritme van anderen.

Ze heeft het de afgelopen maanden tijdens de ziekte van haar moeder veel gedaan. ‘Dat zie je in mijn judo terug. Ik onderga het, terwijl mijn kracht was dat ik bepaalde hoe het spelletje verliep. Dat is wat ik mis in het judo. Het is niet meer zo vanzelfsprekend als vroeger.

‘Ik weet ook niet hoe lang het zal duren voordat ik dat terugheb. Misschien vind ik het nooit terug. Soms ben ik op zoek naar mijn oude leven, dan koester ik de mooie momenten. Maar om ergens sterker uit te komen, om een hoger niveau te kunnen halen, moet je niet te veel terugkijken.’

‘Daarom heb ik ook weinig of niets over mezelf opgeschreven. Ik heb twintig dagboeken waar ik in ben begonnen maar die ik nooit heb afgemaakt. Ik heb het niet nodig, bij mij zit alles in mijn hoofd.’

Daardoor weet de eerste luitenant van de Koninklijke Luchtmacht dat ze nog nooit zo hard heeft gewerkt als nu. Het valt haar tegen. ‘Ik ben niet vies van hard werken, maar ik heb altijd talent gehad. Toen ik wereldkampioene bij de junioren werd, zei mijn trainer: als jij vanaf nu 20 procent harder gaat werken, haal je alle titels binnen die er bestaan. Maar ik hoefde niet hard te werken, want ik had talent. Ik deed er veel voor, maar hield altijd reserves.

‘Nu teer ik daar op. Ik ben blij dat ik ze heb. Dat gevoel, dat ik er toch nog niet alles heb uitgehaald al die jaren, sterkt me nu om te zeggen: het is tijd om mijn reserves aan te spreken.’

Meer over