‘Het huisvrouwtje’ vlucht naar de zonnebloemen

Na de Europese kampioenschappen atletiek in Göteborg geeft atletiektrainster Ineke Bonsen (60) er de brui aan. Haar hordelopers missen de gedrevenheid die volgens haar nodig is om de top te bereiken....

Mark van Driel

Haar stem schalt over de vrijwel verlaten atletiekbaan in Amsterdam-West, alsof ze een uitverkocht stadion moet overstemmen om haar hordelopers te bereiken.

‘Hoe herken je een goede trainer?’, luidt de vraag waarop Ineke Bonsen (60) zelf meteen antwoord geeft. ‘Aan zijn handen in zijn zakken.’

Er volgt nauwelijks een reactie. De hordelopers kennen haar grappenrepertoire zo langzamerhand. Bovendien zijn ze geneigd de vraag anders te beantwoorden. Een goede trainer is te herkennen aan haar hoge hakken, gelakte nagels, zonnebril en een zomerjurk zonder zakken.

Al vijftien jaar traint Bonsen hordelopers en meerkampers die zich willen bekwamen in het tijdrovende, technische onderdeel. Haar atleten hebben aan EK’s, WK’s en Olympische Spelen meegedaan, maar de coach heeft altijd geweigerd zich te schikken naar de mores van de atletiek. Ze draagt geen trainingspak. Het deert haar niet dat ze lang is versleten voor ‘het huisvrouwtje’.

‘Kom op Van der Westen’, zegt ze gebiedend tegen de gespierde hordeloper die boven haar uittorent. ‘Je hebt te luisteren. Touwtje springen!’

‘Moet dat. Dat is een echt vrouwending’, moppert de 29-jarige atleet die volgende week op de 110 meter horden meedoet aan de EK atletiek in Göteborg.

‘Alles wat je niet kunt is een vrouwending hè’, kaatst Bonsen meteen, vrolijk lachend.

Een drijver, noemt ze zichzelf. Ze jut haar atleten op, ze prikkelt en plaagt, moppert en gromt, en beloont hun inspanningen af en toe met een aai, een vriendschappelijke tik of een knuffel. Pas als aan haar hoge eisen wordt voldaan, liefst zonder gemor, is ze gelukkig. Want hordelopen vraagt om inzet.

‘Er komt nooit iemand op de atletiekbaan die Van der Westen er zomaar afloopt, zoals er ook nooit iemand komt die Rens Blom er met de polsstok even uits pringt. Met loopnummers is zoiets nog mogelijk, niet met technische nummers. Hordelopen leer je door heel veel horden te lopen. Het is een geleerd apenkunstje.’

Bonsen heeft recht van spreken. In haar eentje is de voormalige lerares erin geslaagd het hordelopen in Nederland naar een hoger plan te tillen. Als jeugdtrainer bij de club van haar kinderen raakte ze geïntrigeerd door het onderdeel, waarvoor haar toenmalige pupil Robin Korving veel aanleg toonde. Een korte cursus bij de atletiekbond leerde haar dat kennis van het specialisme in Nederland ontbrak.

Zonder geld ging ze zelf pionieren. Ze gaf training in veilinghallen en kassen. Van oude verwarmingsbuizen werden horden gebogen. En ze vergeleek eindeloos videobeelden van Nederlandse en buitenlandse hordelopers om te ontdekken hoe een atleet 110 meter met tien hindernissen (hoogte 1.067 meter) zo snel mogelijk kan afraffelen.

Toen Bonsen begon, liep de wereldtop al onder de 13 seconden, terwijl geen Nederlandse atleet de barrière van 14 seconden had geslecht. Haar eigenzinnige aanpak bracht Korving zeven jaar geleden tot 13,15. ‘Ik ben begonnen met niks. Gewoon mouwen opstropen en beginnen. Het gaat niet om trainingsstages in Zuid-Afrika en Kenia, om lease-auto’s, of om Nike-pakjes. Het gaat om hartstocht, om de drive.’

Die passie mist Bonsen bij de huidige groep hordelopers. Hoe vaak ze ook roept dat ze te laks zijn, ze weigeren de inzet te tonen die zij verlangt. ‘Samen de finale van de Olympische Spelen halen, dat is de drive. Goeiemorgen, wat je daar niet voor moet doen. Je moet beuken, het hele jaar. Dat gebeurt niet. De jongens zijn te gemakkelijk. Dus ik heb een kordaat besluit genomen.’

Bonsen stopt. Na de EK in Göteborg zal haar leven niet langer in het teken staan van de atletiek. Ze gaat ‘naar de zonnebloemen’, waarmee ze bedoelt dat ze met haar echtgenoot gaat reizen in zuidelijke streken van Europa. Alleen als ze in Nederland is, zal ze nog eens per week training geven aan meerkampster Karin Ruckstuhl, de nummer twee van de afgelopen WK indoor.

De smeekbede van haar hordelopers heeft ze niet gehonoreerd. Van der Westen, Gregory Sedoc en Virgil Spier hopen, ondanks de uitbranders die ze hebben gekregen, ook een keer in de week training te krijgen.

Bonsen, die tijdens het EK oma hoopt te worden, twijfelt over het verzoek van haar mannen. ‘Ik smelt als ik in hun ogen kijkt. En wat is nou een keer per week?’ Anderzijds voelt ze de behoefte consequent te zijn. Ze wil haar atleten laten voelen dat succes ze niet zal komen aanwaaien. Ze kan de laksheid en gemakzucht, die ze ook bij andere Nederlandse atleten bespeurt, niet uitstaan. Want alleen met werklust kan een tekort aan natuurlijk talent worden gecompenseerd.

‘Ik wou dat er eens zo’n kleine Chinees bij mij langskwam’, verzucht ze als wereldrecordhouder Xiang Liu ter sprake komt.

‘Ik ga 5 centimeter over de horden’, zegt Van der Westen, wiens persoonlijke record (13,43) meer dan een halve seconde langzamer is dan het wereldrecord dat Liu onlangs verbeterde tot 12,88 seconden. ‘Bij Liu is er nauwelijks ruimte. Er kan er nog geen bamisliertje tussen.’

‘Marcel is een stijve hark’, zegt Bonsen.

De trainster vindt dat haar atleten hun tijd verlummelen. Zij vergelijkt hun mentaliteit met de hare. Onlangs is ze begonnen met golf. Vijf minuten voor haar les begint, staat ze klaar. ‘Voor zo’n koude-thee-training moet ik 25 euro neertellen. Dan ga ik toch niet, terwijl zo’n man zit te wachten, een beetje staan inzwaaien. Ik zorg dat ik dat al heb gedaan.’

Haar hordelopers, die eerder deze maand met gemak eerste, tweede en derde werden bij de NK, zouden volgens haar hetzelfde moeten doen. In plaats daarvan lopen ze tijdens de warming up te voetballen of te dollen. ‘Op een gegeven moment denk je: ik blijf toch niet grommen. Als je drie keer in de week twee uur bij mij traint en je maakt daar elke keer anderhalf uur van, dan loop je per jaar dus tientallen uren aan trainingsarbeid mis.

‘In Nederland ben je al gauw wat. Bij de NK werd ik gefeliciteerd, omdat ze weer een, twee en drie waren. Dan word ik al droef. Dat is geen felicitatie waard. Het klinkt misschien uit de hoogte, maar dat kan ik nog wel jaren volhouden. Ik wil verder.

‘Ik denk niet dat ze voldoende beseffen wat er nodig is om aan de top te komen. Kijk, als je je maar net kwalificeert voor de EK, of het zelfs niet haalt, dan wordt het bereiken van de finale van een WK en de Olympische Spelen heel moeilijk. Het is heel moeilijk op een rijdende trein te springen, als je eraf bent gekukeld.’

Afgelopen winter voorspelde Bonsen al dat haar hordelopers een terugslag zouden krijgen. Tot haar spijt is die voorspelling uitgekomen. ‘Ik heb ook andere trainers gepolst. Zij vonden de jongens ook gemakzuchtig. Ze dachten: het gaat wel. Gregory gaat al jaren naar alle toernooien, nu ook weer naar het EK.

‘Marcel was er vorig jaar ineens weer. Na twee jaar waarin niemand in hem geloofde liep hij 13,43. Dan staat de wereld op zijn kop. Dan denkt de hele wereld dat het wat met je wordt. Dan ben je errug tevreden met jezelf hoor. Terwijl het dan pas begint!’

Het boeken van progressie is, afgezien van het plezier dat ze heeft in training geven, altijd haar drijfveer geweest. Als haar atleten 13,20 hadden gelopen, was ze met liefde doorgegaan tot de Olympische Spelen van Peking. Dat haar inzet nauwelijks wordt beloond (maandelijks verdient ze 900 euro bruto voor werkweken van ruim 20 uur) deert haar nauwelijks. Tot drie jaar geleden verdiende ze helemaal niets. Bovendien gelooft ze dat soberheid een voorwaarde is voor prestaties.

‘Atleten krijgen teveel. Ze worden in de watten gelegd en aan luxe ga je echt ten onder. Als ik het in de Nederlandse atletiek voor het zeggen had, zou ik een heleboel mensen niets geven.

‘Alleen de atleten met een drive zouden geld krijgen, de mensen die niet te houden zijn. Dat zijn er een stuk of vijf. Nee, ik ga geen namen noemen. Maar Simon Vroemen (Europees recordhouder steeplechase) hoort erbij.’

Toch houdt Bonsen van de atletiek. Ze zal haar jongens missen als ze straks is gestopt, of als haar betrokkenheid tot één training per week beperkt blijft. Misschien, denkt ze, is dat laatste wel beter. Het is niet uit te sluiten dat de chemie tussen haar en haar hordelopers is uitgewerkt. Ergens hoopt ze dat Van der Westen, Sedoc en Spier zelf hun verantwoordelijkheid nemen.

‘Ik heb nog iets voor je meegenomen’, roept ze Van der Westen toe. Uit haar handtas haalt ze een beduimeld stukje krant, met daarop een uitspraak van Andre Agassi. ‘Een goede coach kan je op het niveau brengen waar je hem niet meer nodig hebt.’

‘Die laat ik op een tegeltje zetten’, reageert Van der Westen. Of hij het spottend of oprecht bedoeld, is onduidelijk. Maar Bonsen staat er niet lang bij stil. Ze gebaart beslist dat hij terug moet naar de baan, naar de horden. En ze prikkelt hem glimlachend met een vileine vraag. ‘Wat denk je dat er nodig is om straks in Peking in de finale te komen? 13,10? Nou, over die hekken dan.’

Meer over