'Ik ben trots wanneer ik als Koerd iemand met boksen versla'

De Turkse Koerd Welat Omari (20) woont sinds zijn 4de in Berlijn. Hij wil ingenieur machine-bouw worden, maar ook profbokser....

Hij herinnert zich weinig. De lemen huizen, een prachtig landschap met bergen – bruine rotsige bergen, misschien lag er sneeuw op, misschien ook niet. Hij herinnert zich dat hij nooit naar die bergen mocht, omdat er landmijnen lagen. Ieder kind werd al vroeg geleerd wat mijnen met je konden doen. Dus ging hij er nooit naartoe.

Welat Omari (20) was 4 jaar toen zijn ouders vertrokken uit Mardin, een klein dorp in Turks Koerdistan, dicht bij de grens met Syrië. Omdat de politieke situatie gespannen was, vluchtten ze begin jaren negentig naar Duitsland. Maar als Welat vluchtelingen op tv ziet, zonder geld, zonder huis, in grote armoe, dan heeft hij daar niks mee. ‘Wij kregen in Berlijn een huis in een flat. Niet zo’n lelijke grijze flat, maar een mooi appartementencomplex, met elk een eigen balkon.’

Hij integreerde makkelijk, kreeg snel vrienden. Zijn moeder ging naar Duitse les en las Welat – letterlijk: ‘mijn mooie vaderland’- in het Duits verhaaltjes voor, zodat hij zich de nieuwe taal snel eigen zou maken. Daarom spreekt hij met zijn moeder nog steeds een mix van Duits en Koerdisch, ‘Ich komme gavik din‘ – ‘Ik kom zo’ – terwijl hij met zijn vader uitsluitend Koerdisch praat. Duits leren was een makkie. In zijn wijk, Kreuzberg, woont een bont gezelschap van talen en nationaliteiten, ook Koerden. Hij voetbalde met Spanjaarden, Italianen, Turken en streekgenoten, maar omdat er maar één taal was die alle kinderen begrepen, sprak iedereen Duits.

Natuurlijk misten ze hun vaderland. Maar zijn ouders willen niet meer terug, zo dat al zou kunnen. Ze hebben door de PKK veel familieleden verloren. De overgebleven ooms, tantes, neven en nichten zijn inmiddels allemaal naar Syrië vertrokken. Het Koerdisch kent een mooi spreekwoord: ‘Thuis is waar je familie is’, zegt hij. ‘Ik ga met mijn ouders, zus en broer weleens naar Syrië. Het ziet er prachtig uit, precies zoals het dorp in mijn herinnering.’

Begrijp hem niet verkeerd: hij houdt ook van Duitsland. Dat is een mooi land met ongekende mogelijkheden – ‘voor iedereen’. Hij heeft zich nooit gediscrimineerd gevoeld en is er trots op Koerd te zijn. Koerden móeten wel trots zijn, want het is een volk zonder land. De trots op hun eigen taal en cultuur, ‘dat is wat ons bindt’.

Vorig jaar slaagde Welat voor het gymnasium. Hij vervulde zijn dienstplicht en werkt nu als kelner in een restaurant, in afwachting van het nieuwe studiejaar. In oktober begint hij aan de opleiding voor ingenieur machinebouw. Maar minstens zo belangrijk vindt hij zijn carrière als bokser – de Koerd probeert prof te worden. Hij staat bijna dagelijks in de sportschool. Het mooie van boksen is dat je het helemaal alleen doet, je bent dus zelf verantwoordelijk voor je daden en fouten, en niemand zegt wat je moet doen.

Zijn grote voorbeeld, zijn held, is Muhammad Ali. Dat was een entertainer, die maakte zijn tegenstanders op een sportieve en buitengewoon grappige wijze belachelijk, zodanig dat ze geïntimideerd raakten en daardoor verloren. Want bij boksen, zegt Welat, gaat het om psychisch overwicht, om discipline, om zelfvertrouwen, om tactiek. Niet om kracht. Ook al ben je sterker, als je ook maar de geringste angst of onzekerheid voelt, verlies je.

Hij begon laat met boksen, op z’n 16de. Maar als kleine jongen heeft hij veel met anderen geslagen en gestoeid, zo is hij opgevoed. ‘Ik ben moedig’, zegt hij stellig. ‘Vat het niet verkeerd of arrogant op, maar ik ben sterk. Ik ben echt nergens bang voor, behalve voor God, voor Allah.’

Hij is ook niet agressief. Duitsers staan bekend om hun koele, ietwat afstandelijke karakter. Zelf is hij daarentegen heel temperamentvol, wat weleens met agressie wordt verward. ‘Maar dat ben ik niet! Elk mens is weleens opgefokt, dan is boksen een mooie manier om je af te reageren.’

Hij heeft al vaak gewonnen. In Kreuzberg zeggen ze dan, bijvoorbeeld: ‘Kijk, die Koerd heeft die Turk ingemaakt.’ Tegenstanders worden er al snel tot nationaliteiten gereduceerd. Dat vindt hij niet goed, het gaat niet om zijn herkomst. ‘Ik heb niks tegen Turken; ik ben tegen haat en vooroordelen. Maar ik ben natuurlijk wel trots wanneer ik als Koerd iemand versla. Een trots die iedereen heeft die van zijn afkomst houdt. Zoals Nederland trots is als het de WK-finale haalt. Zo moet je het zien.’

Meer over