Hockey snuffelt aan grote geld

Gekibbel over portretrechten, betalingen,live televisie-uitzendingen, de invoering van een Euroleague, nog meer buitenlanders, de intensivering van het trainingsprogramma: het Nederlandse hockey schudt het juk van het amateurisme van zich af....

Marije Randewijk

Stel je voor dat Ajax - Feyenoord op het punt van beginnen staat. De spelers hebben zich warmgelopen, het stadion is volgepakt, de ballenjongens staan op hun plaats en het arbitrale trio heeft de gele en rode kaarten in de borstzak gestoken. Op dat moment gaat ergens in de Arena de telefoon. ‘Nog niet beginnen’, verordonneert iemand in Hilversum. ‘Het waterpolo is uitgelopen.’

Jacques Brinkman, voormalig tophockeyer en coach van SCHC, ziet het in het voetbal niet gebeuren. Het overkwam hem afgelopen zondag wel. Het hockeyduel tussen Amsterdam en SCHC begon tien minuten te laat. De coaches van beide ploegen gaven toestemming. Ze moesten wel, anders zou hun tweede halve-finalewedstrijd van de play-offs niet volledig op televisie te zien zijn geweest.

Het hockey schikte zich naar het waterpolo. ‘Ik ben er zelf mee akkoord gegaan. Maar was dat professioneel?’, vraagt Brinkman, de coach van SCHC, zich een paar dagen later af. ‘Dat we live op televisie zijn, vinden we tegenwoordig al heel wat. Maar we moeten geen speelbal van de televisie worden.’

Een van de meest populaire sporten van Nederland worstelt met het imago. Ze wil groot worden, maar tegelijkertijd haar intimiteit niet verliezen. Maar professionalisme laat zich moeilijk verenigen met amateurisme.

Het hockey is bezig aan een inhaalslag. In de organisatie worden de vrijwilligers vervangen door managers, het trainingsprogramma is geïntensiveerd en dat geld een vast gespreksonderwerp is, wordt tegenwoordig heel gewoon gevonden. ‘Als je als sport echt serieus wilt worden genomen, moet het juist over geld gaan. Dat geeft een bepaalde uitstraling en spitst bij de mensen de oren’, zegt Brinkman.

De salarissen van de echte topspelers worden tegenwoordig tussen de 40 duizend en 80 duizend euro geschat. Hoewel dat door de voorzitters van Bloemendaal en Amsterdam, de twee play-off-finalisten met klem wordt tegengesproken.

‘Het gaat niet om die betalingen’, zegt Bloemendaal-voorzitter Quinten Dike. ‘Het gaat erom dat je de spelers een entree biedt bij bedrijven. Ze moeten een netwerk krijgen. Daar hebben ze in hun latere leven meer aan dan die drie dubbeltjes.’

Jons Hensel is het met hem eens. De voorzitter van Amsterdam vliegt de wereld rond om spelers vast te leggen, maar beweert dat zijn club hooguit 10 duizend euro betaalt. ‘Iedereen wil het met mij altijd maar over Taeke Taekema (de strafcornerspecialist die dit seizoen van HCKZ overkwam, red.) hebben. Maar hij krijgt zijn geld niet van ons, maar van het bedrijf waarvoor hij werkt, dankzij ons.

‘Daarnaast gaat het in het hockey om een scootertje hier, een appartementje daar. Het is niets. Het staat niet in verhouding met wat er in het voetbal gebeurt. We zitten pas in de kleuterklas’, zegt Hensel.

Zijn club loopt voorop in de professionalisering. Hensel riep een heuse Raad van Advies in het leven, liet een nieuw clubhuis bouwen, zorgde voor de beste kunstgrasvelden, begon met Amsterdam TV, zette een Hockey Academy op en verving in het kader vrijwilligers door professionals. Hij heeft nog vijf jaar om zijn nieuwste project, een overdekte hockeytempel, te verwezenlijken.

Geen idee hoe het hockey er tegen die tijd uitziet, zegt hij. Niemand die het weet. Maar om in het huidige tempo te blijven ontwikkelen, zullen de clubs nieuwe inkomstenbronnen moeten aanboren. Want professionalisering kost geld. Nu drijven ze vooral op barinkomsten, contributies, rijke voorzitters en/of sponsors.

Maar om de begroting, die tegenwoordig op zo’n 300 duizend euro wordt geschat, naar een nog hoger plan te kunnen trekken, zijn andere middelen nodig. De clubs zullen daarom op niet al te lange termijn entree gaan heffen. Daarnaast is een overeenkomst in de maak waarbij de clubs die talenten opleiden, net als in het voetbal, een vergoeding krijgen als die worden getransfereerd.

Maar het is vooral de televisie die, net als in het voetbal, het grote geld moet binnenbrengen. Het afgelopen seizoen werd daartoe alvast de eerste stap gezet. Wekelijks waren er twee wedstrijden live te zien bij de betaalzender Sport 1. Daarnaast werd op de publieke zender de zendtijd met ongeveer zestig samenvattingen verdubbeld en is er in de zogenoemde finalemaand van de NOS ruim aandacht voor de play-offs.

De vergelijking met Frankrijk was snel gemaakt. Daar won het rugby enorm aan populariteit nadat de publieke zender de voetbalrechten kwijtraakte. In Nederland werd het hockey een vergelijkbare potentie toegedicht.

Zover is het nog lang niet. ‘Voetbal blijft de hoofdmoot’, zegt Ben Visser, programmamanager van Sport 1. ‘De Nederlandse markt is gemakkelijk. Voetbal, waar ook vandaan, is al gauw goed.’

Dat er afgelopen seizoen nauwelijks naar de hockey-uitzendingen is gekeken, kan hij niet bevestigen noch ontkennen. Er is geen officieel onderzoek naar gedaan. Feitelijk maakte het de bond ook niet uit. Die kijkt naar de lange termijn en denkt aan de miljoenen kijkers die de kabelexploitanten en de overige tv-platforms in de toekomst zullen bedienen.

Alleen het gebrek aan publiek op de vrijdagavonden is nog een bron van zorg. De lege hockeyterreinen, de meeste clubs hebben niet eens een stadion, voldoen niet aan de professionaliteit die de sport wil uitstralen. Niet voor niets paste de bond, om niet knullig over te komen in de huiskamers, een deel van het geld bij om het spel niet met twee maar met vier of vijf camera’s in beeld te brengen.

In het seizoen 2007-2008 moet ook de nieuwe Europese competitie, waarin de Europa Cup 1 en 2 worden samengevoegd en 24 clubs zullen strijden, daarvan profiteren. Net als in het voetbal mogen de sterkste landen de meeste deelnemers leveren aan de ‘Euroleague’, namelijk drie.

In het najaar wordt op vier verschillende locaties een halve competitie afgewerkt. De 24 teams zullen zijn verdeeld over acht poules van drie teams. De beste twee teams per poule spelen tijdens de paasdagen de achtste en kwartfinales via het knock-outprincipe. Tijdens Pinksteren treffen de overgebleven vier ploegen elkaar op het terrein van een van de deelnemers.

Drie miljoen euro is er nodig om de competitie van de grond te trekken. En de winnaar kan een leuk bedrag aan prijzengeld tegemoet zien. De spelers zullen het alleen maar toejuichen. ‘Wij denken echt niet alleen maar aan het grote geld’, zegt Jeroen Delmee, aanvoerder van het Nederlands elftal. ‘In het hockey is het nog altijd zo dat elke tien of twintig euro telt.’

In dat licht moeten de mensen ook naar de op de handen zijnde overeenkomst tussen de internationals en de hockeybond over hun portretrechten kijken. Voor de hockeywereld is het een tamelijk revolutionair contract. ‘We hebben voor eerst eens zakelijk naar onze belangen gekeken’, zegt Delmee.

Het begon een aantal jaar geleden toen Taeke Taekema een aanbieding van een fabrikant van mondbeschermers kreeg. Hij vroeg oud-hockeyer en advocaat Diederik Donk om advies. Donk kreeg alle contracten van de strafcornerspecialist onder ogen. En die van de hockeybond sprong eruit. De bond claimde het exclusieve recht spelers in te zetten voor commerciële doeleinden. ‘Juridisch was het klinkklare onzin. Dat recht ligt altijd bij de spelers, tenzij ze het overgedragen hebben. En dat hadden ze niet.’

Op de vraag waarom ze dat contract tekenden, kreeg de advocaat steevast hetzelfde antwoord. ‘Ze waren blij geselecteerd te zijn voor het Nederlands elftal en wilden daarom niet moeilijk doen. En de bond presenteerde het altijd als een formaliteit. De handtekening was zogenaamd nodig om in aanmerking te komen voor de vergoeding van NOC*NSF.’

Delmee beaamt het. Hij is al sinds 1996 betrokken bij de onderhandelingen met de hockeybond. ‘Die gesprekken duurden maar en duurden maar. En uiteindelijk zeiden we tegen elkaar: teken nu maar, dan kunnen we lekker gaan hockeyen.’

Deze keer hielden ze voet bij stuk. Tot ergernis van de bond. Voorzitter André Bolhuis vond het ongehoord dat hij niet meer met de spelers zelf om tafel zat. ‘Toen ik zelf nog bestuurslid tophockey was, besprak ik alles met de aanvoerder van het Nederlands elftal, Stephan Veen. Ik ben twee keer met hem uit eten geweest en toen waren we eruit’, zei hij in januari in Hockeymagazine.

Het is precies de reden waarom de internationals zich hebben verenigd in de Sichting Beheer Imagerechten. Ook Teun de Nooijer, Taeke Taekema en Floris Evers sloten zich uiteindelijk aan. Zij hadden hun individuele rechten eerder al overgedragen aan andere sportmarketingbureaus.

De Nooijer liet zijn zaakwaarnemer Rob Jansen, van Sport Promotion, het contract bestuderen. Jansen, vanuit het voetbal bekend met de problemen rond portretrechten, ging vervolgens zelf bij de onderhandelingen zitten. ‘Dat was niet lastig’, zegt Delmee. ‘Het geeft aan dat het hockey volwassen wordt. Uiteindelijk heeft ook Teun zich zonder problemen aangesloten bij het spelercollectief.’

‘Dat was van groot belang’, zegt Donk. ‘Door als collectief op te treden kon de bond niet langer iemand tot zwart schaap maken. In het begin hebben ze wel zwaar geschut ingezet en gedreigd met: niet tekenen, is ook niet spelen. Maar het ging om zoveel spelers, dat konden ze niet volhouden. Ik ben niet chantabel, dat is het grote verschil.

‘Stel je voor dat je zelf 32 jaar bent en net hebt besloten dat je er alles aan wilt doen om nog één keer de Olympische Spelen te halen. En dan gaat er een man van boven de vijftig tegen je tekeer dat je niet moet zeuren over geld maar dat je als de sodemieter dat contract moet tekenen. Dan ben je geneigd overstag te gaan.’

Delmee benadrukt dat het in de overeenkomst niet om inkomsten maar om een financiële compensatie gaat. Van de internationals wordt verwacht dat ze steeds meer tijd in hun sport steken. ‘En om te voorkomen dat de spelers eerder afhaken omdat ze het niet meer kunnen bolwerken, denken we een bron van inkomsten te genereren via het Nederlands elftal. Als een soort van compensatie voor de opofferingen en de opgelopen schade door de topsport’, legt hij uit.

Er is ook geen reden voor de bond om zich op de tenen getrapt te voelen. Het is niet zo dat die de laatste jaren volop gebruik heeft gemaakt van de portretrechten van de spelers. Integendeel. Volgens Donk zijn de spelers duizenden euro’s misgelopen.

‘Ze hebben er nooit iets mee gedaan’, zegt ook Delmee. ‘Ik heb nog nooit iemand zien lopen in een oranje shirt met de naam Delmee achterop. Sporttechnisch zijn we in Nederland misschien vernieuwend, maar op dit vlak kunnen we nog heel veel leren.

De rechten van de vrouweninternationals worden nu geëxploiteerd door Essel Sports Management, het bedrijf van Søren Lerby en Sjaak Swart. De voetbalmannen voeren nog onderhandelingen met vier sportmarketingbureaus. ‘Als je de rechten hebt, moet je er wel iets mee gaan doen’, zegt Donk. ‘Je moet niet thuis gaan zitten met de armen over elkaar en denken: eens kijken wie mijn portret wil gebruiken.’

De 33-jarige Delmee voorspelt dat hij er niet meer rijk van zal worden. Maar het is een begin en hoort bij de razendsnelle ontwikkeling van zijn sport. ‘Toen er in het hockey net sprake was van betalingen zeiden we tegen elkaar: het gaat nog even verder, maar het houdt een keer op. Tegenwoordig praat elke club over spelerscontracten. En er worden steeds hogere bedragen genoemd. Wie kan mij vertellen waar het stopt?’

‘We staan pas aan het begin’, zegt clubcoach Brinkman. ‘Je bent pas echt professioneel als iedereen zich naar jou moet schikken.’

Meer over