Achtergrond

De tijd zit Sven Kramer op de hielen: moet hij nog een Winterspelen doorgaan of kan hij beter meteen stoppen?

Uitgerekend in zijn laatste olympische jaar is Sven Kramer het helemaal kwijt. Terwijl hij zich zondag moet plaatsen voor Beijing. Kan hij in zo korte tijd weer in vorm komen?

Dirk Jacob Nieuwboer
Sven Kramer met Patrick Roest en Marcel Bosker in actie op de ploegenachtervolging. Het is waarschijnlijk het onderdeel waarop een nieuwe gouden plak voor Kramer nog het grootst is. Beeld ANP
Sven Kramer met Patrick Roest en Marcel Bosker in actie op de ploegenachtervolging. Het is waarschijnlijk het onderdeel waarop een nieuwe gouden plak voor Kramer nog het grootst is.Beeld ANP

Zo had Sven Kramer zich zijn laatste olympische seizoen niet voorgesteld. Natuurlijk, niemand dacht dat hij als 35-jarige veteraan zomaar even goud op zou halen in Beijing, bij zijn vijfde Olympische Spelen. Zeker niet na zijn rugoperatie in het voorjaar. Maar Kramer is nu zo ver verwijderd van iets dat op vorm lijkt, dat het maar de vraag is of hij überhaupt de Spelen zal halen.

Na een dramatische 5.000 meter bij de wereldbeker in Polen, twee weken geleden (9de in de B-groep), besloot Kramer andere internationale wedstrijden maar helemaal te laten schieten. Nu probeert hij iets wat hij nog nooit heeft gedaan: in Nederland marathons rijden om te werken aan de ‘basis’ en ‘hardheid’ op te doen. In de hoop dat hij op het olympisch kwalificatietoernooi (OKT) over slechts vier weken toch kan verrassen.

Prestige op het spel

Kramer won veel in zijn carrière, maar toch staat er op Tweede Kerstdag in Thialf veel prestige op het spel. Als hij zich niet plaatst voor Beijing, lijkt zijn loopbaan vroegtijdig voorbij. Plaatst hij zich wel, dan maakt hij in theorie kans op een vijfde gouden medaille: een mannenrecord in de Nederlandse sport.

Maar in een dikke maand van (bijna) niets naar olympische kwalificatie. Kan dat eigenlijk wel?

‘Als ik hem zie schaatsen, dan heb ik best grote twijfels’, zegt oud-schaatsster en ex-ploeggenoot Renate Groenewold. Net als Kramer had ze in haar carrière veel last van haar rug. En net als hij liet ze zich er in de aanloop naar haar laatste Spelen, in 2010, aan opereren. ‘Ik zie gewoon dat hij niet makkelijk beweegt’, zegt ze. Maar ze hoopt heel erg dat ze het mis heeft, want ‘Sven is een topgozer’. En ze weet ook uit eigen ervaring: bij schaatsen kan de vorm er zomaar weer zijn. ‘Ja, ja, ja, dat kan echt. Want het gaat uiteindelijk maar om een heel klein dingetje.’

Ongans trainen

Eigenlijk is het zelfs helemaal niet zo ingewikkeld, want naar topvorm is volgens meerdere oud-topschaatsers gewoon toe te werken. Natuurlijk zijn er verschillen tussen individuen, en bijvoorbeeld tussen sprinters en stayers, maar uiteindelijk komt het hierop neer: je moet je eerst ongans trainen en dan voor een wedstrijd gas terugnemen. Een lichaam heeft ongeveer één à twee weken nodig om van zware belasting terug te komen. Daarna heeft het zich aangepast én is het super uitgerust.

‘Alle schaatsers kennen dit verhaal’, erkent Mark Tuitert, die in 2010 in Vancouver goud won op de 1.500 meter. ‘Maar er komt nog iets bij: durf je je er ook aan te houden?’

Dat Tuitert in Vancouver de hoofdprijs pakte, was verrassend voor de buitenwereld, maar zelf wist hij dat hij al het hele seizoen goed bezig was. Zonder enorm op te vallen rolde hij door de wereldbekers en op het kwalificatietoernooi werd hij 3de, net genoeg om zich te plaatsen voor de Spelen. ‘Dat was perfect’, blikt hij terug. ‘Op het OKT wil je nog niet 100 procent zijn. Er zijn schaatsers die kunnen winnen als ze 95 procent zijn. Ik niet: als ik op de Spelen wilde winnen, moest ik niet 99,9 procent zijn maar 100. Daar was mijn hele schema op gericht en het lukte me eraan te houden.’

Achteruitrijden

Vier jaar na Vancouver, in de aanloop naar de Spelen van Sotsji, verliep het veel minder vlotjes. Tuitert schaatste ongeveer zoals Kramer in Polen deed. ‘Ik reed achteruit, ik was echt belachelijk slecht in vorm. De World Cup in Berlijn ging heel slecht, en dat was een paar weken voor het OKT. Toen dacht ik wel even: poeh, komt dit wel goed?’

Tuitert besloot het van zich af te schrijven, alle zorgen die in zijn hoofd zaten, belandden in een boekje. ‘En toen heb ik letterlijk het boek dichtgedaan en besloten me aan mijn plan te houden. Niet schipperen, zo ga ik het doen en ik heb er vertrouwen in dat het goed komt. En dat gebeurde ook, maar dat was echt twee, drie dagen voor het OKT. Ik was uitgerust, wedstrijdspanning erbij, het was net op het nippertje, maar ik won.’

Het kan dus wel, de boel omkeren in korte tijd. En vaak is dit het recept: niet schipperen, stick to the plan. Door de zware trainingen en het slopende programma wordt iedere sporter moe, het lichaam en het zelfvertrouwen worden op de proef gesteld. ‘Er is altijd wel een zwakke schakel’, zegt Tuitert. ‘Of het nou slijtage is, of je rug, emotionele strubbelingen, stress. Het is een puzzel met heel veel stukjes en er is altijd wel een stukje dat niet helemaal goed ligt. Je krijgt de neiging om gas terug te nemen, omdat je je prettig wilt voelen. Terwijl het juist nodig is om pijn te lijden.’

Omgooien

Maar wat nu als een van de puzzelstukjes echt scheef ligt? Toen Tuitert in 2006 last had van zijn rug en totaal uit vorm was, zocht hij de oplossing in eerste instantie ook in gewoon doorgaan. ‘Ik dacht dat winnen gewoon alleen met trainen te maken had.’ Ondertussen zat de echte blokkade in zijn hoofd. Als kind zat hij tussen twee ruziënde ouders in, als 25-jarige had hij daar nog steeds last van. ‘Ik was heel kwaad op mijn vader. Pas toen ik weer contact met hem zocht en de boosheid kon loslaten ging het beter. Dat is het fascinerende van topsport: je moet mentaal en fysiek in balans zijn om te kunnen winnen.’

Bij Kramer lijkt de oorzaak duidelijk fysiek, zijn rug werkt niet mee. Maar dat betekent niet dat het niet ook in zijn hoofd kan gaan spoken. ‘Het is altijd én én’, weet Tuitert. ‘Als jij lekker schaatst en het ijs voelt goed, dan voel je je ook wat fijner in je hoofd. Als je heel moe bent en je raakt de slagen op het ijs net niet, dan ga je ook twijfelen. Dan vraag je je af: is het mijn rug, of de trainingsintensiteit, of de combinatie misschien?’

Om die vicieuze cirkel te doorbreken, kan het soms juist goed zijn om het over een andere boeg te gooien. Dat doet Kramer door in Nederland marathons te rijden in plaats van 5 kilometers in Noord-Amerika. ‘Het is natuurlijk een lastige keuze voor Sven om geen World Cups te rijden’, zegt Groenewold, ‘maar ik denk wel dat het de enige juiste is. Hoe hij nu schaatst, gaat hij het niet vinden door maar te reizen en van wedstrijd tot wedstrijd te gaan.’

Groenewold, die zelf twee keer zilver veroverde op de 3.000 meter, heeft achteraf spijt dat ze in haar laatste jaar als schaatsster vasthield aan het gebaande pad. In mei 2009 was ze al geopereerd aan haar rug. Daar was ze op zich goed van hersteld, maar begin november moest ze weer onder het mes om vleesbomen te laten verwijderen. ‘Op maandag werd ik geopereerd en op woensdag zat ik in het vliegtuig naar Calgary om mee te doen aan de World Cups. Dat is natuurlijk te absurd voor woorden.’

Zelf wilde ze eigenlijk naar de zon, maar ze liet zich overtuigen door haar coach Gerard Kemkers. Ze neemt het hem niet kwalijk, op andere momenten was het juist goed dat hij tegengas gaf. ‘Maar ik was gewoon op. Eind november was ik nog net geen wandelend lijk.’ Haar OKT mislukte ook helemaal. Ze mocht toch naar de Spelen op basis van vroegere prestaties, maar meer dan een tiende plek op de 3 kilometer zat er in Vancouver niet in.

Olympisch jaar

‘Ik heb dat jaar alleen maar lopen rennen, kneiterhard lopen rennen’, zegt Groenewold, ‘want ik wilde het zo graag. Het jaar ervoor was ik wereldkampioen geworden op de 3.000 meter, dus ik wilde bewijzen dat ik op de Spelen kon winnen. Die stress heb ik dat jaar alleen maar gevoeld.’

En zij niet alleen. De hele TVM-ploeg, waar Kramer toen ook in zat, stond onder spanning. De teammanager had geroepen dat er wel acht keer goud gewonnen kon worden. ‘Dat gaat dan een eigen leven leiden. Als om je heen alles goed loopt dan kun je je daaraan optrekken. Als je omgeving ook niet goed presteert, dan wordt het lastig.’

Eén advies aan Sven? ‘Hij moet luisteren naar zijn gevoel, doen wat hij leuk vindt’, zegt Stefan Groothuis, de onverwachte olympische kampioen 1.000 meter van 2014. ‘De buitenwereld vindt het misschien een rare actie, die marathons, maar als hij daar blij van wordt dan moet hij dat gewoon doen.’

De sprinter ging zelf in tijdens zijn carrière door een diepe depressie. Een van de redenen was dat hij obsessief bezig was met het resultaat. Wereldkampioen moest en zou hij worden, maar dat lukte maar niet. Tot hij het leerde los te laten. En in 2014 volgde ook nog goud in Sotsji.

‘Het zit ’m niet in trainen’, gelooft Groothuis. ‘Die hele of halve procent die hij daarmee kan winnen, zal het verschil niet gaan maken. Hij moet proberen te genieten van zijn laatste kunststukje. En accepteren dat de kans vrij groot is dat hij het niet gaat halen. Als hij alleen maar voor de winst gaat, dan ben ik daar juist bang voor.’

Kramer, de negenvoudig wereldkampioen allround, tienvoudig Europees kampioen allround, de 21-voudig wereldkampioen afstanden en viervoudig olympisch kampioen, de man die rijdt om te winnen en dáár ook plezier uit haalt, moet juist dat vergeten. Kan hij dat?

Groothuis lacht: ‘Ik denk wel dat het lastig voor hem is. Maar misschien krijgt hij ook een ingeving, dat hij denkt: lekker belangrijk, ik ben gewoon goed geweest, ik hoef niks meer te bewijzen. En ik geloof wel dat hij een enorme liefhebber is. Hij houdt echt, echt van schaatsen, van de beweging.’

Beweging

Het is die beweging waarom geen schaatser Kramer durft af te schrijven. Hoe slecht hij nu ook schaatst, ze weten dat het snel om kan slaan. Allemaal hebben ze wel ‘achteruitgeschaatst’ of lopen krabbelen, maar op een gegeven moment was de slag er weer. Dat kan per ronde zomaar tienden van een seconde schelen, soms zelfs meer dan een seconde.

Het is het raadsel van schaatsen. Vooral ook omdat de schaatsers zelf lang niet altijd begrijpen waarom het wel of niet loopt. Zuchtend zoeken ze naar antwoorden als ze hun slag niet kunnen afmaken zoals ze willen. Tot het moment dat ze met twinkelende ogen weer vertellen hoe fijn het toch is om over het ijs te vliegen.

‘Schaatsen is een timingsport’, zegt Tuitert, ‘je kunt soms veel slechter presteren dan je daadwerkelijk bent. Maar als je weer uitrust en je gaat hem weer raken, dan leek het allemaal verschrikkelijk, maar dan kan het ineens weer hallelujah zijn.’

Groenewold gunt Kramer nog een keer dat gevoel. Ze ziet dat hij worstelt met zijn houding, dat er iets ontbreekt in de mobiliteit in zijn heupen en rug. ‘Maar als je net even wat frisser bent, dan kun je je bekken wat makkelijker kantelen, voelt je lijf ook minder strak, losser. Waardoor je weer makkelijker beweegt. En daar gaat het uiteindelijk om: een heel klein dingetje.’

Dit artikel verscheen in november in de Volkskrant.

Meer over