Gezocht: renners met een goede sprint in de benen

Een renner van Rabobank was donderdag de snelste van het Tourpeloton. Het was Oscar Freire uit Spanje. Sprinters uit Nederland laten nog minstens zeven jaar op zich wachten....

Van onze verslaggever Mark Misérus

De Rabobank-ploeg kon donderdag haar geluk niet op. Na vier etappes en een proloog was een renner in het oranje-blauw er eindelijk in geslaagd de beste sprinters ter wereld het zwijgen op te leggen. Maar het zal nog jaren duren voordat er een Nederlandse Oscar Freire opstaat.

De laatste sprinter die Frans Maassen zag fietsen in de opleiding van Rabobank, was Theo Bos. De ploegleider moet diep in zijn geheugen graven om tot deze ontdekking te komen. Bos is al ruim vijf jaar als wielrenner op de baan actief. Hij liet zich op het indoor-ovaal vier keer tot beste van de wereld kronen.

De rappe mannen op de laatste meter zijn uitgestorven in Nederland. Na Jeroen Blijlevens, die in vier etappes de snelste benen had, zijn er geen sprinters meer opgestaan. Hans Dekkers werd bij Rabobank beschouwd als de snelste van alle neo-profs. Hij stapte over naar het Franse Agritubel, maar is (nog) niet goed genoeg om Protour-wedstrijden te kunnen beslissen.

Steven de Jongh kan dat wel, maar hij heeft zichzelf bij Quick Step weggecijferd voor Tom Boonen, een van de snelste coureurs ter wereld. Max van Heeswijk, door Discovery Channel thuisgelaten, kan volgens Maassen een goede sprinter worden. Maar de Limburger is al 33.

Rabo-scout Piet Kuijs weet uit de eigen opleiding geen talent te noemen dat snelheidsduivels als Blijlevens en Jean-Paul van Poppel moet doen vergeten. Huub Duyn kan ‘een leuk stukje sprinten’, maar is pas 21. Hij kan etappes winnen in koersen als Olympia’s Tour, maar het is de vraag of hij Dekkers ooit voorbijsnelt.

‘We hebben het niet goed gedaan’, zegt bondscoach Egon van Kessel over de manier waarop de wielerunie KNWU en Rabo de afgelopen jaren zijn omgegaan met beloftevolle sprinters. Nadat Joop Zoetemelk het land had vervuld met trots, werden handenvol geld uitgegeven aan het opleiden van klassementsrenners. Van Kessel: ‘De sprinters hebben we links laten liggen.’

Volgens Kuijs beschikt Nederland over een grote lichting talentrijke, snelle renners, maar zijn ze door het gebrek aan aandacht nooit opgemerkt. Van Kessel zegt dat ze wel zijn ontdekt, maar dat ze op jonge leeftijd nooit een kans is geboden. ‘Daarvoor steek ik de hand in eigen boezem. Dat zouden meer mensen moeten doen.’

Hoewel Nederland sinds Joop Zoetemelk (1980) geen Tourwinnaar meer heeft afgeleverd, durft Van Kessel niet te beweren dat de KNWU en ’s lands grootste wielerploeg het verkeerde plan hebben getrokken. ‘De keuze was begrijpelijk. Als je denkt coureurs voor het klassement te kunnen opleiden, moet je dat doen.’

Aan de einduitslagen van grote ronden is niet af te lezen dat terecht is geïnvesteerd in het bergop laten rijden van Hollands talent. De beste klimmer van Rabobank is de Deen Michael Rasmussen, die vorig jaar de bolletjestrui naar Parijs bracht. Pieter Weening uit het Friese Harkema won in dezelfde Tour de etappe naar Gérardmer, maar is nog geen kandidaat voor het bergklassement.

Volgens Van Kessel zijn sprinters en tijdrijders gemakkelijker op te leiden dan klimmers. Die moeten naar een land met reliëf verhuizen en jaren in zichzelf investeren om fatsoenlijk een col over te komen. Nederlandse sprinters zijn minder beperkt, zegt de bondscoach.

Volgens Kuijs wordt een sprinter geboren. Hij maakte Robbie McEwen mee bij Rabobank, voordat de Australiër in de Tour twee groene truien veroverde. ‘Toen al kon je aan hem zien dat hij een bepaald talent bij zich droeg om heel hard te fietsen. Dat hij net als onze neo-prof Robert Geesink zijn klimcapaciteiten van moeder natuur heeft gekregen.’

Nederlanders kunnen sneller tot sprinters worden gevormd. Ze zijn niet zo iel en fragiel als de Zuid-Europese klimgeitjes en lijken daardoor gemaakt voor de strijd op de laatste meters. Een goede spurter beschikt immers over een stevig onderlichaam.

Tom Boonens achterwerk is voller dan dat van alle andere renners. Hij heeft benen als kabeltrossen. Petacchi, Zabel en Cippolini zijn net zo gebouwd. Er wordt beweerd dat een spijker krom kon worden geslagen op de dijbenen van Jan Raas.

Anderzijds biedt een vlezig onderstel geen garantie voor succes. De benen van Theo Bos zijn gespierd, maar vooral lang. Zijn lijf is in verhouding. Van Kessel noemt hem ‘de rapste man ter wereld in het lichaam van een tijdrijder’. Als Bos de overstap maakt naar de weg, kan hij volgens de bondscoach binnen een jaar massasprints winnen.

Om de grote achterstand op sprintlanden als Italië in te lopen, heeft de wielerunie een plan geschreven. Er worden nieuwe programma’s ontwikkeld om snelheid te kweken. Renners met spurtpotentie uit de juniorenploegen moeten vaker deelnemen aan eendagswedstrijden, bij voorkeur in België, om te ervaren hoe de prijzen in de chaotische slotfase worden verdeeld.

Een selectie van baan- en wegjunioren wordt bijeengebracht om zo de beste sprinters te laten samenwerken. Ze moeten van elkaar leren en vooral sneller worden. Volgens Van Kessel mag er pas over zeven jaar resultaat worden verwacht. Tot die tijd blijft het uitzien naar nieuwe Blijlevens en Van Poppels.

Meer over