sport

Geen medailles in de sneeuw, maar wel perspectief: ‘Wat we hier gebracht hebben is wel wereldtop’

Medailles waren er niet, maar nog nooit had Nederland drie sneeuwsporters in de top-10. De financiering van skiërs en snowboarders blijft lastig in een land zonder bergen.

Dirk Jacob Nieuwboer
Snowboardster Melissa Peperkamp in actie op het onderdeel Big Air.  Beeld Klaas Jan van der Weij
Snowboardster Melissa Peperkamp in actie op het onderdeel Big Air.Beeld Klaas Jan van der Weij

Eén goeie sprong had snowboarder Niek van der Velden nog nodig. Dan had hij misschien wel een medaille gehaald bij het onderdeel Big Air. Het zou de eerste Nederlandse olympische sneeuwmedaille zijn geweest sinds het goud op de parallelreuzenslalom van Nicolien Sauerbreij in 2010, maar helaas ging hij onderuit bij de landing.

De 21-jarige Brabander bleef steken op een prima zesde plek. Net als Melissa Peperkamp (17), die verraste met haar beste uitslag ooit op dit onderdeel. ‘Dat wij als klein landje zonder bergen meedoen, vind ik zo vet’, zei Van der Velden blij na afloop.

Geen opvolger Sauerbreij

Waar staat dat landje zonder bergen nu in de sneeuwsporten? Nicolien Sauerbreij zette in 2010 de gouden standaard. Zij liet zien dat je ook als Nederlander op de piste mee kunt doen in de top. Twaalf jaar later heeft ze nog geen opvolger. Toch werd op deze Spelen een uniek resultaat geboekt: niet eerder werd drie keer de top-10 gehaald.

Naast de zesde plekken van freestylers Van der Velden en Peperkamp was er bij het snowboarden ook nog een verrassende vierde plek van Michelle Dekker op de parallelreuzenslalom. Alleen snowboardcrosser Glenn de Blois viel tegen met een 28ste plek en voor skiester Adriana Jelinkova liepen de Spelen door coronaperikelen uit op een drama. Skiër Maarten Meiners haalde daarentegen wel een knappe 18de plek bij de reuzenslalom.

‘Ik ben meer dan tevreden’, zegt Wopke de Vegt, technisch directeur van de Nederlandse Skivereniging, dan ook. ‘Ik denk dat wij bijna alles eruit hebben gehaald wat eruit gehaald kon worden.’

De top is sinds 2010 dus breder geworden, maar Nicolien Sauerbreij ziet dat er sinds haar gouden medaille één ding niet is veranderd. Net als in haar tijd blijft het geld voor veel sneeuwsporters een probleem. ‘Het moet ergens vandaan komen hè, al die reizen ernaartoe. Michelle Dekker zei dat het haar 30-, 40 duizend euro per jaar kost, nou, ik denk dat het veel meer is.’

Bij elkaar scharrelen

Dekker is een van de sporters die het de afgelopen jaren zonder financiële ondersteuning van het NOCNSF heeft moeten doen. Maarten Meiners kreeg wel geld van de skivereniging, maar ook hij moest het grootste deel van zijn budget zelf bij elkaar scharrelen.

A hell of a job’, erkent De Vegt. ‘Ons Nederlandse systeem is zo ingericht dat het geld komt na de prestatie. Zeker als je jong bent, moet je alles zelf regelen en gaan alle spaarcenten in de sneeuw.’

Met de prestaties van Dekker en Meiners op zak, gaat hij na de Spelen aankloppen bij het NOCNSF. Hij hoopt dat de sportfederatie de twee opnieuw – eerder kregen ze al wel geld – gaat ondersteunen zoals ze nu ook doet met Jelinkova en De Blois.

Voor de freestyle snowboarders is er daarnaast een apart potje, omdat die discipline na de Winterspelen van Sotsji door het NOCNSF is uitgeroepen tot speerpunt. Naast schaatsen en shorttrack zou die zich moeten ontwikkelen tot een ‘derde medaillesport’. Vorig jaar kwam de bijdrage van het NOCNSF neer op ongeveer 350.000 euro.

Jonge freestylers

Naast Van der Velden en Peperkamp zijn er nog een aantal jonge freestylers die in de toekomst mogelijk mee kunnen doen op een hoog internationaal niveau. Bij de andere snowboarddisciplines en het skiën is dat minder het geval, daar komt het vooralsnog aan op eenlingen die met enorm veel doorzettingsvermogen en eigen geld de top weten te halen.

‘Er blijft natuurlijk een verschil met balsporten of schaatsen’, zegt De Vegt, ‘daarbij zijn een heleboel dingen al automatisch geregeld. Bij sneeuwsporten is dat volume er gewoon niet, daar komt er meer aan op persoonlijk initiatief.’

Sauerbreij ziet de risico’s daarvan. Talenten haken volgens haar daarom onnodig af. ‘Iemand mag best wel knokken, maar ze moeten niet het gevoel hebben dat ze alles zelf moeten betalen.’

En haar grootste frustratie is misschien nog wel dat er zulke hoge eisen worden gesteld. Om aan de Spelen mee te mogen doen, moeten sporters bij wereldbekers één keer de top-8 halen of twee keer de top-16. Vooral voor alpineskiërs is dat heel erg lastig.

‘Ik ben echt niet voor pamperen’, zegt Sauerbreij, ‘maar je moet opboksen tegen landen waar wel een hele structuur is. Als je alles zelf moet regelen en financieren, gaat dat natuurlijk ten koste van de prestatie.’

Dubbele strop

Het NOCNSF zou volgens haar moeten kiezen: vasthouden aan de eisen en vaker ondersteunen óf soepeler omgaan met de criteria. ‘Nu leggen ze dubbel de strop. En dan doen we het goed op de Spelen en staan we allemaal te applaudisseren hoe geweldig Nederland is. Ja hallo, zo lust ik er nog wel een paar.’

Voor Meiners en Dekker werd dit keer een uitzondering gemaakt. Zij voldeden niet aan de criteria, met als reden dat ze zich vanwege corona niet goed hadden kunnen voorbereiden.

De Vegt wil met het NOCNSF nog eens goed kijken naar die criteria. Zeker voor alpineskiën vindt hij die nu ook aan de strenge kant, maar hij ziet ook voordelen. ‘Het is wel een eerlijk systeem. Wij hebben strenge criteria, maar wat we naar de sneeuw hebben gebracht is wel wereldtop.’

Meer over