Honkbal: topteam door forse impuls van kwaliteit

Maar zo gauw grotere belangen in het geding zijn eindigt de rol van de honkballers. Dan worden in het buitenland spelende profs ingeschakeld om hogere doelen te bereiken.

Gedragen door een aanzienlijk aantal Antilliaanse spelers die in de Amerikaanse profleagues uitkomen, maakte het Nederlands honkbalteam afgelopen week furore in eigen land. Met zes zeges in zeven duels wist het gemêleerde gezelschap van bondscoach Rod Delmonico zich op overtuigende wijze te plaatsen voor de eindronde om de wereldtitel, die dinsdag in Italië van start gaat.

‘Dit is misschien wel de sterkste nationale ploeg waarin ik ooit heb gespeeld’, vindt catcher Sidney de Jong (30), international vanaf 2001. ‘Al is de sterkte eigenlijk alleen op papier aan te geven.’ Zoals in 2004, toen Nederland met een, zo leek het, topteam deelnam aan de Olympische Spelen van Athene.

Na een onthutsende 22-2-nederlaag tegen Australië was de zesde plek toen het teleurstellende resultaat. Uitstekende honkballers allemaal, maar tezamen vormden ze geen collectief. Dat is nu anders. ‘Binnen het huidige team is de chemie juist heel sterk’, heeft De Jong vastgesteld.

‘Er staat een uitgebalanceerde ploeg zonder zwakke plekken die tot alles in staat is’, zegt hij. ‘Delmonico kan de spelers goed motiveren. De pitching en verdediging functioneren uitstekend, de aanval bestaat uit jongens die zonder uitzondering honkslagen, dubbels en homeruns kunnen slaan, op de strijdlust is niets aan te merken.’ Dat bleek tegen Zuid-Korea en Nicaragua toen in de slotfase de opgelopen achterstand in een overwinning werd omgezet.

Vijftien spelers zijn uit Amerika overgekomen, het merendeel van hen heeft een Antilliaanse achtergrond. De kwaliteitsimpuls wordt geleverd door Curt Smith, Yurendell Decaster, de atletische binnenvelders Sharlon Schoop en Hainley Statia en Randall Simon, jarenlang uitkomend in de Major League, het hoogste clubniveau ter wereld.

Na overwinningen op Zuid-Korea, Puerto Rico, Spanje, Venezuela, Groot-Brittannië en Nicaragua verliest Nederland in Rotterdam het slotduel tegen Cuba met 5-3. Al kalft de kracht van het Cubaanse honkbal wat af, de voormalig wereld- en olympisch kampioen brengt nog steeds een team van grote klasse op de been.

De Jong is een van de weinige spelers uit de hoofdklasse die als catcher op een vaste plek in de nationale ploeg mag rekenen. Hij speelt altijd met pijn. Van een mislukte swing met de knuppel ondervindt hij de meeste hinder. Desondanks is hij dit toernooi een uiterst betrouwbare achtervanger en een van de beste spelers aan slag. Tijdens de Holland Series vorig seizoen raakte hij geblesseerd aan zijn linkerpols. De chirurg liet weten dat een medische ingreep mogelijk is, maar dan kan hij niet meer honkballen. Dus laat hij het maar zo.

De verschillen tussen honkballers die in Amerika hun sport beoefenen en jongens die in de hoofdklasse uitkomen zijn groot, weet De Jong. ‘Je speelt niet voor niets in de hoofdklasse en iemand die niet goed genoeg is, is geen prof. Natuurlijk zijn het spelers die wel kunnen honkballen, verdedigend en aanvallend. De hoofdklasse is een redelijk sterke competitie, maar geen double-A of Major League. Jongens op dat niveau trainen en spelen elke dag, het is in mentaal opzicht een harde leerschool.’

Lastig is het niet als er nieuwe spelers uit Amerika hun opwachting maken. ‘Ik ken hen zowat allemaal, ik weet wat ze kunnen en hoe ze spelen. Soms zie je dat spelers in Amerika bepaalde dingen anders hebben geleerd dan de manier waarop wij dat hier uitvoeren. Dan moet iedereen zich daar even aan aanpassen.’

De Jong heeft enige ervaring in Amerika opgedaan. Twee jaar studeerde en speelde hij op South Idaho in Twin Falls. Een positieve periode, maar het was niets voor hem. Hij werd gedrild als een soldaat in opleiding. Na een fout werd hij uitgescholden, als hij slecht speelde moest hij strafrondjes lopen en kreeg hij geen eten. Hij heeft, ook achteraf, geen spijt dat hij een mogelijke honkbalcarrière in Amerika is misgelopen.

Meer over