Persoonlijk relaasAjax - Tottenham Hotspur

Hoe verwerk je supportersrouw? Door er niet over te praten, dan is het er niet

Volkskrantredacteur Jaap Stam is ruim  vijftig jaar Ajaxfan. Vol vertrouwen heeft hij de vliegtickets naar de finale van de Champions League in Madrid die 8ste mei al op zak. Wat kan er nog fout gaan? Een persoonlijk relaas. 

Lucas Moura (links) heeft gescoord. Tottenham juicht, ongeloof bij Hakim Ziyech, Matthijs de Ligt en Daley Blind.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Het miezert de dag dat Ajax in de halve finale van de Champions League tegen Tottenham Hotspur speelt, woensdag 8 mei. Op het moment dat we op de fiets stappen breekt de zon door en baadt Johan Cruijff, metershoog afgebeeld op een blinde muur bij mij om de hoek in de Watergraafsmeer, in het licht. Dat is een gunstig teken, vinden we.

Voorafgaand aan de wedstrijd eten we met twintig supporters bij de Italiaan Margherita Tutta la Vita in Diemen.­Vaders, zonen en vrienden van zonen. ­Vaders die de successen van het grote Ajax in de jaren zeventig hebben meegemaakt en geroerd zijn dat ze met hun ­zonen in het stadion zitten als onze club weer doorstoot naar de finale van de Champions League.

Mijn zonen Stijn (29) en Tim (26) en ik gaan al jaren naar de Arena en sinds 2016 volgen we Ajax naar het buitenland. Ze kennen de succesverhalen van vroeger tot vervelens toe en moeten het doen met de kansloos verloren Europa League-finale in Stockholm in 2017, waar Manchester United met 2-0 te sterk was. De hunkering naar glorie is immens.

Ik was 13 toen Ajax vijftig jaar geleden voor het eerst in de finale stond. Ik woonde in Rosmalen en zag op tv hoe we met 4-1 onderuitgingen tegen AC Milan. Die zomer ging ik met mijn vader naar Amsterdam om in de sigarenzaak van Sjaak Swart een Ajax-vlag te kopen. Een met het oude logo met de onverschrokken Griekse krijger. Swart stond achter de toonbank. Opgewonden keerde ik huiswaarts. Ik moest nog een jaar wachten voordat Ajax drie keer achtereen de Europa Cup 1 won.

In 1995 was Stijn 4 toen Ajax voor het laatst Europa’s beste was. Ik heb met hem langs het water gestaan toen de ­Ajacieden in triomf door de grachten voeren met de cup. Alle jaren daarna wees ik naar de plek waar we hadden ­gestaan als we langs het Wertheimpark fietsten.

Een van de vaders bij de Italiaan is Bart Briels. Hij zat in het stadion toen het Ajax van Cruijff Europa in zijn greep had. Als schoffie glipte hij zonder kaartje naar binnen in De Meer en het Olympisch ­Stadion. Een veteraan, zou je zeggen, maar hij krijgt amper een hap door zijn keel van de zenuwen. ‘Het liefst zou ik nu naar bed gaan en om half 12 weer wakker worden’, zegt hij.

De flow

Het seizoen 2018-2019 was een aaneenschakeling van onvergetelijke momenten. Benfica, Bayern München, Real ­Madrid en Juventus bedwongen, verslagen of weggespeeld. Geen uitwedstrijd verloren, er zat geen gestolen punt bij. Hoogtepunt was de achtste finale in ­Madrid. In het Santiago Bernabéu-stadion vermorzelde Ajax met 4-1 Real, de regerend Europees kampioen.

‘We spelen ze helemaal kapot. We zijn wel bij het fokking Real Madrid’, ­toeterde Stijn in mijn oor. ‘Nooit gedacht dat we ooit in Bernabéu ze krijgen voetballes zouden zingen’, schreeuwde Tim bij 3-1. Voetbalgeluk mag dan primitief zijn, er is niet veel mooier dan tussen twee zonen in een leeg gespeeld Bernabéu de Ajacieden toejuichen, terwijl ­ongeloof en verrukking door het kolkende uitvak gieren.

Na afloop vierden we de overwinning op de stoep van een cafeetje in de schaduw van het stadion. Een taxichauffeur kwam aanstuiven en gooide de portieren open waaruit Ajax-liederen knalden. Hij bleek fan van Barcelona en was door het dolle heen dat de aartsrivaal in eigen huis was vernederd.

Madrilenen feliciteerden ons alsof we zelf hebben gespeeld. Van Ajax-supporters die tussen Real-fans zaten, hoorden we dat ze een hand kregen voordat de Madrilenen ruim voor tijd gedesillusioneerd het stadion verlieten.

Voetbalgeluk schuilt in het onverwachte. In Londen zaten we boven op het veld in de nieuwe voetbaltempel van Tottenham Hotspur. Keeper André Onana, die na de treffer van Van de Beek langs de achterlijn juichend op en neer huppelde, konden we bijna aanraken. Samen met Frenkie de Jong verzinnebeeldde hij de spelvreugde van Ajax. Je hoefde niet eens van voetbal te houden om daarvan te genieten.

Naarmate het seizoen vorderde, raakte heel Amsterdam in de ban van Ajax. Buren, kennissen, zelfs wildvreemden begonnen erover. Iedereen werd meegesleurd door de opwinding. Supporters die met een wapperende Ajax-sjaal om de nek naar de Arena fietsten, werden toegejuicht.

Met de stunt in Madrid begon de euforie. Na Juventus, dat in de kwartfinale werd uitgeschakeld, was het: nog drie wedstrijden (twee halve finales en de finale) als het goed gaat. Na de 1-0-winst in Londen tegen Tottenham wisten we dat het ging lukken. In de finale kunnen we iedereen hebben.

Terug in de Arena

Bij de 1-0 en 2-0 in de Arena tegen Tottenham vallen we in elkaars armen. ‘We zijn erbij’, schreeuwen we. Hoe vaak hebben we dat dit seizoen niet geroepen?

Met de wedstrijd in Londen meegerekend (waar Ajax met 1-0 karig is beloond) staan we in de rust met 3-0 voor. Om mij heen zie ik supporters op hun smartphones vluchten boeken naar Madrid, waar over ruim drie weken de finale van de Champions League wordt gespeeld. Wij hebben de vliegtickets al op zak.

Drie kwartier later staren we verdoofd naar het veld. De Arena is stilgevallen alsof alle zuurstof met een reuzenteug uit het stadion is gezogen. Alleen in het uitvak met Tottenham-supporters is aan zuurstof geen gebrek. De Ajacieden liggen lamgeslagen op het gras.

‘In de 96ste minuut scoort Lucas Moura 2-3’, roept de stadionspeaker. 96ste minuut? Er zouden er maar 5 worden bijgeteld. We zijn te verbouwereerd om ons daarover op te winden.

Even later fluit scheidsrechter Brych af. We hijsen ons overeind en blijven wachten tot de spelers zich hebben vermand om onder aanvoering van Matthijs de Ligt een rondje langs de tribunes te sjokken om ons te bedanken. We klappen onze handen stuk en zeggen nog steeds niks.

De fietstocht terug is een martelgang. Voor het eerst in de 22 jaar dat ik een seizoenkaart heb, fietsen we zwijgend naar huis. Wat valt er te zeggen als je niet begrijpt wat er is gebeurd? Johan Cruijff op de muur is in het duister gehuld. ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt’, somber ik als ik er langs fiets.

Wat zullen verslaggever Willem ­Vissers en de eindredactie ervan hebben gemaakt?, vraag ik me af. In de 23 jaar dat ik bij de Volkskrant werk, zullen er weinig hectischer avonden zijn geweest. Ik kan me niet herinneren dat een wedstrijd luttele minuten voor de deadline zo dramatisch kantelde.

Even na één uur ’s nachts appt vormgever Janet van Toor de voorpagina die klaarstond om naar de drukkerij te worden gestuurd. ‘Ajax doet het!’ boven een foto waarop een uitzinnige Donny van de Beek Daley Blind om de hals vliegt. Het werd: ‘Net niet…’ Van de Beek en Blind zijn vervangen door een treurende Hakim Ziyech. Haar commentaar: Bizar.

Supportersrouw

Nico Moen, die altijd naast mij in de ­Johan Cruijff Arena zit te glunderen als het stadion ‘Nííícóóó, Nííícóóó, Nííícóóó’ scandeert om Nicolás Tagliafico toe te juichen, stuurt de volgende middag een appje met een foto van zijn bijna 2-jarige kleinzoon die bij hem logeert. Hij schrijft: ‘Ik heb mijn portie relativering al gehad en zie een kansrijke toekomst.’ Hij wel.

Corrector Herman Kamans heeft daags na de wedstrijd 42 kilometer gewandeld om het chagrijn eruit te lopen. Dat hij 2.000 euro zou opstrijken bij het online gokkantoor Unibet als Ajax de ­finale zou halen, boeit hem nog het minst.

Vijf dagen na de wedstrijd vraag ik bij de slijter naar een goede rode wijn. Het is voor een weddenschap, zeg ik als verklaring waarom ik niet preciezer ben. ‘Heeft het misschien iets met voetbal te maken?’, informeert de slijter voorzichtig. Ik vraag waarom hij het zo aarzelend vraagt. ‘Niemand wil het erover hebben’, zegt hij. Het woord Ajax valt niet.

Hoe verwerk je supportersrouw? Door er niet over te praten, dan is het er niet. Zo simpel lossen mannen dat op. Met mijn zonen en mijn maten heb ik het er niet meer over gehad. Stuurden we tijdens Ajax’ rooftocht door Europa elkaar appjes met filmpjes en superlatieven die de wereldpers over Ajax uitstortte, over de wrede ontknoping in de Arena hebben we het niet gehad in de Ajacieden­­ groepsapp.

De complete stad viel die 8ste mei stil en hapte naar adem, hoor ik later. Maar al snel klinkt een daverend ­applaus, niet alleen in de Arena, maar ook in de kroegen en cafés . Daarna fietste iedereen stilletjes naar huis. Het leek wel ­Dodenherdenking, zei iemand.

Ik hoorde van mannen die er thuis voor de buis bijna in bleven, van mannen die voor het eerste van hun leven hebben gevloekt tegen de tv, van mannen die hebben gezworen de tv voortaan uit te zetten als de blessuretijd begint.

Een week later vraag ik aan chef eindredactie Martijn Stoffers: ‘Waar was jij?’ Hij weet meteen wat ik bedoel. ‘In een ­fotostudio, groot beeld op een blinde muur, je mocht je bierflesje ertegen kapot smijten. Een paar jongens hebben dat gedaan.’ Hij wil het er verder niet over hebben. ‘Ik word nog steeds misselijk als ik eraan denk.’

Europa-correspondent Arie Elshout mailt: ‘Ik zat in Roemenië, ik was ook ­kapot, niet geslapen de hele nacht. Ook de dagen erna kwamen steeds die laatste seconden terug. Knagen, knagen, wat als...? In 1974 speelden we ook het mooiste voetbal van Europa en stonden we ook met lege handen.’

Zelfs René Went, een verstokte Feyenoord-fan die graag een pesterig appje mag sturen als Ajax heeft verloren, is er een week beroerd van. Zo veel krankzinnige pech en toeval. Hij kan er met zijn pet niet bij.

Gerrit Schoute, een tennismaat op leeftijd, geeft er na een paar weken een onverwachte draai aan. ‘Mooi dat je erbij was.’ Als ik hem vragend aankijk, zegt hij: ‘Je hebt straks wat te vertellen als je in het bejaardenhuis zit.’

Meer over