Interview

'Hoezo verbroedert sport?'

Sport verbroedert. Wie je ook bent of waar je ook vandaan komt, op het sportveld ontluiken kameraadschap, respect en talent. Maar niet heus, doceert sportsocioloog Ramón Spaaij.

Mark van Driel
Ramón Spaaij: `Je kunt de analogie zien met Zwarte Piet in Nederland. Niemand wordt graag geconfronteerd met de eigen demonen.` Beeld Aart-Jan Venema
Ramón Spaaij: `Je kunt de analogie zien met Zwarte Piet in Nederland. Niemand wordt graag geconfronteerd met de eigen demonen.`Beeld Aart-Jan Venema

Het ronkende persbericht is opgesteld in de bossen van Zeist, door voetbalbond KNVB, maar de tekst had volgens sportsocioloog Ramón Spaaij ook geschreven kunnen worden in zijn onderzoeksgebied: de kurkdroge outback van Australië.

'Voetbal is het grootste sociale netwerk van ons land', stelde de voetbalbond onlangs. 'Het draagt bij aan de maatschappelijke thema's vorming, gezondheid en verbinding.' Sport als heilzaam middel, een panacee voor maatschappelijke pijn. Spaaij komt het steeds tegen: in de olympische beweging, in de voetbalwereld, zelfs in het Australische gehucht Birchip, waar Australian football volgens hem de sociale functie van de kerk heeft overgenomen.

Onvoorwaardelijk geloof

De inwoners trokken gestaag weg uit het plattelandsdorp, dat hij gedurende 2,5 jaar bestudeerde. De bevolking slonk in korte tijd van 1.100 tot 800 mensen. Achterblijvers vertelden Spaaij dat football 'de ziel van de gemeenschap' vormde. Ze voorspelden dat het dorp 'dood' zou zijn zonder de sport. 'In een microkosmos zie je daar een heilig geloof in de waarde van sport voor de samenleving.'

Dat onvoorwaardelijke geloof zint de 35-jarige Spaaij niet helemaal. Hij is bijzonder hoogleraar sportsociologie aan de Universiteit van Amsterdam en universitair hoofddocent aan Victoria University te Melbourne. Hij is geschoold in de kritische traditie van beroemde Amsterdamse sociologen als Schuyt, De Swaan en Goudsblom, publieke intellectuelen die zich mengden in prangende maatschappelijke discussies.

Spaaij kan geen bestuurder de lof horen zingen op de maatschappelijke waarde van de sport zonder te denken: hoezo doet de sport dat allemaal? Effecten van sport die volgens Spaaij zelden worden belicht zijn er ook: uitsluiten, afstoten. Met twee collega's publiceerde hij onlangs het boek Sport and Social Exclusion in Global Society.

In een koffiehuis in een buitenwijk van Melbourne blijkt de jonge onderzoeker een bevlogen spreker, die net zo makkelijk Johan Cruijff citeert als de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Spaaij ontkent niet dat sport een positieve bijdrage kan leveren aan maatschappelijke ontwikkelingen. Sociale verbinding, integratie, geestelijke en lichamelijke gezondheid: al die begrippen hebben niet zonder reden wortel geschoten in sportnota's. Maar Spaaij vraagt zich af waar gezond verstand overgaat in dogmatisch gedram: 'Zijn netwerken altijd heilzaam en gezond? Of zijn ze ook weleens pervers? Wie heeft toegang tot verenigingen en wie ondervindt er juist nadelen van? Ik ben huiverig voor een heel gegeneraliseerd beeld. Over wie gaat het precies? Wat zijn exact de effecten?'

De belangrijkste conclusies uit Sport and Social Exclusion in Global Society, een onderzoek naar sportbeoefening door vrouwen, minderheden en mensen met een geestelijke of lichamelijke beperking.

1 Sport weerspiegelt de vooroordelen in de samenleving vaak en versterkt ze soms zelfs.

2 Minderheden ervaren sport niet vanzelfsprekend als sociaal bindmiddel, zoals in sportbesturen vaak wordt gedacht.

3 Sport kan verschillen tussen mensen doen vergeten, maar ook aanscherpen.

4 De populariteit van speciale sportclubs naar etniciteit of seksuele voorkeur wijst erop dat sommige groepen zich niet welkom voelen bij reguliere clubs.

5 Sportclubs met sterke, dominante waarden jagen mensen die deze waarden niet onderschrijven weg.

Neoliberaal gedachtengoed

Sport sluit volgens Spaaij nauw aan bij het neoliberale gedachtengoed. Het is de meritocratie in een notendop, zo wordt gedacht: iedereen heeft een gelijke kans. Wie hard wil werken, kan op eigen kracht slagen. Afkomst lijkt irrelevant. De olympische beweging verspreidt dat idee als het evangelie. De socioloog: 'Op de 100 meter sprint begint iedereen bij nul. Als Usain Bolt wint, is het zijn eigen verdienste. Hij heeft zijn talent ontplooid, de samenleving staat daar los van. Die mythologie bestaat. Het is een onweerstaanbare gedachte, maar het is onzin. Een level playing field bestaat niet. Een Australische tennisser heeft meer kans dan een Nederlandse, omdat hier een beter opleidingssysteem is.'

Sporten en sportclubs bezitten vaak een dwingende cultuur met sterke ideeën over afkomst, huidskleur, seksuele geaardheid en geslacht. Om die reden sporten homoseksuelen en migranten soms liever in eigen kring, via eigen verenigingen en competities. Ze willen een veilige plek. 'Pas geleden bleek uit onderzoek dat acht van de tien sporters die zich identificeren als homo- of transseksueel regelmatig homofoob taalgebruik ervaren. In de spirit of the game, wordt dan al snel gezegd, maar het kan niettemin heel kwetsend zijn. Dan is sport niet goed voor je, maar kan het juist negatieve consequenties hebben voor je eigenwaarde.

'Ik vind het geen probleem dat er gescheiden competities bestaan, al is het eigenlijk segregatie. Het is een reactie op de reëel ervaren uitsluiting. Maar heeft de sport daarmee een maatschappelijk probleem opgelost? Eigenlijk niet.'

Spaaij heeft in Melbourne ontdekt dat de behoefte om de maatschappelijke waarde van sport ter discussie te stellen in Australië nog kleiner is dan in Nederland. 'Sport staat centraal in de Australische identiteit. Het land heeft al tweemaal de Olympische Spelen georganiseerd, in Melbourne in 1956 en in Sydney in 2000. De overheid steekt veel geld in sport. In Nederland kunnen we teruggrijpen op de Gouden Eeuw. Australië is een relatief jonge samenleving. Hier is sport een kernelement in de nationale identiteitsvorming, samen met de Eerste en Tweede Wereldoorlog.'

Ramón Spaaij: `Je kunt de analogie zien met Zwarte Piet in Nederland. Niemand wordt graag geconfronteerd met de eigen demonen.` Beeld Aart-Jan Venema
Ramón Spaaij: `Je kunt de analogie zien met Zwarte Piet in Nederland. Niemand wordt graag geconfronteerd met de eigen demonen.`Beeld Aart-Jan Venema

Australian football

Geen sport is voor die identiteit belangrijker dan Australian football, een ruwe variant van rugby. Blanke beoefenaars denken dat de sport Britse wortels heeft, aboriginals beweren dat de spelregels zijn terug te voeren op traditionele gebruiken. Twee jaar geleden veroorzaakte een incident rondom topspeler Adam Goodes een nationale discussie over racisme. Goodes, die deels aboriginal is, werd tijdens een wedstrijd van zijn Sydney Swans tegen Collingwood Football Club door een 13-jarig meisje uitgescholden voor aap. Goodes bleef staan en sprak haar aan op haar gedrag. Ze werd weggevoerd. Later zei Goodes dat hij haar niets kwalijk nam, en dat haar omgeving verantwoordelijk was voor haar gedrag.

Daarmee was de zaak niet afgedaan. De voorzitter van Collingwood, Eddie McGuire, nota bene lid van een nationale commissie ter bevordering van integratie, zei dat het meisje niet had geweten dat 'aap' een racistische term was, en vergeleek op zijn beurt Goodes met filmgorilla King Kong.

Spaaij: 'Het was misschien onbewust, onbedoeld racisme. Maar ook heel fout. Het idee dat racisme bestaat in het Australian football, is bijna onbespreekbaar. Kom niet aan die sport. Er wordt gezegd: het is zo niet bedoeld, het is beter dan twintig jaar geleden. Dat is ook zo, maar het probleem wordt snel onder het tapijt geveegd. Je kunt de analogie zien met de discussie over Zwarte Piet in Nederland. Niemand wordt graag geconfronteerd met de eigen demonen.'

Olympische propaganda

Ook olympische propaganda roept steeds vaker protest op. In München en Oslo bleek recentelijk onvoldoende draagvlak voor een gooi naar de Winterspelen van 2022. In Boston is protest tegen de kandidatuur voor de Zomerspelen van 2024 op gang gekomen. In Rio de Janeiro sluimert de onvrede over de Zomerspelen van volgend jaar. Behalve een hoge schuld is de nalatenschap van Olympische Spelen en WK's gering, blijkt volgens Spaaij uit studies. De bevolking wordt niet blijvend gelukkiger, gezonder, rijker, sportiever of toleranter.

Ook voor sportbonden is waakzaamheid geboden, zeker in grote steden. Volgens NOC*NSF is het aantal leden bij de 75 aangesloten bonden sinds 2013 met ruim 1 procent gedaald. Bij sommige bonden was de daling sterker: tennis (8 procent), zwemmen (3 procent), korfbal (5 procent). Dat heeft volgens de sportkoepel te maken met gezinsbezuinigingen als gevolg van de economische malaise, maar ook met een groeiende behoefte van mensen om in los verband te sporten, in de sportschool of via hardloop- en fietsgroepjes. Spaaij: 'Wat betekent vergrijzing voor de amateursport? Wat betekent migratie? Je ziet dat jongere generaties steeds meer aansluiting zoeken bij de ongeorganiseerde sport: fietsen, hardlopen, de sportschool. Hoe blijft een sportclub relevant in een veranderende wereld? Kunnen ze mensen aantrekken die minder gebonden willen zijn? Die vragen spelen in Australië en Nederland.'

Het zijn complexe problemen, volgens Spaaij misschien zelfs te moeilijk voor de vrijwilligers van de gemiddelde sportvereniging. Vooral de omgang met migranten vraagt om een open blik. De socioloog bestudeerde in Melbourne de verwarring tussen Australiërs en Somalische nieuwkomers. 'De sportbonden zeiden: wij moeten ze leren hoe belangrijk sport is. Je kunt ook denken: misschien moeten wij luisteren naar wat voor Somaliërs belangrijk is. Voor hen was sport geen prioriteit. Brood op de plank, met acht kinderen overleven in een sociale huurwoning zonder overheidssteun: dat was belangrijk. Moet je sport dan gaan opdringen? Dat is een kenmerk van de dominante cultuur.'

Denkwijze

Hoe het wel kan, ervoer hij bij een Australische cricketclub die halverwege de vorige eeuw werd opgericht door Zuid-Europese immigranten. Zij zagen Pakistaanse studenten op hun velden spelen. In plaats van ze weg te jagen, vroegen ze waarom de jongemannen geen lid werden. Ze bleken geen geld of tijd te hebben voor een lidmaatschap. Wel waren ze bereid om per keer vijf dollar te betalen voor de faciliteiten. Ze zochten flexibiliteit, de club bood die gelegenheid.

Of die denkwijze in Nederland zal aanslaan? Kleine bonden maken al stappen, weet Spaaij, maar hij verwacht dat het tijd kost. Volgens NOC*NSF is het voor clubs moeilijker dan voorheen om vrijwilligers te vinden. Mensen willen stoom afblazen, de dagelijkse realiteit vergeten door lekker te bewegen. Sporten om de sport moet kunnen, vindt Spaaij, wat bestuurders ook beweren in hun ronkende persberichten.

In eigen huis hebben die bestuurders vaak nog voldoende werk te verrichten. Spaaij herinnert zich een recente bekentenis van een NOC*NSF-topman. 'Hij keek tijdens een lunch eens rond en zag alleen blanke collega's. Toen viel het kwartje. Wij zeggen tegen bonden dat ze diverser moeten zijn, maar zijn we het zelf?'

Meer over