In het Olympisch Netwerk een wereld van verschillen

Twaalf Olympische steunpunten telt Nederland. Samen vormen ze het Olympisch Netwerk. In 1992 werd het eerste filiaal geopend in Rotterdam....

NIETS LIJKT ZO divers in de Nederlandse topsport als de Olympische steunpunten. Dat heeft te maken met de vrijheid die de stichtingsbesturen hebben gehad om hun eigen steunpunten in te richten. Het NOCNSF wilde voorkomen dat er 'twaalf kleine NOC'tjes' in het land zouden worden gevestigd.

Slechts over de spreiding had de sportkoepel zeggenschap. De steunpunten zijn derhalve, geografisch hoogst verantwoord, over het hele land verspreid. Van de twaalf regionale loketten zijn Rotterdam en Amsterdam de toporganisaties.

Daaronder volgt een zogenaamde subtop van vier regio's: Midden-Nederland (Utrecht), Twente (Enschede), Gelderland (Arnhem) en Den Haag. De basis wordt gevormd door het sextet Noord-Nederland (Groningen), Limburg (Sittard/Maastricht), Brabant (Eindhoven), Haarlem/Kennemerland, Zwolle/Flevoland (Lelystad) en Zeeland/Schelde (Goes).

De uniformiteit is ook te vinden in de bestuursvorm. Elf vestigingen hebben gekozen voor de stichtingsvorm. Olympisch Steunpunt Haarlem/Kennemerland heeft als enige de verenigingsvorm met bijdragende leden. Binnenkort wordt ook dit omgedoopt tot een stichting met een naam waarin de aanduiding Holland Noord zal voorkomen.

De doelstellingen, taakuitvoering, het personeelsbestand en de financiële mogelijkheden tonen per regionaal netwerk geweldige verschillen. In Amsterdam (budget 450 duizend gulden) beantwoorden manager Charles Urbanus en zijn mannen aan wat een steunpunt werkelijk zou moeten zijn. 'Als topsporter zit je hartstikke goed in Amsterdam', beweert Urbanus.

De oud-honkballer kan in de hoofdstad zelfs aan individuele financiële ondersteuning doen. Daarvoor is 110 duizend gulden beschikbaar. Bovendien doet zijn club het werk dat tot voor kort louter aan de vijf consulenten van de afdeling Individuele Begeleiding was voorbehouden. Topsporters uit de B-categorie (nationale top) worden in loopbaan, studie en sportcarrière begeleid. Alle steunpunten, de voelsprieten van NOCNSF in de regio, worden daarvoor binnenkort ingezet.

Urbanus: 'We richten ons op clubs, een laag die door NOCNSF en de bonden wordt overgeslagen. En verder willen we vooral een netwerk zijn. Iedere instantie, arts, fysiotherapeut, SMA, school, universiteit, bedrijf of sponsor die ons keurmerk draagt is vooraf gekeurd en werkt mee. Als een sporter zich aan ons loket meldt met een ernstige blessure en vraagt om een snelle verwijzing naar een specialist dan komt die er.'

Alle steunpunten beschikken over dergelijke instanties die zich behoren uit te sloven voor topsporters met een A, B of C-status. Talenten heten soms 'E-tjes' en overtreffen de toppers in aantal. De aantallen toppers (A staat voor internationale top) verschillen per regio sterk. In Zeeland, in '95 als laatste tot het netwerk toegetreden, hebben ze zeven A en B's. In Limburg vijf A-mensen.

'Wij zijn in de hiërarchie derde van Nederland', zegt Jeroen Kroeze in Gelderland met trots. 'We hebben er honderdtwintig in A en B.' In Noord-Nederland klaagt Rob Extercatte: 'Er zijn in Groningen, Friesland en Drente twintig A-topsporters. Dat is procentueel de helft minder dan in de rest van Nederland.' In Twente worden vijftig B-sporters geteld, Midden-Nederland heeft er 'honderden' en in Brabant dertig plus tachtig.

Vanuit Den Haag zegt manager Rob Blokpoel 'duizend topsporters' in zijn bestand te hebben. Hij heeft met vier clubs uit de regio, AZC, De Zijll/LGB, BVZ en DSZ, een zwemplatform met vijfhonderd topsporters.

In Amsterdam zegt Urbanus: 'Er zijn verschillen tussen mensen voor wie je echt iets doet, die je in portefeuille hebt òf die in je databank staan. Dan gaan wij opnieuw tellen. We hebben dertien topsportverenigingen in ons bestand. Dan tellen we van die selecties er honderden bij. En dan heb ik het nog niet over leerlingen van topsportklassen.'

'Als je weinig topsporters hebt, en je wilt je toch profileren, dan ga je je richten op de talentopvang', zegt Extercatte in Groningen. In Noord-Nederland zijn vier talentencentra ontwikkeld. In Groningen is een tenniscentrum voor alle noordelijke toppers van zestien tot negentien jaar. In Assen wordt dat gedaan met volleybal- en atletiektalenten en in Heerenveen, bij de turnvereniging WIK-FTC, met de beloften. De onbaatzuchtige Gasunie betaalt.

Beloften uit de eigen provincie, verzameld in een topsportteam, geven een steunpunt het uithangbord dat nodig is om bekendheid te krijgen en fondsen te werven. De kleintjes Zeeland en Limburg willen het. Soms wordt het steunpunt gevraagd zo'n team samen te stellen. Richard Kreijne, van Flevoland: 'In Dronten wilden notabelen een groep talenten uit eigen dorp ondersteunen. Wij hebben de namen aangedragen.'

Bijna iedere jonge topsporter, zo merken ze bij de steunpunten, wenst een zak met geld. Peter van der Aart in Haarlem: 'Of we even willen storten, wordt dan gevraagd. Maar we ondersteunen het liefst projecten. Wij doen er vijf, schaatsen, turnen, baanwielrennen, judo en basketbal. Verder willen we vooral een facilitair netwerk zijn.'

Geld is er sowieso nodig om alle facility managers te kunnen betalen. De marathonloper Marti ten Kate, Twente: 'Ik werk hier halve dagen, met een full-time kantoorkracht. Maar ik heb nog steeds een terugkeergarantie bij Hollandse Signaal. Ik kom uit het oosten, wij houden van een beetje zekerheid.'

Het personeelbestand van de steunpunten, exclusief 'bedrijf' Rotterdam, is niet spectaculair: Den Haag één fulltimer, Groningen 48 uur plus een administratieve kracht, Eindhoven zestien uur, Limburg twintig uur, Amsterdam 2,5 formatieplaats, Twente 1,5 (1 banenpooler), Haarlem vierentwintig uur, Arnhem veertig uur (plus aanvraag Melkert-baan), Flevoland veertig uur plus administratieve ondersteuning, Zeeland vier uur en Midden-Nederland veertig uur plus een interim-manager.

Hendrick Femer, in Limburg actief op contractbasis: 'In die 20 uur red je het niet. De rest doe je uit idealisme.' Verpringer Frans Maas in Zeeland: 'In het begin heb ik 40 tot 65 uur per week gewerkt, veelal op vrijwillige basis.' Jacqueline Toxopeus, Brabant: 'Onze eerste zorg is dat we te weinig tijd hebben. Ik doe veel in mijn vrije tijd, maar we moeten uitbreiden.'

NOCNSF geeft bescheiden bijdragen aan de regionale steunpunten. Dat is doelbewust gedaan. Ten Kate: 'We moesten onszelf bedruipen. Ik verdien dertig mille door loopclinics te geven. Als ze twee ton van NOCNSF overmaken, krijg je managers die achterover in hun luie stoel gaan zitten.' Menno Schermer, vertrokken bij het financieel getroffen steunpunt Midden-Nederland: 'Misschien hadden de grote bedrijven dit moeten adopteren.'

De grootste steun komt nu vooral van steden of provincies. In Den Haag staat Blokpoel bij Sportstad Den Haag op de loonlijst. In Lelystad zit Kreijne in één pand met de provinciale sportraad. Hij zegt de oplossing te weten: 'Breedtesport en topsport in één pand en één hand.'

John Volkers

Dit is de twaalfde aflevering van een serie verhalen over Olympische topsportprojecten in Nederland.

Meer over