ANALYSE

De rooskleurige medaille-oogst is geen garantie voor Nederlands succes op de Winterspelen in 2022

De WK afstanden, in het pre-olympisch jaar altijd de generale repetitie voor de Winterspelen, leverden de Nederlandse schaatsers in totaal 18 medailles op. Zo rijk was de oogst nog nooit. Zet dat de toon voor volgend jaar, voor de Spelen van Beijing?

Irene Schouten tijdens haar winnende race op de 5000 meter.
 Beeld Klaas Jan van der Weij
Irene Schouten tijdens haar winnende race op de 5000 meter.Beeld Klaas Jan van der Weij

Het is niet eenvoudig om de resultaten van de afgelopen weken goed in perspectief te plaatsen. De winter werd door corona volledig overhoop gegooid. De eerste internationale wedstrijden werden afgelast en vervolgens kregen de schaatsers in een periode van slechts vijf weken het EK sprint en allround, twee wereldbekerwedstrijden en de WK afstanden te verstouwen. Normaal zijn die WK op de olympische baan zodat iedereen aan het ijs de omstandigheden kan wennen. Dit keer vond alles plaats in Thialf.

Op het Friese ijs was het thuisvoordeel van de Nederlanders duidelijk aanwezig bij de eerste internationale wedstrijden. Alle trainingsuren in Thialf en de nationale wedstrijden in november en december, betaalden zich uit. Het veelzeggendst was de volledige Nederlandse top-5 op de 1.500 meter bij de eerste wereldbeker.

Met de tijd smolt die voorsprong in de Heerenveense schaatsbubbel. De buitenlandse rijders lieten zich steeds meer gelden. Desalniettemin mocht het totaal aan WK-medailles er zijn, zeker in de wetenschap dat de oogst van de laatste twee pre-olympische edities steeds op de Winterspelen werden overtroffen. Dat gebeurde in Sotsji heel ruim, en in Pyeonchang met één medaille verschil.

Opvallend was het hoe voor Irene Schouten de afwijkende winter leidde tot groot langebaansucces. Zij is gewend veel marathons te rijden, maar die mochten niet doorgaan en dus reed ze noodgedwongen alleen op de langebaan. Met vier medailles, goud op de 5 kilometer en team pursuit en brons op de 3 kilometer en massastart, kroonde ze zich tot koningin van de WK.

Profiteren

Niet iedereen profiteerde van de gehusselde coronakalender. Ireen Wüst, die afgelopen jaar ook nog eens van ploeg wisselde, was al haar ‘referentiepunten’ kwijt. Het ritme van de wereldbekerwedstrijden, de afwisseling van competitie en buitenlandse trainingskampen. Het was allemaal weg. Ze wist daarom ook niet precies waarom ze voor het eerst in jaren geen goud won op de 1.500 meter, niet eens het podium haalde.

Haar leeftijdsgenoot Sven Kramer, ze zijn beiden 34, stelde ook teleur. De regerend olympisch kampioen werd 19de op de 5 kilometer, nadat het hem vlak voor de start in de rug schoot.

Als zijn rug niet hapert, behoort hij nog steeds tot de beste 5-kilometerrijders van de wereld. Toch valt niet te ontkennen dat de kans op een vierde olympische titel op rij meer op hoop gebaseerd is dan op klinkende resultaten. Zeker nu duidelijk is dat zijn ploeggenoot Patrick Roest, die opnieuw teleurstelde op de WK, niet zijn grootste concurrent is, maar Nils van der Poel. En niemand weet hoever de Zweed reiken kan.

Het is vaker gebeurd dat een talent geweldig tekeerging op de WK, maar op de Spelen zwaar teleurstelde. Dat overkwam Trevor Marsicano, de Amerikaan die in 2009 goud op de 1.000, zilver op de 1.500 en brons op de 5.000 meter pakte. Een jaar later bleef hij, kapot getraind, tijdens de Spelen steken op de 10de, 15de en 14de plek. Het is afwachten of Van der Poel, die zichzelf graag afbeult, die valkuil weet te mijden.

Jonkies

De oude garde van Wüst en Kramer kraakte, maar ook de jonkies bleken op de WK minder stabiel dan gehoopt. Sprintrevelatie Femke Kok (20) won in de wereldbeker alle 500 meters, maar moest toen het er echt om ging genoegen nemen met zilver. Jutta Leerdam (22), verdedigend 1.000-meterkampioene, verging het vergelijkbaar. Na een verstoorde voorbereiding door een voetblessure bleef het voor haar op de kilometer eveneens bij een tweede plaats.

Zelfs de stabielste man van de winter, kende een misser. Thomas Krol, die de keren dat hij afgelopen seizoen niet won op de vingers van een hand tellen kan, startte op de 1.000 meter twee keer vals en kwam niet aan schaatsen toe. Een dag later deed hij wel wat van hem verwacht mocht worden op de 1.500 meter en toonde daarmee zijn onverstoorbaarheid.

Kijkend naar de medailleoogst alleen, ziet het er rooskleurig uit voor Beijing, maar de uitslagen zijn geflatteerd. Vanwege de pandemie ontbraken een aantal uitdagers van de Nederlanders. Vooral de afwezigheid van Zuid-Korea en Japan, vorig jaar samen goed voor zeven WK-medailles, had impact.

En terwijl iedereen de mond vol had over het razendsnelle ijs in Thialf, en sommigen de verdenking van meewind ventileerden, reed de Japanse Miho Takagi afgelopen weekend op de als relatief traag bekend staande baan in Nagano de snelste 1.000 meter van het seizoen: 1.13,21. Het is een tijd als winstwaarschuwing aan de Nederlanders: reken je vooral niet rijk, daar in je bubbel.

Meer over