Eindstation voor sporter in nood

Er gaat geen week voorbij of de naam van het CAS valt. Het internationale arbitragehof van de sport is een onmisbaar instituut geworden, vinden ook de critici....

De onstuitbare groei van het CAS wordt misschien wel het best geïllustreerd door de verhuizing die het internationale arbitragehof van de sport overweegt.

Het Château de Béthusy is een schilderachtig gebouw, gelegen aan de Avenue de Beaumont van de Zwitserse stad Lausanne. Maar hoe idyllisch de locatie ook is, het werkpaleis van het Court of Arbitration for Sport dreigt uit zijn voegen te barsten.

‘Vorig jaar werden 313 zaken aangespannen bij ons, dit jaar gaan we er ruim overheen’, zegt Matthieu Reeb, de secretaris-generaal van het tribunaal. Het kasteel heeft één rechtszaal, twee kamers waarin partijen zich kunnen terugtrekken en een bibliotheek. Soms, bij verhoren van meer dan twintig personen, moet worden uitgeweken naar een hotel in de buurt.

De lijst met bezoekers die zich sinds de oprichting in 1984 heeft opgebouwd, is lang. De Iers-Nederlandse zwemster Michelle de Bruin-Smith vocht als een van de eerste prominente atleten haar dopingschorsing aan, zoals verreweg de meeste zaken om doping draaien. Talrijke wielrenners (Rasmussen, Landis, Valverde) gingen er langs. Voetbaltrainer Co Adriaanse verloor een zaak van Porto en moest zijn oude club 1 miljoen betalen wegens contractbreuk.

Deze week kondigden de Belgische tennissers Malisse en Wickmayer aan hun dopingschorsing van één jaar aan te vechten bij het CAS. Niet veel later werd bekend dat de uitspraak in de dopingzaak rond schaatsster Claudia Pechstein tot komende woensdag is uitgesteld.

Er gaat geen week voorbij of de naam van het CAS valt. Het is het eindstation geworden van de sporter of sportbond in nood. Het aantal zaken steeg tussen 1998 en 2008 van 45 tot 313.

Reeb herinnert zich 1986, het beginjaar van het CAS. Twee zaken werden behandeld, waarvan één juridisch advies betrof. ‘Onze eerste jaren hebben we vooral energie gestoken in het informeren van de olympische beweging. Niemand wist dat we bestonden.’

Onder druk van toenmalig IOC-voorzitter Samaranch was het CAS opgericht. De Spanjaard zag in dat geschillen niet allemaal meer door de bonden konden worden behandeld in de steeds verder geprofessionaliseerde sportwereld. Er moest een instituut komen dat door de gehele olympische beweging zou worden erkend.

‘Ons bestaansrecht hebben we nu wel bewezen’, zegt Reeb. Het aantal personeelsleden is van twee man in de jaren negentig opgelopen tot achttien, er werden bijkantoren geopend in New York en Sydney. Die dienen overigens louter voor administratieve zaken en het maken van afspraken: alle zittingen hebben in Lausanne plaats.

Als er eens geen zaak wordt behandeld, werken tientallen arbiters over de hele wereld aan een uitspraak die verstrekkende gevolgen kan hebben. Reeb: ‘We nemen elke zaak even serieus. Want de carrière van een sporter kan samenhangen met het oordeel dat wij vellen.’

De groeiende populariteit van het CAS maakt duidelijk dat sporters in de loop der jaren steeds vaker bereid zijn door te vechten tot de laatste snik. Daar is een aantal verklaringen voor te geven.

Ontegenzeglijk neemt de sport een steeds belangrijkere plaats in als economische branche. Daardoor zijn de belangen in de sport groter dan vroeger en is er ook steeds vaker behoefte aan een ‘allesomvattend orgaan dat het ultieme, beslissende oordeel velt’, zegt advocaat Emile Vrijman.

De mens is bovendien veel mondiger dan vroeger, voert O.L.O. de Witt Wijnen als verklaring aan. De voormalige advocaat is een van de drie Nederlandse arbiters die voor het CAS optreden. Henk Kesler, advocaat maar vooral bekend als directeur betaald voetbal van de KNVB, en advocaat Manfred Nan zijn de anderen.

De topsporter van nu heeft geld en laat zich in veel gevallen omringen door een team van specialisten, zeker bij een rechtsgang. Het prestige is groot, met name als sponsorgelden in het geding zijn. De Witt Wijnen: ‘De kosten van een gang naar het CAS wegen soms wel op tegen de schade die een sporter oploopt als hij bijvoorbeeld voor twee jaar wordt geschorst.’ Dat kost de sponsor exposure en dus geld.

In hoeveel zaken de Nederlandse arbiters door het CAS worden gevraagd op te treden, willen ze niet zeggen. Ze hebben een geheimhoudingsplicht, zeker als het om lopende geschillen gaat. Maar net als hun 267 collega’s, die vooral komen uit Europa, Noord-Amerika en Oceanië, mogen ze niet altijd als arbiter fungeren.

‘Je moet voor elke keer dat je wordt gevraagd, een verklaring ondertekenen waarin je bevestigt dat je geen banden hebt met beide partijen’, zegt De Witt Wijnen.

Dat betekent bijvoorbeeld dat Kesler nooit zou kunnen optreden in een zaak waarin de KNVB partij is, maar ook niet als een Nederlandse voetbalclub wordt opgeroepen naar Lausanne te komen. Dat gebeurde toen Feyenoord in 2007 de Europese uitsluiting door de UEFA aanvocht, na de supportersrellen in Nancy.

Kesler mag wel arbiter zijn in zaken waarin de wereldvoetbalbond FIFA partij is. Of hij dan wel objectief kan zijn? Absoluut, bezweert hij. ‘We zijn als KNVB lid van de FIFA, zoals zoveel andere landen. Bovendien: dan zouden een heleboel arbiters vanwege hun nevenfuncties hun werk niet meer kunnen beoefenen.’

Daarmee snijdt Kesler onbedoeld een heikel punt aan. De objectiviteit van de arbiters, een groep die volgens critici wel is uitgebreid maar nooit wezenlijk van samenstelling is veranderd, heeft door de jaren heen een aantal maal ter discussie gestaan.

Zo beklaagde Emile Vrijman zich in 2003 over de rol van Gunnar Werner in de zaak rond de Costa Ricaanse zwemster Poll. Vrijman stond de atlete bij in een dopingzaak en kreeg hij tot zijn verbazing Werner als arbiter van de internationale zwembond FINA tegenover zich.

De Zweed is tegelijkertijd vicepresident van de beroepsdivisie van het hof. ‘Die man was dus mijn tegenpartij en leidde ook nog eens de arbiters’, kijkt Vrijman terug.

En zo zijn er meer verhalen bekend van arbiters wier veelzijdigheid hen soms in de weg lijkt te zitten. Enkelen zijn bijvoorbeeld lid van het IOC en worden gevraagd in bepaalde zaken te oordelen over de dopingcode van het WADA. Het wereldantidopinginstituut kwam juist tot dat reglement in samenspraak met het Internationaal Olympisch Comité.

Omdat de meeste arbiters advocaat zijn, wil ook die dubbelrol weleens problemen opleveren. Een advocaat die tegelijk arbiter is, heeft vermoedelijk een kennisvoorsprong en is in staat beter in te schatten hoe het CAS over een zaak denkt dan een advocaat die verder niets met het CAS te maken heeft, zegt de Nederlandse dopingexpert Douwe de Boer.

De Boer, die deze week zijn zesde van zeven CAS-zaken verloor met twee op doping betrapte biatletes uit Rusland: ‘Als je niet weet hoe de hazen lopen in Lausanne, ben je vrijwel kansloos. Zeker omdat een rechtszaak indruk maakt op een sporter.’

Vrijman pleitte er daarom bij het CAS voor inzichtelijker te maken wat de achtergronden zijn van arbiters en door wie ze zijn benoemd. De olympische beweging, met het IOC voorop, mag bijvoorbeeld 20 procent van de namen voorstellen. Vrijman: ‘Je wilt weten: wat doen die mensen nog meer, aan wie zijn ze gelieerd? Geloofwaardigheid valt of staat met transparantie.’

Sporters die de vermeende partijdigheid van het CAS aan de kaak probeerden te stellen, haalden slechts hun ongelijk. Twee Russische skiloopsters probeerden het een aantal jaar geleden nog bij het Zwitserse hof.

Maar de enige instantie waar na procedurefouten in beroep kan worden gegaan tegen het CAS, oordeelde dat het tribunaal onafhankelijk en onpartijdig opereert. Ook al wordt het voor een groot deel gefinancierd door het IOC, dat dus tegelijk soms partij is in de rechtszaal.

Van het jaarbudget van 9 miljoen Zwitserse francs, omgerekend 5,5 miljoen euro, wordt volgens Reeb 60 procent betaald door het IOC, de internationale sportbonden en de nationale olympische comités. De sporters en bonden die het CAS inschakelen, betalen de rest.

Een rechtszaak aanspannen kost 500 franc administratiekosten, 330 euro. In vergelijking met de gang naar het Europese gerechtshof die sporters ervoor moesten maken, is dat niet veel, zegt advocaat Cor Hellingman. ‘Dat kost je jaren tijd en een half miljoen euro. Een beroep bij het CAS duurt veel korter en kost daardoor minder.’ Hellingman stond Ajax-speler Frank de Boer bij voor het CAS tijdens diens nandrolonaffaire.

Sinds de Olympische Spelen van 1996 is er een ad-hoccommissie actief bij elk olympisch toernooi. Dat college doet in noodgevallen binnen 24 uur uitspraak. Zo werd vorig jaar in Peking een klacht tegen een Deense zeilploeg, die na averij een boot van een ander land leende en zo de start van de wedstrijd vertraagde, nog voor de finale ongegrond verklaard. Denemarken won vervolgens goud in de 49er-klasse.

Het gevolg is dat de druk op het CAS door de jaren heen is toegenomen, erkent ook Reeb. Volgens De Boer worden er zelfs geregeld pogingen ondernomen om arbiters te manipuleren.

Hij zegt: ‘Het CAS is een heel heterogene instantie van mensen die een onkostenvergoeding voor hun werk krijgen en over de hele wereld komen. Die worden op een bepaalde manier gepaaid. Ze worden bijvoorbeeld uitgenodigd achter de schermen te komen kijken bij de Olympische Spelen.’

Niemand onderschrijft de lezing van De Boer. Wel heeft het CAS zich sterk gemaakt zijn onpartijdigheid te benadrukken. Het leidde tot minder strakke banden met het IOC en de oprichting van het ICAS, een koepelorganisatie die de geldstromen en onpartijdigheid bewaakt.

Een aantal klachten is niettemin gebleven. Vrijman vindt dat de uitspraken tot te weinig jurisprudentie leiden, omdat elke arbitragezaak per definitie op zichzelf staat. ‘Dat is goed voor de sporter, die met een schone lei begint. Maar al die wisselende panels leveren wisselende uitspraken op. Er zit geen lijn in.’

Het CAS speelt bovendien relatief vaak ‘op safe’. Verstrekkende, opmerkelijke uitspraken worden bijna nooit gedaan, zegt Reeb. ‘We kunnen niet op de stoel gaan zitten van de mensen die de regels maken. We toetsen slechts en kijken of de procedures op een correctie manier zijn nagelopen.’

Toch heeft niemand heimwee naar de tijd dat de WADA-dopingcode nog niet bestond en sporters niet wisten of en waar ze tegen een besluit in beroep konden gaan. De Witt Wijnen: ‘En ik heb aardig wat opgestoken als arbiter.’

Zo was hij vorig jaar de derde, door het CAS aangestelde, arbiter in een interessante diskwalificatie-zaak. Een worstelaar uit Polynesië vond dat hij als regionaal kampioen wel naar de Olympische Spelen mocht, iets wat de Oceanische bond hem had verboden. De atleet haalde zijn gelijk.

De Witt Wijnen: ‘Mijn liefde voor het worstelen is er niet groter door geworden. Maar voor die man betekende die uitspraak misschien alles. Een beter voorbeeld van het belang van het CAS is er niet.’

Meer over