Analyse

De nationale mal van de Spelen begint te wringen

Volksliederen, vlaggen en natuurlijk de medailleklassementen, de Olympische Spelen zijn niet alleen een strijd tussen sporters, maar ook verworden tot een competitie tussen landen. Sporters mogen slechts één vlag dienen, hoe veelzijdig hun identiteit ook kan zijn.

Dirk Jacob Nieuwboer
Langlaufster Laurien van der Graaff is Zwitserse omdat haar ouders naar naar het land emigreerden. Beeld Getty Images
Langlaufster Laurien van der Graaff is Zwitserse omdat haar ouders naar naar het land emigreerden.Beeld Getty Images

Als Kai Verbij op de Winterspelen goud wint zal alleen het Wilhelmus klinken, ook al heeft hij ook een sterke band met Japan, het land waar zijn moeder is geboren. De moeder van zijn concurrent Thomas Krol is Zwitsers, niet gek dus dat de sprinter weleens heeft overwogen om voor Zwitserland uit te komen. En de Tsjechisch-Nederlandse skiester Adriana Jelinkova is hier wel opgegroeid, maar heeft met Nederland niet veel meer. Als ze maar in de bergen is, dan is ze gelukkig.

Het valt misschien niet meteen op als ze straks achter die ene rood-witte-blauwe vlag het olympische stadion binnenlopen, maar de Nederlandse ploeg is rap aan het globaliseren. Acht jaar geleden was Sjinkie Knegt met zijn half-Chinese oma een van de drie deelnemers op de Winterspelen met wortels buiten Nederland. Nu zullen met de Fries ook Nederlanders met Japanse, Zwitserse, Tsjechische, Surinaamse en Bosnische wortels in het oranje rondlopen in Beijing.

Ook zullen minstens zes atleten met Nederlandse roots langlaufen, schaatsen of bobsleeën namens een ander land. Soms met gemengde gevoelens. Jennifer Onasanya (Nederlandse moeder, Nigeriaanse vader, geboren en getogen in Nederland) zou bijvoorbeeld het allerliefst voor Nederland uitkomen, maar om op de Spelen te bobsleeën moest ze wel kiezen voor de Oostenrijkse nationaliteit.

Sterke band met het land

De ene sporter heeft een sterke band met het land waarvoor hij of zij uitkomt, de andere een lossere. Maar op de Spelen verdwijnen de veelsoortige identiteiten achter vlaggen, volksliederen en in medailleklassementen. Het sportevenement duwt atleten in een nationale mal, die lang niet iedereen past en steeds meer begint te wringen.

Kan dat niet anders? Zou het niet anders moeten? ‘Als ik in Singapore kan gaan werken, zegt iedereen: goed man, veel succes!’, zegt Gijsbert Oonk, hoogleraar EU Studies aan de Erasmus Universiteit. ‘Maar sporters leggen we allemaal beperkingen op. Ik snap de gevoeligheden, maar het botst wel met de mensenrechten.’

Het is nu misschien moeilijk voor te stellen, maar ooit speelde nationaliteit een veel minder grote rol bij de Olympische Spelen. De medaillelijstjes, die nu niet meer zijn weg te denken, druisen zelfs in tegen de olympische geest. ‘De Olympische Spelen zijn wedstrijden tussen atleten in individuele of teamevenementen en niet tussen landen’, staat in het olympisch handvest.

Toch dwingt datzelfde handvest atleten juist óók tot een keuze voor een land. Om deel te mogen nemen, moeten ze worden uitgezonden door een nationaal olympisch comité. En ze moeten de bijbehorende nationaliteit hebben. ‘In de begintijd van de moderne Olympische Spelen had je nog gemengde teams’, zegt Oonk. ‘Roeiers uit Engeland, Frankrijk, Wales en Duitsland in één boot. Het uitgangspunt was dat sporters zichzelf vertegenwoordigen.’

Paspoorten en regels

De grotere rol van landen is deels gewoon een organisatorische kwestie. De wereld is nou eenmaal ingedeeld in landen met paspoorten en regels. De organisatie van sport is daarbij aangehaakt. Maar in de loop der tijd zijn landen zich ook steeds meer gaan profileren via sport.

Op de Spelen van 1924 werden voor het eerst volksliederen gespeeld voor de winnaars. In de Koude Oorlog groeiden atleten uit tot uithangborden voor landen en politieke systemen. Nog steeds zien veel landen hun topsporters als visitekaartje, waarmee ze zeker op het ultieme kampioenschap kunnen pronken. Kijk maar eens hoe gretig Nederlandse politici straks weer winnaars zullen feliciteren.

Sporters die besluiten voor een ander land uit te komen doen dat om meerdere redenen. Misschien wel de belangrijkste: omdat het relatief makkelijk kan, bijvoorbeeld omdat een van hun ouders een andere nationaliteit heeft. Vaak speelt daarbij mee dat het de kans op deelname aan internationale toernooien vergroot. Zo vonden Cornelius Kersten (nu Groot-Brittannië) en Ted-Jan Bloemen (nu Canada) een uitweg uit de moordende Nederlandse schaatsconcurrentie. Die route bracht de Nederlandse Canadees vier jaar geleden zelfs goud.

Bij de Zomerspelen deden Nederlanders met wortels in ten minste dertien verschillende landen mee, waarbij verschillende soorten migratie een rol speelden. Sifan Hassan kwam als vluchteling naar Nederland, de Mexicaanse boogschutter Gabriella Bayardo kwam voor de liefde, bij anderen was een van de ouders ooit een nieuwkomer in Nederland (zie inzet). ‘Veel mensen identificeren zich met meerdere landen tegenwoordig’, zegt Oonk. ‘Waarom zouden die voor altijd moeten kiezen voor een land? Voor sommigen is dat ook heel ongemakkelijk.’

Flexibel sportpaspoort

De Rotterdamse hoogleraar pleit voor het invoeren van een flexibel sportpaspoort, waarbij atleten om de twee of vier jaar van sportland kunnen wisselen. Ze houden verder gewoon hun normale paspoort als ze dat willen en krijgen ook geen stemrecht, maar mogen het land wel sportief vertegenwoordigen. En dat zou niet alleen moeten gelden voor sporters met een dubbele nationaliteit, maar vooral alle atleten. ‘Ik wil terug naar de begintijd waarin sporters vooral zichzelf vertegenwoordigen’, zegt hij. ‘En niet per se een land.’

Het IOC zelf doet nog niet eens zo moeilijk over een overstap. Als nationale comités en de internationale sportfederatie akkoord zijn en de atleet de nieuwe nationaliteit land heeft, dan mag de sporter uitkomen op de Spelen. Maar juist die bonden en federaties werpen in de praktijk drempels op en naturalisatie is in veel landen een langdurig proces. Nederlanders moeten bovendien vaak hun paspoort inleveren als ze een andere nationaliteit aannemen.

Bobsleester Jennifer Onasanya weet hoe beknellend de huidige regels kunnen zijn. Bij de vorige Spelen kon ze niet voor Oostenrijk uitkomen, omdat haar naturalisatie niet op tijd was afgerond. Huilend zat ze voor de tv te kijken naar de wedstrijden waaraan Oostenrijk dankzij haar inbreng meedeed: ze mocht in wereldbekerwedstrijden wel gewoon meedoen.

Strikte olympische organisatie

De strikte olympische organisatie via landen zorgt er bovendien lang niet altijd voor dat niet de beste atleten te zien zijn. Namens Nederland mogen per afstand maar drie schaatsers meedoen. Dat er vier wereldtoppers zijn op de 1.000 meters houdt daar geen rekening mee. Kjeld Nuis viel daarom net buiten de boot. De Nederlands Brit Cornelius Kersten was dit seizoen op de 1.000 meter minstens 0,35 seconde langzamer dan de regerend olympisch kampioen, maar hij mag wel meedoen.

Voor sporters hebben lossere regels dus vooral voordelen, daar zal de weerstand niet van komen. Die zijn mogelijk wel te verwachten van mensen die het volkslied meezingen op de tribune, een traantje wegpinken als een landgenoot wint voor de tv en opveren als ‘we’ het goed doen in het medailleklassement.

Ook in Nederland vinden veel mensen dat sporters een land moeten vertegenwoordigen. Sporters met een gemengde achtergrond kunnen rekenen op kritiek als ze voor het ene land kiezen, en dus niet voor het andere, vooral als ze heel goed zijn. En als het te gemengd wordt, volgt ook vaak een reactie, meestal uit rechtse hoek. Toen de Britse delegatie bij de Spelen in Londen bestond uit veel mensen met een migratieachtergrond bedacht de populistische tabloid Daily Mail de weinig vleiende term ‘Plastic-Brits’.

Geen neutrale toeschouwer

Juist in een globaliserende wereld ligt kwesties rondom identiteit en nationaliteit uiterst gevoelig. Sport is daarin geen neutrale toeschouwer, integendeel. De Nederlandse overheid is in de afgelopen decennia flink meer gaan uitgeven aan topsport. Zeker ook om het ‘wij-gevoel’ te vergroten. Wat als die sporters, waarin jaren is geïnvesteerd, zomaar een ander landenkostuum aan kunnen trekken?

‘Daar zit natuurlijk spanning’, erkent Oonk.’ Maar over academici die vertrekken hoor je nooit iemand. Daarin is ook geïnvesteerd. En wij trekken zelf ook talent uit de hele wereld aan. India, China, noem maar op. Vergeet ook niet dat er voor sporters vaak inkomen aan vast zit. Voor hun is het gewoon werk, wie zijn wij om daar restricties aan te verbinden?’

Hij verwacht niet dat het aantal landenhoppers enorm toe zal nemen als de regels soepeler worden. De meeste mensen migreren nog altijd niet, ze blijven in het land waarin ze zijn opgegroeid opgeleid, waarin ze hun netwerk en sponsors hebben. ‘Er zal vast wel wat meer beweging komen, maar de vraag is: is dat erg?’

De identificatie van toeschouwers met sporters zal zeker veranderen, denkt Oonk. ‘Maar dat hoort gewoon bij de wereld waar we in zitten. En de sporters zelf maakt het volgens mij niet zoveel uit, die willen gewoon op het hoogst mogelijke podium meedoen. En dat is toch ook waar het bij sport vooral om zou moeten gaan?’

Nederlanders met buitenlandse ouder

Kai Verbij (moeder Japans)

Daidai N’tab (vader Senegalees) reserve

Thomas Krol (moeder Zwitsers)

Marcel Bosker (moeder Nederlands-Zwitsers)

Adriana Jelinkova (moeder Tsjechisch)

Dylan Hoogerwerf, (moeder Surinaams)

Bobbers Jelen en Janko Franjic (beide ouders Bosnisch)

Nederlanders in buitenland

Bobsleester Jennifer Onasanya uit Leiden voor Oostenrijk

Ted-Jan Bloemen, Canada (vader Canadees)

Schaatser Cornelius Kersten, GB (moeder Engels)

Schaatser Ellia Smeding, GB (moeder Engels)

Langlaufster Laurien van der Graaff, Zwitserland (ouders geëmigreerd naar Zwitserland)

Langlaufer Mika Vermeulen, Oostenrijk (ouders geëmigreerd naar Oostenrijk)

Skiester Gwyneth ten Raa, Luxemburg (ouders geëmigreerd naar Luxemburg)

Meer over