COLUMNWillem Vissers

Ik gun Engeland de Europese titel wel, omdat het land in de kern echt houdt van het spel

null Beeld

Engeland is een heerlijk voetballand. Alleen al om de stadions, de pure liefde voor voetbal, de programmaboekjes, de verwikkelingen in de lagere divisies, het humorvolle gescheld op tribunes, de pubs met hun voor- en nabeschouwing.

Ja, de keerzijde is vuig. Dat vulgaire van de pulppers. Het is nog maar een paar maanden geleden dat internationals zich massaal keerden tegen het verstikkende racisme op social media, zelfs gericht tegen Marcus Rashford, toch de Barmhartige Samaritaan op kicksen. Vaak gaat het in Engeland over geld, over aankopen, over managers die nog meer spelers willen dan ze al hebben, over exorbitante salarissen.

Het is ver van de werkelijkheid op straat, al lijkt de meerderheid van de liefhebbers te kunnen leven in parallelle werelden. U moet eens naar het nieuwe stadion van Tottenham gaan, in een sjofele wijk in Noord-Londen. Alsof een geweldige slagroomtaart op tafel is gezet, zonder eerst de kruimels van de cake weg te vegen. Of wandel anders eens door de buurt bij de tempel van Manchester City, waar ze zeggen dat de omgeving ook zal opknappen.

En hoe ze dan soms voetballen, die clubs, defensief, naar de ideeën van trainers van het vasteland, want ze hebben hun voetbal uitgeleverd: eigenaren, trainers, voetballers, allemaal van buiten. De achteloosheid waarmee clubs voetballers kopen voor een standaardbedrag van 40 of 50 miljoen euro, en ze dan gewoon op de bank laten verpieteren als het zo uitkomt. Jammer dan. Donny van de Beek en Steven Bergwijn glimlachen op salarisdag en zijn verder bijna geen voetballer meer.

Mede daarom houd ik zo van landenvoetbal, dat kwalitatief niet kan tippen aan de beste clubs. Maar opeens tellen die miljoenen veel minder, dan komen al die jongens uit hetzelfde land bij elkaar, maken ze het gezellig samen, verzinnen ze een nieuw spelsysteem of voetballen ze verstandig verder in een systeem dat ze beheersen, en dan kan Zwitserland zomaar van Frankrijk winnen en bijna van Spanje.

Bij Engeland bleek dan vaak dat ze er niet zoveel van konden. Dat kreeg je als je overal vreemdelingen neerzette op cruciale posities. Het was zelfs zo erg dat het eigen talent op een gegeven moment naar buitenlandse clubs vluchtte, waar ze wel aan wedstrijden mochten meedoen. Bij elk toernooi pompte de pers de verwachtingen weer op tot gevaarlijke proporties. Als de Engelsen dan verloren van IJsland, zoals vijf jaar geleden op het EK, kon ik mijn lach niet inhouden. Het verdelen van vreugde, dat leek me rechtvaardig.

Maar een merkwaardig gevoel is in me gevaren. Van mij mogen ze winnen, al is het een van de saaiste teams van allemaal en al spelen ze woensdag de halve finale tegen de Denen, die ieders hart hebben veroverd. Maar ik gun het Engeland wel, omdat het land in de kern echt houdt van het spel. Een lief moedertje staat bij wijze van spreken al jaren op de drempel te roepen naar het voetbal, of het alsjeblieft naar huis wil komen. Laat het dan maar een keer gebeuren, voordat het moedertje schor is van haar smeekbede.

Meer over