De sleutel van Schwarzmans succes

Welke partij heeft de meeste invloed op de uitkomst van het WK 2007 gehad? Wie die vraag krijgt voorgelegd, zal waarschijnlijk wijzen op de partij die Schwarzman op de voorlaatste dag van Thijssen won....

Ton Sijbrands

En misschien valt er ook iets te zeggen voor Schwarzman-Anikejev, de Kurzpartie (twintig zetten slechts) waarmee ik de rubriek van vorige week afsloot. Hoewel die ontmoeting niet in de negentiende maar (al) in de zevende ronde plaatsvond, kan zij in zekere zin toch als de sleutel tot Schwarzmans succes worden beschouwd.

De eerste zes ronden hadden Schwarzman namelijk zoveel tegenslagen gebracht – met als dieptepunt een nederlaag tegen Tsjizjov – dat hij het gevoel moet hebben gehad (en ik geloof dat hij ook iets dergelijks zei in het gesprek dat de Volkskrant met hem had), dat er absoluut geen zegen op zijn WK-deelname rustte.

Zijn verbijsterend snelle winst op Anikejev veranderde echter alles. In vrijwel dezelfde ademtocht won Schwarzman eveneens van Lagoda, en even later moesten ook Pierre, Tuvshinbold en Kouogueu eraan geloven. Binnen zes dagen bleek Schwarzman een score van -1 in een trotse en veelbelovende +4 te hebben omgetoverd!

Maar de in de aanhef opgeworpen vraag was eigenlijk bedoeld om uw aandacht te vestigen op een partij waarbij het duo Schwarzman/Podolski juist níet betrokken was en die dus in negatieve zin zijn stempel op de uitkomst van het WK heeft gedrukt.

Ik doel op het duel dat Tsjizjov in – alweer – de zevende ronde van Georgiev verloor. Tsjizjov-Georgiev behoort voor mij tot de allerbelangrijkste partijen, omdat hierin werd bepaald wie er géén wereldkampioen zou worden. Laat ik mij nader verklaren.

In de eerste zes ronden had geen speler zo nadrukkelijk zijn kandidatuur voor de titel gesteld als Alexeï Tsjizjov. De tienvoudige oud-wereldkampioen had niet alleen van Tuvshinbold gewonnen, maar zelfs van collega’s als Valneris en Schwarzman (zie boven). Een onvervalste bliksemstart dus, die herinneringen opriep aan de furieuze manier waarop Tsjizjov de WK’s van 2000 (Moskou) en 2005 (Bijlmer) was begonnen.

Ik twijfel er dan ook nauwelijks aan dat Tsjizjov bij een puntendeling tegen Georgiev zijn voorsprong zou hebben geconsolideerd en uitgebouwd. En over de vraag hoe het toernooi zou zijn verlopen wanneer Tsjizjov óók van Georgiev had gewonnen (wat gedurende de eerste dertig zetten een zeer reële mogelijkheid leek!), hoeven we het helemaal niet te hebben.

Het lukte Tsjizjov echter niet een waterdichte weerlegging te vinden van de (rechter) vleugelopsluiting die Georgiev al bij de eerste zet op het bord had gebracht: na een fout op de 29ste zet kon hij niet meer voorkomen dat zijn tegenstander zich zonder nadeel loswerkte. Maar het zou zelfs geen remise worden.

Ongetwijfeld geïrriteerd geraakt door het besef dat hij zijn voordeel had verspeeld, ondernam Tsjizjov een woeste winstpoging waarmee hij uitsluitend zichzelf schade berokkende. Georgiev trok de beste kansen naar zich toe, en toen Tsjizjov vlak voor de klokcontrole een laatste remisemogelijkheid onbenut liet, kwam hij in een dammeneindspel terecht (eerst 5x3, ten slotte 4x2) dat niet meer te redden bleek.

Het kan niet anders of die nederlaag moet Tsjizjov hevig hebben geschokt en zijn zelfvertrouwen hebben aangetast. Niet dat er op dit punt iets te ‘bewijzen’ valt, maar het mag toch wel significant heten dat hij in de resterende twaalf ronden nog maar twee keer tot winst kwam.

Uiteindelijk zou Tsjizjov dan ook als vierde finishen, twee punten achter Schwarzman en Podolski. En achter zijn kwelgeest Georgiev, wiens productiviteit – evenals in het WK 2005 – lange tijd te wensen overliet maar die dankzij een formidabele eindsprint van 6 uit 3 tóch nog de derde plaats wist te bemachtigen.

Tot zover deze inleiding op een (uitvoerige) partijbespreking waarvoor inmiddels vanzelfsprekend geen ruimte meer is. Maar bij wijze van voorproefje van de analyse die u de komende weken tegemoet kunt zien, geef ik alvast twee standen die zich hádden kunnen voordoen. De door de lezer te beantwoorden vragen luiden:

1) Waarom mag zwart zich in de stand van het eerste diagram niet aan het (schijn)offer 1...24-29 2.33x24 9-14 vergrijpen?

2) Wat is in het tweede diagram wits kansrijkste plan, en welke spectaculaire afwikkeling wordt daarmee mogelijk gemaakt dan wel uitgelokt?

Kleine hint: de slotzet (of beter: slotslag) van de eerste opgave is identiek aan die van de tweede opgave. . .

(Wordt vervolgd)

Meer over