Grondlegger van het moderne damspel

Iser Koeperman, de maandag overleden oud-wereldkampioen dammen, dwong respect af door met zijn gestroomlijnde, glasheldere spel zijn eerste vijf WK-matches te winnen....

Nog geen zestien jaar oud was ik toen ik door twee journalisten van een regionale krant door de mangel werd gehaald. Met het nodige trekwerk wist het duo mij de uitspraak te ontlokken dat ik mijzelf ‘eigenlijk’ de beste dammer ter wereld vond.

Er was slechts één speler voor wie Tonnie Sijbrands, net (senioren-)kampioen van Noord-Holland geworden, desnoods nog wel een uitzondering wilde maken: Iser Koeperman. Afgelopen maandag overleed de oud-wereldkampioen op 83-jarige leeftijd.

Hoe onbezonnen mijn uitspraak van 41 jaar geleden ook was, zij zei wél iets over het onmetelijke respect dat velen, 15-jarige blagen niet uitgezonderd, de sterkste dammer over de periode 1958-1968 toedroegen. Dat respect had Koeperman afgedwongen door zijn eerste vijf WK-matches overtuigend te winnen.

Zo versloeg hij in 1958 de Canadees Deslauriers (18-22). In 1959 prolongeerde hij zijn titel ten koste van de Nederlander Van Dijk (27-13). En toen Koeperman in het WK 1960 zijn jongere landgenoot Sjtsjogoljev voor moest laten gaan, stelde hij in de revanche-match orde op zaken: 18-22.

Vier jaar later voltrok zich hetzelfde scenario, met dít verschil dat Sjtsjogoljev, de winnaar van het WK 1964, in hun tweede match alle hoeken van het bord te zien kreeg: 26-14. Maar zelfs de kansrijk(er) geachte Andreiko zag zijn eerste aanval op Koepermans troon (1967) gedecideerd afgeslagen. Pas met Andreiko's overwinning (juni 1968) bij het WK in Bolzano kwam er een einde aan Koepermans hegemonie.

Maar het waren niet alleen zijn sportieve successen waarmee Koeperman roem oogstte, ook zijn speelstijl werd bewonderd. Met zijn gestroomlijnde, heldere positiespel legde hij de basis voor het spel zoals dat ook in onze dagen gespeeld wordt. Op die speelstijl heeft men wel eens het etiket ‘wetenschappelijk’ trachten te plakken, al heb ik nooit geweten wat daar nu mee bedoeld werd. Wat ik wél weet is dat Koeperman óók in speltypes waarin het op puur improviseren aankomt, meestal feilloos de juiste weg vond.

Overigens: de helderheid en rechtlijnigheid die zo kenmerkend voor Koepermans partijen zijn, was in zijn leven ‘naast’ het dambord ver te zoeken. De Oekraïner, die in de jaren zeventig naar Amerika emigreerde, manifesteerde zich steeds nadrukkelijker als een ‘ritselaar’. Daarbij ging het nu eens om betrekkelijk onschuldige ‘vergrijpen’ (zoals afgesproken remises met collega’s), dan weer om ‘regelingen’ die wel zeer haaks op de sportieve ethiek stonden.

Maar misschien doet het er ook niet al te veel toe. Wat telt zijn de vele prachtige partijen die Koeperman heeft nagelaten en waarmee hij tot in lengte van dagen zal voortleven.

Meer over