Gestopt, maar niet van harte

'Wrevelig en kriebelig' is Gerard Nijboer. Nederlands beste marathonloper ooit, Olympisch tweede in Moskou (1980), Europees kampioen in 1982 en nog steeds nationaal recordhouder, heeft zijn loopbaan vanwege een slepend fiscaal conflict geruisloos moeten beëindigen....

HANS VAN WISSEN

'Soms loop ik met een kameraad, die eigenlijk een goed hinkstapspringer had willen worden, op de Dwingeloër heide. Geen kip op die hele grote vlakte. Je zegt niets en toch zijn het emotionele momenten. Spreken is overbodig geworden. Je kunt alleen maar denken: 'Dit is het; het leven is goed.'

Gerard Nijboer, 41 jaar, is gestopt. En tegelijk ook niet. Het zit er een beetje tussenin. Hij doet mee in de loop ter nagedachtenis van Gerard Tebroke. Hij zegt dat het lopen hem minder in het lijf zit dan Jan Knippenberg, die ook al overleden is. Hij had gedacht: 'Als het eenmaal met de grote toernooien is afgelopen, dan duik je de groentetuin in en breng je keurig de kinderen naar school.' Maar Nijboer is niet spoorloos geworden. Nog steeds komen in Uffelte nieuwe dingen op hem af. 'Het is grappig hoe telkens weer de steentjes in elkaar vallen.'

Minder grappig is dat hij door een slepende fiscale kwestie over de status van verdienende 'amateursporters' niet heeft kunnen afronden waaraan hij zeventien jaar geleden als bedeesde adolescent begon.

'Ik had een hekel aan sport. Was je niet sterk en goed, dan werd je buitengesloten. De eerste schooldag in Raalte was een apenkudde die de rangorde van lichamelijke kracht nog moet vaststellen. Ben je sterk? Het was meteen knokken. De grote jongens, daar begon ik al niet eens aan, voor mij werd het een gevecht tussen de zwakkeren en zelfs daarin hield ik me nauwelijks staande. Wie weet is dat uiteindelijk mijn motivatie geweest om ergens goed in te worden.' (okt. 1980).

Nijboer werd de beste marathonloper die Nederland ooit kende. In 1980 tweede bij de Olympische Spelen van Moskou, twee jaar later Europees kampioen. Zijn Nederlands record en toenmalig Europees record van Amsterdam 1980 (2.09.01) is nog steeds niet verbeterd. Hij heeft er steeds in alle bescheidenheid over gesproken. Twijfelde aanvankelijk zelfs of de afstand wel juist was opgemeten. Later verdween de twijfel, kreeg zijn serene karakter duidelijker contouren. Maar woede of diepe geraaktheid zag niemand. Zijn weloverwogenheid en gevoel voor deugd werden hooguit iets aangescherpt.

Zelfs in de huidige malaise binnen de atletiekunie blijft hij terughoudend, beheerst. 'Het is te gemakkelijk om de voorzetten in te koppen. Het nieuwe speerpuntenbeleid is natuurlijk willekeur, maar ik ben geen partij. Het is bijna een totalitair systeem, waarin personen nog slechts pionnen zijn. In dat systeem zou ik zelf waarschijnlijk ook als bondscoach falen. Ik hoop dat het nog allemaal eens ten goede keert.'

'In Guatemala liepen die armoedige dorpjes helemaal uit. Maar de wedstrijd werd door de staat georganiseerd en dat was natuurlijk een kwalijke zaak. Ik moest ervoor en erna met de vice-president op de foto. Hij vroeg me naar mijn mening over het land en ik sprak me daar tot zijn teleurstellig duidelijk over uit. Ik heb er een Belgische priester gesproken die zei dat niet alle terreur van de staat kwam maar dat vele verdwijningen en moorden particuliere organisaties toegerekend moesten worden. In de kranten zag je foto's van mensen met een levensgroot gat in hun lichaam. Dus je stelt jezelf steeds maar vragen.' (okt. 1980).

Vragen had Nijboer ook over de Olympische Spelen van Moskou waar hij tot zijn eigen verbazing een onvoorstelbare prestatie zou leveren. De helft van de Hollandse sportbonden boycotte de Spelen, zich aansluitend bij de oproep van de Amerikaanse president Carter. Nijboer vond die oproep tamelijk hypocriet. De Russen waren Afghanistan binnengevallen maar wat haalde de Verenigde Staten allemaal niet uit in Latijns Amerika?

Begin dat jaar had hij in Amsterdam een Europees record gelopen, 2.09.01. Dat kan niet, was zijn eerste reactie geweest. 'Science fiction' zoals zijn vriend en collega Henk Mentink het zou noemen. Het was een onwerkelijke ervaring, een lange vrije vlucht, een tocht door het onbewuste. Zeven minuten sneller was hij dan in zijn eerste twee officiële marathons.

Met gemengde gevoelens ging hij dat jaar naar de Spelen. Waar hij ook nog eens overvallen werd door koorts en buikloop. In drie dagen viel hij, die zwaarste loper uit het peloton, overal ook herkenbaar vanwege zijn uitzonderlijke lengte, drie kilo af. En daarbij kwam nog de publicitaire rel rond chef d'equipe Derks die de Nederlandse atleten als een stelletje slapjanussen betitelde.

Zonder enige fiducie ging hij van start, hij hoopte bij de eerste vijftien te komen. Maar hij was lichtvoetiger dan ooit. Toen de Mexicaan Gomez ervandoor ging, bracht hij de aansluiting tot stand. Hij wierp aldus de overwinning in de schoot van de Oostduitser Cierpinski die het initiatief kon overnemen. De brave Nijboer stond versteld van het raffinement dat zelfs toen al aan de dag werd gelegd. De DDR-loper veegde ruw het drinken van tafel dat bij een verversingspost voor Nijboer was klaargezet.

'In Moskou schommelde het tempo verschrikkelijk. Een paar keer versnelde ik, want ik dacht: als het mis gaat door die darmen, moet ik me toch even hebben laten zien voor de camera. Ik bekijk altijd mijn kansen. Het is een soort non-verbale communicatie. Je kijkt elkaar een keer aan en je leest van iemands gezicht af of hij moe is. Je deelt plaagstootjes uit, zo van: hoe zitten jullie? Alleen Cierpinski liet zich door niemand intimideren, die had maar één punt voor ogen. Hij was de beste.'(okt. 1980).

Nijboer was bejaardenverzorger en werd sociaal-geneeskundige bij het RIAGG. Nog onlangs werd hem door een collega op z'n werk gevraagd: 'Hoe zit het nu, wanneer loop je je volgende marathon?' Hij heeft zijn loopbaan niet kunnen voltooien. Zelfs de Belg Dirk VanderHerten benijdt hij enigszins. Die werd tenminste in Brussel een hartelijk afscheid bereid. 'Het staat slordig,' zegt hij, 'het is niet af. Nu er nog steeds zo veel op me afkomt, is het minder lastig. Maar ik heb het heel onprettig gevonden. Het idee van: er wordt me iets onthouden, ik heb toch het recht op een afscheid.'

Maar het kon niet, om twee redenen. Hij had in Barcelona (1992) zijn laatste grote marathon willen lopen. Gedurende zijn gehele loopbaan hield hij vol dat het hem om de grote titeltoernooien ging en niet per se om de lucratieve lopen. Het was ook opvallend dat hij in de uitgesproken geldraces zelden op zijn best was. Een hommage aan zichzelf was hem echter in Barcelona niet vergund. Hij heeft nog steeds de idee dat de KNAU daaraan schuldig is. 'Het NOC verwijt ik tenminste niets, want ik heb altijd de indruk gehad dat het NOC graag marathonlopers bij de Olympische Spelen heeft.'

Een limieten-kwestie was er ook al in 1988, voor de Spelen van Seoul. Nijboer ontweek in Amsterdam loslopende honden, vastzittend verkeer, opgebroken tramrails en kwam uit op 2.12.38. Die 38 seconden waren er 38 te veel want de Olympische limiet stond op 2.12. Dat hij als winnaar de Tsjech David, later vijfde in Seoul, zes minuten achter zich liet, speelde bij de afweging uiteindelijk geen rol. Het was voor Nijboer het bewijs hoe weinig door de KNAU van de marathon begrepen werd. In welke marathon nam de winnaar tenslotte nog ooit een zo grote voorsprong? 'Het was ellendig want ik wist dat ik een dijk van een wedstrijd had gelopen.'

Het afscheid in Barcelona ging dus niet door. En ook later kwam er geen mooi vaarwel. De oorzaak was het trustfonds. Toen de atletiek professionaliseerde, moesten geldverdienende atleten hun inkomsten storten in een spaarpot, beheerd door de KNAU. Ze mochten onkosten declareren, meer niet. Nijboer had consciëntieus gespaard, maar dreigde bij een definitieve aankondiging van zijn afscheid in de hoogste belastingschijf te vallen. Waar voor voetballers en artiesten allerlei spreidingsregelingen bestonden, waren die er niet voor 'amateursporters'.

Na dertien jaar besliste de Hoge Raad, dat het bedrag dat Nijboer verdiende en bij het trustfonds had geparkeerd, niet eenmalig als inkomen belast mocht worden. Maar de uitspraak was ook weer niet helder genoeg. 'Het duurt misschien nog wel dertien jaar voor de rechtspositie van amateursporters, zoals ze nog steeds heten, wel duidelijk is. Voetballers zijn onevenredig goed af.' Voetbal is de sport van zijn jeugd, hij trekt vaker parallellen.

'Ik ging met jongens wel eens naar Go Ahead, dan kon je vloeken en je afreageren, je ging niet eens zo zeer voor de wedstrijd. Het vandalisme is nu helemaal daarmee verweven. Het maakt deel uit van de verveling van de Nederlanders. Ik merk het ook aan mezelf. Als ik een dag geen zin heb om te trainen, voel ik me ellendig en verveel ik me rot. Het leven is saai zonder lopen, ik kan niet rustig voor de buis gaan zitten.' (sept. 1982)

Nijboer is in de loop der jaren weinig veranderd. Nog steeds bedachtzaam en evenwichtig, hooguit iets radicaler, meer uitgesproken, zeker ten opzichte van de atletiekunie. Zijn 'regelneef' Wim Verhoorn werd door de bond de deur gewezen; z'n coach Arend Karenbeld, 'die zijn tijd echt vooruit was', werd nooit werkelijk geraadpleegd. Zijn eigen ervaring lijkt bovendien ook teloor te gaan, zij het eerder voor de KNAU dan in andere contreien. Hij geeft lessen in bedrijfsfitness. Hij is 'autodidact' geworden 'op het gebied van schoenen en voeten'. Hij trad toe tot 'Topsupport', een initiatief om jonge talenten door ouderen wegwijs te laten maken. Bij het Olympisch steunpunt Noord-Nederland werd hij betrokken. 'Fascinerend is het ook' om ploegleider te zijn bij de Europese Jeugd Olympische Dagen.

De miskleunen in zijn loopbaan staan hem helder voor ogen. Door het Olympisch zilver van 1980 kwam hij in een maalstroom, hij werd geleefd. Het was de reden waarom hij naar New York ging, hij was het overzicht even kwijt. De overmoed werd natuurlijk bestraft.

Drie jaar later was hij voor het eerste atletiek-WK, in Helsinki, wél 'in bloedvorm'. Maar hij verzuimde goed warm te lopen en had extreem 'koolhydraten gestapeld'. Een jaar na het Finse fiasco straalde hij bij de Olympische Spelen van Los Angeles opnieuw die weergaloze beheersing uit. Dat was heel speciaal bij Nijboer, aan zijn stem was te horen en aan zijn blik was te zien dat iets bijzonders stond te gebeuren. Maar een garantie was het dus niet.

Hij had begin dat jaar in de marathon van Los Angeles 2.10 gelopen, terwijl hij eigenlijk alleen het Olympisch parcours wilde verkennen. Daarna liep hij Amsterdam, het was ook al weer te veel, een taxatiefout. Kortstondig was hij bij de Spelen in Los Angeles als koploper te zien, maar al te spoedig doofde de vlam. Misschien was de jetlag nog niet overwonnen. Dat trascendente gevoel van eerdere overwinningen stond op zijn gezicht maar toen het erop aankwam moest hij met bloedend hart opgeven. In het najaar won hij Columbus. Maar niemand die daar ophef van maakte.

'Door blessures heb ik geleerd hoe kwetsbaar je als topsporter bent. Het kan elk moment afgelopen zijn, dat zie je links en rechts om je heen. Iemand als Gerard Tebroke heeft niets voor zijn prestaties teruggekregen. Dat was heel bizar in Moskou. Hij zei: hier loop ik naast je, met niks. En hij lachte op zijn nuchtere, eigen manier. Hij genoot van mijn prestatie, terwijl hij zelf in zak en as zat. De topsport is een bepaalde gedragscode. Je weet dat je als een baksteen kunt vallen. Je moet je dat van tevoren bewust maken.'(juli 1983).

Het was Nijboer niet in de eerste plaats te doen om Amsterdam of Columbus, het ging hem tot het laatst toe om het presteren bij grote titeltoernooien. Daarom heeft hij ook bewondering voor iemand van de huidige generatie als Gerard Kappert, die liever dertigste wordt bij een EK dan eerste in een nationale wedstrijd.

Welke opdracht hij morgen in Amsterdam zal vervullen, bleef tot het laatst ongewis. Hij werd gevraagd Adidas te vertegenwoordigen, dan wel voor Sport 7 op te treden of John Vermeule te begeleiden. Misschien kiest hij wel voor het laatste. Bij het loodzware EK 1991 in Split, dat voor zoveel Europese lopers een breuk in hun carrière werd, was er een valpartij waarvan Vermeule de dupe werd. Indirect had Nijboer daar schuld aan. Bij een andere gelegenheid wierp Nijboer achteloos een fles drinken weg die Vermeule in het kruis trof. 'Ik heb hem dus een paar keer uit de strijd gehaald, door lullige dingen. Het overkwam uitgerekend hem, steeds weer. En dan neig ik ertoe om iets goed te maken.

'Ik ben alleen kriebelig, wrevelig over het feit dat ik op mijn eeneenveertigste nog niet echt aan mijn toekomst kan werken. Als ik ergens voor wordt gevraagd, kan ik nog steeds niet zeggen of Nijboer een eigen bedrijfje heeft of dat inkomsten afgedragen moeten worden aan dat trustfonds. Het is volstrekt onduidelijk, de regels ontbreken. De overheid is ten opzichte van ons tekort geschoten. Maar ja, wie ben ik om te klagen? De kachel doet het, de kinderen zijn thuis. En er zijn belangrijker problemen in de wereld.'

'Niemand heeft het lijden werkelijk gezien. Niemand weet hoe mijn krachten in Athene afnamen en de zenuwen door mijn keel gierden. Je loopt op je tandvlees maar je mag het je tegenstanders niet laten zien. Iedere marathon laat een litteken na. Maar als het ooit afgelopen is, zal ik niet gedeprimeerd raken. Dan weet ik een mooie tijd gehad te hebben.' (aug. 1993).

Meer over