ENGELAND WERELDKAMPIOEN!

Engelsen hebben een diep doorleefd gevoel voor alles wat met sport te maken heeft. Niet alleen voetbal boeit hen mateloos, maar ook roeien, zoals vandaag op de Theems gebeurt, darts, snooker en een wedstrijd tussen schaapherders die met hun hond een kudde over een parkoers moeten jagen....

door Bert Wagendorp

VANDAAG roeien twee boten over de Theems in Londen. In de ene zitten acht studenten en een stuurman uit Oxford, in de andere acht studenten en een stuurman uit Cambridge. The boatrace - er is volgens de Engelsen in de wereld maar één echte roeiwedstrijd - wordt langs de kant gevolgd door een kwart miljoen mensen. Daarnaast zitten er zes miljoen met samengeknepen billen voor de televisie.

Waarom is een heel volk gefascineerd door een op zichzelf volkomen oninteressante roeiwedstrijd? Niemand die het precies weet. Maar vaststaat dat Oxford-Cambridge veel zegt over de Engelse preoccupatie met sport. De Nederlandse dooddoener 'het is maar sport' bestaat in Engeland niet.

Sport is sport, sport is van groot belang en sport hoeft niet te worden gerelativeerd.

De 21-jarige zoon van Lincoln Allison, hoogleraar politieke en internationale wetenschappen aan de Universiteit van Warwick, kwam de vorige zomer geschokt en woedend terug van het WK-voetbal in Frankrijk. Niet omdat Engeland had verloren, maar omdat hij niet begreep dat de Fransen niet blijer waren met hun titel.

'Het kon ze verdomme niks schelen', zei hij. 'Wat is er aan de hand met die mensen?'

Zijn vader wist het ook niet. Die vond de toewijding van de Fransen aan the game ook van een ziekelijk laag niveau. Goed, feestje in Parijs na het binnenhalen van de titel. Maar een dag later ging alles weer zijn gewone gangetje.

Onbegrijpelijk! Als Engeland nou eens wereldkampioen was geworden! Dat zou de hele Engelse maatschappij een ander aanzien hebben gegeven. Allison: 'We would all walk tall together!'

Geen twijfel mogelijk.

Een gewone maandagmiddag, bijna 33 jaar na de eerste (en laatste) Engelse wereldtitel voetbal. Op BBC 2 eerst een interview van dertig minuten met Alan Ball, rechtsbuiten van het kampioensteam. Dan vijf minuten journaal, en vervolgens een interview van veertig minuten met Geoff Hurst, de man die in de finale drie van de vier Engelse doelpunten maakte.

Zo laat je zien dat je zo'n titel echt waardeert en nimmer zult vergeten.

Engelsen hebben een diep doorleefd gevoel voor alles wat met sport te maken heeft. Liefde is niet het juiste woord. Aan liefde kan een einde komen, ze kan zelfs omslaan in haat. De verhouding tussen Engeland en sport gaat veel dieper dan liefde. Het is een instinctmatige fascinatie. Een religieuze verhouding misschien wel.

Een zaterdagmiddag in mei. Mijn buurman, bankier in de Londense City, komt langs voor een glas wijn in de tuin. Hij gaat de volgende dag naar Lords, voor een cricketwedstrijd, vertelt hij glunderend van de voorpret. Helaas heb ik die ochtend in deze krant gelezen dat de oorsprong van cricket in Vlaanderen ligt en helaas besluit ik dat nieuwtje aan mijn buurman te vertellen.

Na mijn mededeling kijkt hij me eerst aan alsof ik hem heb verteld dat ik zijn vrouw in een bordeel ben tegengekomen. Daarna begint hij onverstaanbare klanken uit te slaan en met zijn armen te zwaaien. Vervolgens slaat hij zijn glas achterover, zegt luid en duidelijk: 'You must be mad', en vertrekt.

Nooit meer teruggeweest en recentelijk verhuisd naar een andere woning, ver van krankzinnige bloody buitenlanders die raaskallen over cricket.

'Je pakte hem een belangrijk deel van zijn identiteit af', zegt Lincoln Allison ter verklaring van dit droevige voorval.

'Die man is bankier', zeg ik, 'vader van drie prachtkinderen, echtgenoot van een aantrekkelijke vrouw, eigenaar van twee auto's en ontvanger van één miljoen bonus per jaar. Maar zijn identiteit staat of valt met de vraag of cricket in Engeland is uitgevonden?'

Ja, zegt Lincoln Allison, die sport als een van zijn specialiteiten telt en die de halve wereld over trekt om de verhouding tussen samenleving en sport te bestuderen.

Lincoln Allison, erudiet man met groot aanzien in de wetenschappelijke wereld, begrijpt mijn ex-buurman volkomen. God nou, been there, seen it. Wembley 1966, Hurst, Ball. Wimbledon, Nastase-Smith. Engeland-West Indies, 1963.

Lincoln Allison is een sportfanaat. Hij haat bijvoorbeeld darts, maar toen Raymond van Barneveld wereldkampioen stond te worden in Frimley Green, zat Allison aan de buis gekluisterd. Geen seconde gemist. Ongelofelijk boeiend. Net als snooker en bowls. Hoe denk ik dan dat hij erbij zit als er sport op tv is, rugby, cricket of voetbal?

Dat moet helemaal hemeltergend zijn. Maar wát fascineert hem dan zo?

'Geen idee. Just sports. De competitie, denk ik.'

'Misschien', zegt hij, 'als wij een religieus volk zouden zijn, zou religie het voor ons kunnen doen. Maar wij Engelsen zijn niet religieus. Ik houd er eigelijk niet van om het te zeggen, maar ja, misschien is sport, en voetbal in het bijzonder, voor ons wel een substituut voor religie.

'Ik herinner me een vreselijk belangrijke wedstrijd van mijn club, Burnley, in 1987. We stonden helemaal onderaan in de oude vierde divisie. Laatste wedstrijd van het seizoen. Wij moesten winnen, dan was er nog een kans degradatie en het onvermijdelijke bankroet dat daaruit zou voortvloeien, te voorkomen. We wonnen na een dramatisch duel met 2-1, en na de wedstrijd hoorde je overal op de tribune die echo van de religieuze notie van verlossing. Mensen spraken over die wedstrijd als de meest spirituele ervaring van hun leven.'

Toen John Major in 1997 de verkiezingen had verloren, kondigde hij een dag later,

's ochtends, voor Downing Street 10 zijn aftreden aan. Op de vraag wat hij nu verder ging doen, zei hij dat hij die middag ging kijken naar een cricketwedstrijd en dat hij daarna wel zou zien. 'Ik ga weer leven', betekenden die woorden. Cricket en leven zijn voor John Major en veel van zijn landgenoten namelijk ongeveer identiek.

Een paar maanden later kocht Major van het voorschot dat hij ontving voor zijn autobiografie een huis vlak bij The Oval, het legendarische cricketstadion in Londen. Voor het eerst waren veel Engelsen jaloers op John Major.

IN welk ander land verschijnen zoveel boeken over sport? Alleen al over cricket en zijn helden zijn bibliotheken volgeschreven. Recentelijk verscheen de zeventiende biografie over W.G. Grace (A Life). Grace (1848-1915) was de eerste 'moderne' Engelse sportheld. Akkoord, hij speelde 43 jaar in de hoogste cricketklasse, maakte 54.896 runs, 126 centuries, bowlde 126.157 ballen en nam daarmee 2.864 wickets.

Maar zeventien biografieën? Waaronder een nieuwe van bijna vijfhonderd pagina's, 83 jaar na zijn dood?

'Heb ik er heel wat van gelezen', zegt Lincoln Allison. 'Maar die laatste nog niet. Hoe is ie? Wist je dat die Grace dokter is geworden zonder één dag op de universiteit door te brengen? Hoe hij 'm dat heeft gelapt is mij nog steeds een raadsel. Hij was ook heel goed in asperges verbouwen, W.G. Grace, wist je dat?'

Eerlijk gezegd niet, nee. Maar het is natuurlijk wel curieus en belangwekkend.

De moderne sport werd geboren in Engeland, in de Victoriaanse tijd, grofweg gedurende de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw. Op de Engelse public schools begonnen ze ermee. Ligt daar de verklaring voor de voortgaande fascinatie voor sport op de Britse eilanden? Zat ze eigenlijk altijd al in de genen, kwam ze er in die periode eindelijk uit en is ze sindsdien niet meer verdwenen?

Ligt de verklaring van het heden in het verleden? Waaróm vonden de Engelsen eigenlijk zo'n beetje alle moderne sporten uit?

Volgens de Amerikaanse schrijver Bill Bryson omdat de Engelsen in essentie het gelukkigste volk ter wereld zijn: een historie zonder politieke en religieuze schisma's van belang. Dus wat was er anders te doen dan te cricketen, ernaar te kijken en erover te praten? De Engelsen adopteerden sport omdat ze niks anders hadden te doen.

Lincoln Allison kan een heel eind meegaan in die verklaring, maar acht haar toch niet geheel sluitend. Volgens hem is de Engelse sport voortgekomen uit de ridderlijke, gentlemanly traditie in de Europese cultuur. En dan in het bijzonder uit de Engelse versie daarvan.

Sport was voor de headmasters een leerschool voor discipline en moraal, teamgeest en samenwerking. Sport leerde winnen en verliezen, beide in style.

Allison: 'Sport in die dagen stelde ook diepere vragen. Over waar het in het leven om gaat. Alleen om geld verdienen, succesvol zijn en macht veroveren? Of om een diepzinniger, oudere norm? Om hoe je je leven hebt geleefd?'

Voor de ware gentleman was geld verdienen iets ordinairs. Marcus Samuel bouwde Shell uit tot een wereldbedrijf, om daarna een meerderheidsbelang te verkopen aan de Hollandse handelaars van Koninklijke Olie. En waarom? Omdat hij volgens zijn biograaf nu eenmaal meer hield van 'paarden, tuinieren, vissen en op zijn gemak naar cricket kijken.' De wezenlijke bezigheden van een heer, kortom.

De Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz zag sport al als een verschijnsel 'waarin de diepstgevoelde waarden van een cultuur tot uitdrukking komen'. 'Sport is een verhaal over onszelf dat we onszelf vertellen.'

Op de public schools vertelden de Engelsen elkaar dat niet winnen het allerbelangrijkste was. 'It matters not who won or lost, but how you played the game'. En de bisschop van Londen schreef in 1908 geschiedenis toen hij in een kerkdienst ter gelegenheid van de Olympische Spelen die dat jaar in Londen werden gehouden, die puur Engelse sportopvatting formuleerde als 'deelnemen is belangrijker dan winnen'.

In de kerk zat Pierre de Coubertin, de vader van de moderne Spelen, die meende dat het belangrijker was een goede soundbite te stelen, dan zelf een slechte te bedenken.

En nog altijd zal elke BBC-verslaggever, of Engeland nu heeft verloren of niet, een duel evalueren op de vraag of het een 'mooie wedstrijd' was. Of de wedstrijd 'goed was voor het voetbal/rugby/cricket'. Was dat het geval, dan is zelfs een nederlaag acceptabel.

Dat Engelsen iets bijzonders hadden met sport, viel elke buitenlandse bezoeker op. De Coubertin en Pim Mulier, grondlegger van de moderne sport in Nederland, zo goed als anderen.

'Alle volkeren hebben hun sport, maar geen van de grote, moderne naties hebben die zo tot een levensregel en een nationale code gevormd als de Britten', schreef een Duitse bezoeker in de jaren twintig van deze eeuw. Sport was verantwoordelijk, dacht hij, voor 'die merkwaardig speelse en naïeve levensfilosofie', die voor buitenstaanders zo 'ongrijpbaar en onbegrijpelijk is'.

Dat was niet slecht gezien en het vormt een mooie oplossing voor de paradox van relativering en verabsolutering, waarin Engeland groot is.

ALS er één volk is dat kan relativeren, dan is het het Engelse. En wie zijn hele bestaan relatief kan beschouwen, hoeft dat niet meer te doen met een afzonderlijk deel ervan, zoals bijvoorbeeld de sport. Die kan sport met een glimlach tot de belangrijkste zaak in dit ondermaanse uitroepen en hoeft zich niet te verhullen achter typisch calvinistische verontschuldigingen als 'sport is de belangrijkste onbelangrijke zaak ter wereld'.

Die stapt oprecht woedend op als zijn buurman zijn grote liefde tot Belgisch verklaart en kan, zelfs als hij zoals Lincoln Allison hoogleraar is, zonder valse schaamte toegeven dat hij als verdoofd op de bank zat toen zijn land na penalty's van Argentinië verloor, nadat hij in de aan die tragedie voorafgaande twee uur had zitten trillen als een espenblad.

'Of ik het niet kon relativeren? Maar wat víel er in godsnaam te relativeren? We lost!'

De Engelsen zijn gefascineerd door the game, elke game, of het nou voetbal is of One Man and His Dog, waarin een schaapherder samen met zijn hond zo snel mogelijk een kudde schapen over een parkoers moet jagen - al jarenlang een immens populaire bezigheid (sport? game? spel?) op de BBC, goed voor miljoenen kijkers.

Wat volgens Allison in die fascinatie een grote rol speelt, is het Engelse talent voor identificatie. 'Als Albanië voor het WK voetbal tegen Paraguay speelt, kijken er 8,5 miljoen Engelsen uitermate geboeid toe. Je kunt geen wedstrijd bedenken, hoe obscuur ook, er kijken altijd 8,5 miljoen Engelsen geboeid toe. En binnen vijf minuten zijn die allemaal gepassioneerd pro-Paraguay! Vraag me niet waarom, maar het is zo. Het is een diepgevoelde behoefte.'

Zelfs met een herdershond kan de Engelsman zich identificeren. Of anders met de herder. Met de schapen desnoods. Maar geïdentificeerd wordt er, anders heeft sport geen zin.

Allison: 'Hetzelfde met een sport als snooker. Hurricane Higgins! Je bent of zoals ik, een tamelijk conservatieve kerel die probeert de gentleman te steunen, als er althans eentje beschikbaar is. Of je bent voor het type Higgins, dat zich van conventies niks aantrekt en dat daardoor voor veel mensen het anti-establishment vertegenwoordigt.

'Die twee stereotypes hebben wij kennelijk nodig. In het voetbal mensen als Trevor Brooking, Gary Lineker en Bobby Charlton, gentlemen en voorbeelden voor je kinderen, tegenover schoften als Tony Adams. Want wij Engelsen worden in het geheim gefascineerd door slechteriken en excentriekelingen. En waar vind je die gemakkelijker dan in de sport?'

Kom trouwens bij Sid Waddell, tegenwoordig bij Sky maar vroeger de dartscommentator van de BBC, niet aan met de verklaring dat de getatoeëerde bierbuiken in zijn sport identificatie zo gemakkelijk maken en dat daarmee de populariteit ervan wel zo ongeveer is verklaard.

Waddell zegt desgevraagd met droge ogen dat de wortels van de dartssport in Agincourt liggen, het Franse gehucht waar de boogschutters van Henry V in 1415 een Franse overmacht in de pan hakten. 'Zelfde oog-hand-coördinatie. Dus vertel me niet dat darts een dom spelletje is. Het is een zeer belangrijke sport, met diepe roots in de geschiedenis van ons land.'

Als er gerelativeerd moet worden, dan de Slag bij Agincourt zelf graag, maar niet de darters die hem wonnen, voor Koning en Vaderland.

Lincoln Allison, in een moedige poging zijn eigen verhouding tot sport kort en bondig samen te vatten: 'Of ik nou dit artikel publiceer, of dat boek, of ik nou een mooie recensie krijg, wat kan mij dat verdomme schelen? Engeland wereldkampioen! Dat is zóveel belangrijker dan wat dan ook.'

MAAR ja, Engeland ooit nog een keer wereldkampioen voetbal, de kans is klein. Dat het in 1966 één keer zover kwam, mocht al een wonder heten. Want, zegt Allison, altijd en overal speelt de oude sportopvatting van de public schools nog zijn rol. Zelfs in de vercommercialiseerde wereld van voetbal, rugby en cricket. En dat maakt winnen moeilijk.

'Als wij met rugby of cricket tegen ploegen van het zuidelijk halfrond moeten, tegen Zuid-Afrika, Australië of Nieuw-Zeeland, dan worden wij geconfronteerd met die angstwekkende wil om te winnen. Daar kunnen wij niet tegen. Die mate van concentratie, die toewijding, die kunnen wij niet opbrengen. Die boezemt ons angst in. Dat hebben we ook als we tegen Duitsland voetballen. Ergens in onze sportcultuur zit nog altijd iets van de opvatting dat het spel belangrijker blijft dan het resultaat. En dat breekt ons dan op. Want Duitsers hebben daar geen last van.'

Allison: 'Weet je wat de beroemdste Engelse zin aller tijden is?'

'To be or not to be, that is the question?'

'Nee. De beroemdste woorden ooit uitgesproken in de Engelse taal, veel en veel belangrijker dan die van Shakespeare, zijn de volgende: ''There are some people on the pitch. They think it's all over. It is now!'' Verslaggever Kenneth Wolstenholme van de BBC, in de slotseconden van de WK-finale van 1966, toen Geoff Hurst zijn derde doelpunt maakte. De meest triomfantelijke uitspraak ooit. Maar wel geuit met typisch Engelse zelfbeheersing, en juist daardoor zo verschrikkelijk krachtig. Wolstenholme heeft nog geprobeerd er patent op aan te vragen, maar ze vonden drie zinnen geloof ik te weinig voor copyright.'

De vraag naar het waarom van de Engelse fascinatie voor sport zal nooit geheel bevredigend worden beantwoord. Ze heeft te maken de Engelse klassenmaatschappij, waarin competitie ingebakken zit. Ze heeft te maken met diep gevoelde loyaliteit jegens de stad of streek van herkomst, met liefde voor traditie, met gebrek aan andere goden.

Sommigen beweren dat liefde voor sport voortkomt uit dezelfde bron als de Engelse voorkeur voor een fijne veldslag, for a jolly good fight.

Maar in geen ander land behoort sport zo tot de nationale identiteit als in Engeland, zoveel is zeker.

'Het verschil tussen Engelsen en Fransen', zegt Allison, 'is dat de Fransen graag zouden uitblinken in literatuur en filosofie, maar goed zijn in koken en voetbal. Terwijl de Engelsen, die heel erg goed zijn in literatuur en filosofie, er de voorkeur aan zouden geven de besten te zijn in voetbal en koken.

'De artistiek-intellectuele scene in het Engeland van de jaren negentig is natuurlijk veel opwindender dan die in Frankrijk. Maar dat kan ons eerlijk gezegd niets schelen. Als we voor de keuze gesteld zouden worden: óf alle schrijvers en kunstenaars doodschieten, óf Engeland wereldkampioen voetbal, geloof ik niet dat hier ook maar iemand zou aarzelen. Doodschieten, natuurlijk!'

Prof. Lincoln Allison klinkt alsof hij zelf met vreugde de trekker zou overhalen.

Meer over