'Ik heb niet heel lange vingers, maar wel grote handpalmen'

Olympisch en Europees kampioen 10 kilometer open water is Ferry Weertman al. Vandaag op de WK in Hongarije wil hij zijn trilogie voltooien.

Ferry Weertman: `Ik heb niet heel lange vingers, maar wel grote handpalmen.' Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant
Ferry Weertman: `Ik heb niet heel lange vingers, maar wel grote handpalmen.'Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Het ideale zwemlichaam? Zou het bestaan? Ferry Weertman, de olympisch kampioen open water op de 10 kilometer, lijkt erover te beschikken. Hij is 1.88 meter lang en zijn spanwijdte, 2 meter en 1 centimeter, geldt als uitzonderlijk. Zo'n plus in de lengte van de armen is meer dan dienstig voor het verplaatsen van water.

Het grote voorbeeld op dat gebied kent Weertman niet. Het was de Duitser Michael Gross, goed voor driemaal olympisch goud (in 1984 en '88). Hij was 2.02 lang en van vingertop tot vingertop mat hij 227 centimeters. De Albatros, zijn merknaam, moest op de vlinderslag serieus navigeren. Anders raakte hij de lijnen die per baan op 2.50 meter van elkaar liggen.

Weertman, bij de WK ook uitkomend in het binnenbad op de 4 x 200 meter en de 800 meter vrije slag, zegt op zijn bekende bedaarde toon tevreden te zijn over de verhouding armen en lichaam. 'Het is extra oppervlakte, waarmee je water kunt wegduwen. Dat helpt zeker.'

Er zijn ook nadelen van grote, gespierde, om niet te zeggen dikke armen. 'Spieren kosten extra energie. Het is het extra gewicht dat je over het water moet halen. Brede onderarmen, dat zou dan weer wel helpen. En brede polsen. Zelf heb ik geen brede polsen.'

Ferry Weertman. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant
Ferry Weertman.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

De handen functioneren ongeveer als de schoepen in de schepradbeweging van het zwemmen. Weertman: 'Ik heb niet heel lange vingers, maar wel grote handpalmen. Dat werkt goed voor mij. Ik steek het water in met open vingers, dat is een ontspanningsmomentje. Ik spreid dan de vingers. Maar als ik doorhaal, dan zijn ze redelijk dicht bij elkaar. De vingers moeten onder water niet strak op elkaar, maar een klein beetje op elkaar. Dan heb je meer grip op het water, zeggen ze. Ja, en een kuiltje in de handpalm. Dat helpt ook.'

Weertmans coach, Marcel Wouda, valt zijn pupil bij. 'Grote handen, dat helpt absoluut. Alle zwemmers die een peddel aan de hand doen, zwemmen harder. Hoe groter je handen, hoe meer stuwoppervlakte. Snelheid in het water is nu eenmaal een gevolg van de hoeveelheid weerstand die je hebt in het water en de hoeveelheid kracht die je kunt opwekken. Zwemmen is een mechanisch spel. Het is natuurkunde.'

De laatste hulp komt van de voeten. Wouda, tweevoudig wereldrecordhouder op de wisselslag, heeft maat 46,5. Ian Thorpe, de Australische zwemlegende, dreef zichzelf aan met schoenmaat 53. Wouda: 'Ja, een uitgesproken voordeel.'

Weertman heeft maat 45. 'Niks bijzonders. Ik zwem met een aandrijfkick. Met meer kick kom je hoger op het water te liggen en heb je dus minder weerstand. Het helpt niet super qua snelheid. De verhouding tussen het effect van beenslag en armslag is 20 om 80 procent. Ik ben een armenzwemmer. Ik heb goeie armen.'

Coach Wouda houdt het erop dat er meer is dan het voordelige, superieure lichaam van de freaks of nature. Zoals Michael Phelps er een was. Diens platte borstkas, een soort surfboard, was van groot nut. De Amerikaan, goed voor 23 maal olympisch goud, planeerde als het ware op het water.

Wouda houdt vast aan watergevoel, de aanleg om water te grijpen, om op water te liggen. 'Als ik een jonge zwemmer het zwembad in zie komen, denk ik weleens: dat is er een. Maar vooral als je hem in het water hebt gezien. Wat kan hij doen met water? Elke topper heeft watergevoel. Nog steeds als ik zelf in het water duik, kan ik dingen... echt bizar. Dan gaat het niet over snelheid, maar over hoe je beweegt in het water, hoe je een bent in het water.'

Ferry Weertman. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant
Ferry Weertman.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Weertman: 'Het is het gemak waarmee je kunt voelen hoe je arm en je hand in het water staan. Maar ook hoe je zodanig in het water ligt dat je jezelf kunt voortstuwen. Het is de kunst zo hoog mogelijk op het water te liggen. Maar als je met de borst hoog wilt liggen, gaan de kont en benen naar beneden. Je moet waterpas liggen. Ongeveer. Dat betekent met het hoofd omlaag naar de bodem. Niet naar voren kijken.'

Het eindoordeel is aan Jacco Verhaeren, de man die Pieter van den Hoogenband driemaal olympisch kampioen vrije slag maakte. 'Gennadi Touretski, de coach van de vermaarde Alexander Popov, zei dat de zwemmer die als eerste onder de 48-secondengrens wilde duiken twee meter lang moest zijn. Anders kon het niet. Pieter van den Hoogenband was de eerste die het deed. Pieter was 1.93.'

Schuilen in de buik van de grote groep, maar niet lanterfanten

Om vandaag in Hongarije wereldkampioen te worden mag Ferry Weertman, de olympisch kampioen op de 10 kilometer open water, in de eerste van vier ronden niet al te veel luiheid aan de dag leggen. 'Liggen te lanterfanten', sprak collega Sharon van Rouwendaal. 'Ferry mag niet zomaar op de 55ste van zestig plaatsen bivakkeren', verordonneerde zijn coach Marcel Wouda zondag.

In dat geval zou het te veel tijd vergen om naar voren te zwemmen en op georganiseerde uitlooppogingen te reageren. Niet dat Weertman, de vicewereldkampioen van twee jaar geleden, zich daar al te zeer mee bezig zal houden. Hij blijft, grotendeels, de tactiek hanteren waarmee hij in 2014 en 2016 twee Europese titels en olympisch goud veroverde.

Het is een kwestie van lang in de buik van de grote groep schuilen. Die strategie werd al ontwikkeld door Maarten van der Weijden, de olympisch kampioen 10 kilometer van 2008, ook een pupil van Wouda. De eerste twee ronden zijn om krachten te sparen. Halfweg wordt het opschuiven naar de kop van het veld die bij het ingaan van de slotronde bereikt moet worden. In Rio, met het 26 koppen tellende olympische startveld, kwam Weertman in de ronden van 2,5 kilometer als 19de, 10de en 15de door.

In de slotronde was hij gedwongen de 9 kilometer lang voorop zwemmende Australiër Jarrod Poort te achterhalen. De Nederlander kwam niet solo weg, maar besloot te wachten op de rest voor een eindsprint. 'In de laatste 400 meter is hij de snelste van de wereld', zo betoogde zijn coach al eens. Het is volkomen correct beoordeeld. Zoals Van der Weijden ooit de beste laatste kilometer van de wereld in de armen (benen) had.

Weertman probeerde onlangs, bij de wereldbeker in Portugal een andere tactiek uit op last van Wouda. Hij zwom de eerste helft actief in de top, maar liet zich toen zakken naar de dertigste plaats. Hij werd zevende na een enorme inhaalrace. Dat was eens maar nooit weer, aldus de twee.

Zij hanteren tactische trucs om de race te bepalen: de badmuts afwerpen om tegenstanders te misleiden en drinkpauzes overslaan om snel op te schuiven. Weertman dankt veel van zijn succes aan zijn manier van navigeren. Af en toe het hoofd ver boven water. Hij noemde dat 'de zeehondenkijk'.

Meer over