De missie van een genie in tijdnood

Tekst..

Foto

Ton Sijbrands verontschuldigt zich, beent de kamer uit en stommelt de trap op. Dat zal hij deze middag vier keer doen. Als de duisternis al is gevallen, legt zijn vrouw uit dat boven bij de wc een magnetisch zakdambordje ligt.

Naast het bed staat er ook een. In de nachtelijke uren verschuift hij graag de schijven. Soms houdt het spel hem wakker. Hoewel Sijbrands dat anders ziet. Want als het hem wakker houdt, impliceert dat dat hij liever zou slapen. Dat is niet zo. Hij speelt liever dan dat hij droomt.

Het is een verwarrende gedachte dat Sijbrands ook tijdens een interview damt. Dat het bezoek nadenkt over de volgende zet, en dat de gastheer die dan, op een van de dertig borden die door het rijtjeshuis zwerven, allang heeft gedaan. Alleen op een ander niveau.

Het maakt het onmogelijk Sijbrands voor te blijven, om hem uit te dagen. Zijn hoofd staat niet stil. ‘Maar ik geloof niet dat het heel veel kwaad kan’, constateert Sijbrands ingetogen.

Hij heeft televisiefragmenten klaargezet die hij zijn gasten wil laten zien. Voorbij komen Jiskefet, FC Godenzonen en een reportage over Robbie de Wit. De voormalige linksbuiten van Ajax, wiens carrière vroegtijdig werd afgebroken na een hersenbloeding, damt tegenwoordig. Op het beeld lacht De Wit gul en zegt dat hij nog niet zo goed is als Ton Sijbrands. Het ontroert de persoon in kwestie.

Hij heeft er ook het fanclubblaadje van Cuby and the Blizzards bijgehaald. Een tiental A4’tjes, door midden gevouwen, met een keurig nietje in het midden. Sijbrands is al jaren lid. Geen haar op het hoofd dat hij dat opzegt.

Hij is een gevoelsmens. Als hij met vakantie gaat, en dat doet hij pas sinds kort, gaan altijd dezelfde twee damboeken mee. De opmerking dat hij de tekst en de partijen al lang uit zijn hoofd moet kennen, negeert hij.

Sijbrands vindt in die twee boeken het 11-jarig jongetje terug dat in het Amsterdamse Krasnapolsky voor de analfabeet Baba Sy, zijn eerste idool, de zetten noteerde. Dat sentiment wil hij vasthouden. Het jongetje in hem leeft nog. Het is 46 jaar ouder geworden, maar nauwelijks veranderd. Hoewel: ‘Als kind ben je zo ongelooflijk naïef.’

In zijn donkerste buien denkt hij tegenwoordig dat hij zijn leven heeft vergooid aan iets wat in feite een spelletje is. Zijn droom was wereldkampioen worden, dus die is in vervulling gegaan. Maar hij herinnert zich ook dat hij op de middelbare school met zijn vrienden menig avondje op geïmproviseerde elektrische gitaren trachtte muziek te maken. ‘Jarenlang zou ik met mijn middelste stiefzoon Michiel een gitaar gaan kopen. Het is er nooit van gekomen en dat ligt niet aan hem.’

Het kan natuurlijk altijd nog. En dan gewoon op zolder, met de koptelefoon op, een beetje improviseren. Hij ziet het er niet van komen; net zomin als de roman die velen hem als schrijver toedichten.

Het dammen staat het niet toe. Daar is hij voor geboren. Hij zou zijn talent minder efficiënt benutten als hij met andere dingen bezig was. En iets wat duizenden anderen beter of misschien net zo goed kunnen, is voor hem minder de moeite waard.

Hij is ook niet minder enthousiast over het dammen dan toen hij 11 was. ‘Dat wil zeggen: aan het bezig zijn met dammen’, verbetert Sijbrands zichzelf. Partijen speelt hij liever niet. De spanning vreet aan hem, en dat is door de jaren heen alleen maar erger geworden. Hij zoekt en tobt. De onpeilbare ambitie de beste dammer te zijn, was voor hem ondraaglijk.

Een verliespunt zette aan tot zelfhaat. De periode dat hij niet speelde, tussen 1973 en 1988, zat hij beter in zijn vel dan ooit. Het was na zijn tweede wereldtitel geen zelfverkozen ballingschap. De hoon die hem ten deel viel na de gewonnen WK-match tegen Andreiko, in 1973, had ermee te maken. Maar hij kon ook niet anders. Als hij tenminste nog een beetje prettig wilde leven. Al meer dan veertig jaar gaat hij met Pasen naar de Matthäus Passion. Maar nooit heeft hij daarvan meer kunnen genieten dan in de vijftien jaar dat hij niet speelde.

In 1989 zei hij voor een tweekamp tegen Gantwarg dat hij liever een hartaanval kreeg dan achter het bord plaats te nemen. Hij is er later stevig over onderhouden door een andere dammer. De man had gelijk, vindt Sijbrands nu. ‘Ik moet daar niet mee spotten.’

Een keer heeft hij de hulp ingeroepen van een psycholoog. Zestien jaar geleden. De man was hem aangeraden. Hij zou zeer geïnteresseerd zijn in het begeleiden van met name denksporters. Toen hij twee keer op zijn apparaat stond, belde Sijbrands hem terug om een afspraak te maken. Het werd een enorme teleurstelling. ‘Hij wist alleen maar dat ik net geen wereldkampioen was geworden. Maar hij wist niet dat ik al twee keer wereldkampioen was geweest.’

Voor hem zijn er twee soorten angsten in het leven, legt hij uit. De angst om te verliezen van heel sterke tegenstanders. En de angst om remise te spelen tegen die tegenstanders van wie hij normaliter zou moeten winnen. ‘Van die laatste angst heb ik verreweg het meeste last gehad.’

Daarom gedijt hij het beste in de blindsimultaan, een discipline waarin hij acht keer het wereldrecord verbeterde, en die ook de komende jaren zijn uitdaging blijft. Dat is ook een zelfkwelling, maar daar weet hij, als niet plotseling de gekte toeslaat, dat het uiteindelijk goed zal aflopen. ‘Je weet alleen niet hoelang het gaat duren.’

Hij durft zijn talent geen last te noemen. Dat zou heel ondankbaar zijn. ‘Scheppen gaat van au’, zegt hij. Een kunstenaar moet lijden. ‘De voldoening, als die er al komt, is alleen achteraf. Nooit tijdens. Dat had ik als kind al. Ik heb een ijzersterk vermogen mij voor te stellen hoe het mis kan gaan. In alles, niet alleen in het dammen. Maar omdat dammen datgene is wat ik doe, komt het daar het makkelijkste aan de oppervlakte.’

Hij speelt nog competitie voor Heijmans Excelsior, in Den Bosch, in de op een na hoogste klasse. De vraag of dat leuk is, beantwoordt hij met een onbegrijpende blik. Nee, natuurlijk is dat niet leuk. Hij voelt zich als een konijn, gevangen in de koplampen.

Na elke competitieronde zijn op de internetsite van de dambond de uitslagen terug te lezen. Spelers die een bijzondere prestatie hebben verricht, worden met blauw uitgelicht. ‘Zodra mijn partij is begonnen, zie ik al voor me dat de naam van mijn tegenstander in het blauw komt te staan.

‘Op de kosmos beschouwd is het allemaal onbelangrijk, maar ik leef met de constante vrees dat ik een punt moet afstaan, dat het remise wordt. De pest is ook dat we zeven wedstrijden hebben gehad en dat ik ze alle zeven heb gewonnen. Dat is me nooit overkomen. Dan word je allengs ambitieuzer. Dat levert stress op die je eigenlijk had willen vermijden door aan te kondigen: ik speel niet meer.’

Het ligt voor de hand dat hij ook daarmee na dit seizoen zal stoppen. Sijbrands kondigde eerder dit jaar al aan dat hij geen toernooien meer zal spelen. Hij bedankte voor deelname aan het WK, volgend jaar in Harderberg. De condities waaronder gespeeld moest worden, stonden hem niet aan. Ze beledigden zijn geliefde spel. Het was niet de eerste keer dat hij zich onbegrepen voelde.

En denken dat hij in 2009 nog altijd over de geest beschikt om op zijn vertrouwde niveau te strijden met de internationale grootmeesters, dat zou te gek zijn. Het is een illusie.

In 2003 voelde het wereldje bij het WK in Zwartsluis al niet meer als het zijne. ‘Daar dacht ik: hier hoor ik niet thuis, dit is mijn plek niet meer. Het telt wel dat je veel ouder bent dan de rest. Zeker als je het gevoel hebt een soort oude lul te zijn, die ten onrechte denkt binnen te dringen.’

Hij wil niet in een situatie terechtkomen waarin zijn tegenstanders denken dat remise tegen Sijbrands potentieel puntverlies is, dat ze hem als opgejaagd wild gaan beschouwen. Het zou onverteerbaar zijn. ‘Maar zo’n situatie is onvermijdelijk. Het is onvermijdelijk dat je minder snel gaat rekenen, en minder scherp.

‘Ik heb partijen gezien van heel grote spelers die doorgingen op een lager niveau. Die vroeger scherp en gecompliceerd durfden te spelen, maar die op hun oude dag met de meest bangige openingsvariantjes aankwamen. Dat wil ik niet meemaken. Ik heb nu nog de illusie dat het meevalt bij mij. Maar ik ben er bang voor dat me dat gaat overkomen.’

Hij merkt al dat hij tegenwoordig steeds moeilijker op namen komt. Dat is verschrikkelijk. Het jaagt hem de stuipen op het lijf. ‘Vroeger had ik ze vrijwel ogenblikkelijk paraat. Natuurlijk gaat iedereen dood, maar dat betekent nog niet dat het leuk is. Ik heb er moeite mee, omdat ik weet dat ik een heel goed geheugen had en dat ik nu nog maar een redelijk geheugen heb. Ik heb angst dat ik dingen kwijtraak. Soms denk ik weleens: hoe lang zal het mij nog gegeven zijn?’

Hij heeft voor zijn gevoel nog een missie te voltooien en is bang dat de tijd begint te dringen. ‘Als je de rouwadvertenties in de kranten ziet. Het is ongelooflijk hoeveel mensen op deze leeftijd, en soms nog jonger, het leven erbij inschieten. Mensen gaan echt bij bosjes dood.

‘De keuze om te blijven spelen vind ik meer de waan van de dag volgen dan het voor de eeuwigheid vastleggen van mijn carrière, van de partijen waarvan ik het de moeite waard vindt dat ze bewaard blijven. Ik moet er niet aan denken dat ik die boeken nog niet zou hebben geschreven en dat ik dan plotseling een fatale mededeling krijg van een arts. Dat lijkt me heel erg.’

Altijd draagt hij een opschrijfboekje bij zich, zoals Simon Carmiggelt vroeger. Hij noteert er zijn eigen damkronkels in. Hij kan een schriftje laten zien waarin staat dat hij, Ton Sijbrands, vandaag, 2 november 1968, een aanvang maakt met het schriftelijk vastleggen van zijn partijen. Het is een oude wens van hem. Als hij een scherpe selectie maakt uit de 2800 partijen die hij heeft gespeeld, komt hij op de 1300 die hij wil becommentariëren. Laat hem drie dagen nodig hebben voor een partij, dan is hij nog minimaal 15 tot 20 jaar zoet. En daarnaast zijn er nog de simultaanpartijen, kloksimultaanpartijen en de blindsimultaanpartijen. ‘Ik heb nog heel veel te doen.’

Dat zijn vader op 58-jarige leeftijd overleed aan kanker, maakt hem soms radeloos en neerslachtig. Zijn moeder ging dood toen ze pas 59 was. Wat staat een mens allemaal te wachten?

Hij is in een levensfase aanbeland waarin hij zijn zonden aan het overdenken is. Die zonden beperken zich in zijn ogen tot remisepartijen waarin hij de winst liet liggen; tot de momenten waarop hij het had moeten maken en hij naar zijn gevoel heeft gefaald.

Hij geeft de WK-match tegen Alexei Tsjizjov in 1990 ten voorbeeld. ‘Dat is iets waaraan ik letterlijk tot aan mijn laatste snik met spijt zal terugdenken. Ik vergelijk het altijd met 1974, de verloren WK-finale van Nederland. Al denk ik dat Nederland er tegen Duitsland nooit zo florissant heeft voorgestaan als ik tegen Tsjizjov.’

Als Sijbrands het over zonden heeft, refereert hij niet aan de talloze conflicten die hij heeft gehad met collega’s, maar vooral met de bond. Dat zijn geen dingen waarvan hij zou wensen dat hij ze kon terugdraaien. ‘Die dambond is altijd armoe troef geweest. En als ik meedoe aan een toernooi, wil ik niet die geur van armoede hoeven ruiken. En daarmee bedoel ik zeker niet alleen onze aanvaringen over de hoogte van het start- en prijzengeld.’

Er is in de damwereld een pro- en een contra-Sijbrands-kamp. Hij wordt gezien als een damgenie, anderen noemen hem controversieel. Hij heeft geen spijt van de ruzies die hij heeft gemaakt. Hij heeft er ook geen behoefte aan vrede te sluiten. ‘Ik ben teleurgesteld in mensen, andersom zullen er mensen zijn die teleurgesteld zijn in mij. Zo gaat dat in het leven. Sommige tegenstellingen zijn onoverbrugbaar.’

Het zal ongetwijfeld ook een kwestie van karakter zijn. Sijbrands denkt dat hij een wat opstandiger inborst heeft dan de meeste dammers. Dat is genetisch zo bepaald. Hij is het zich meer en meer gaan realiseren sinds de dood van zijn vader. Het laat hem al 24 jaar niet los.

‘Ik weet niet veel van hem, maar wel dat hij diverse arbeidsconflicten heeft gehad waardoor hij geregeld van baan is veranderd. Hij weigerde de vernederingen van zijn werkgever te slikken. Ik denk dat ik dat wel van hem heb meegekregen.’

Als kind heeft hij altijd gêne gehad over het gedrag van zijn ouders. Toen hij als 14-jarige jeugdkampioen van Nederland was geworden, was er een huldiging in het clubgebouw in Amsterdam. Zijn ouders waren ook uitgenodigd. ‘Maar de manier waarop mijn vader erbij zat op het podium, daar schaamde ik me voor.’

Hij was een moederskindje. Met zijn vader onderhield hij een gespannen relatie. ‘Ik ben nooit geweest wat hij zich van mij had voorgesteld.’

Het hart van Leen Sijbrands lag bij de scheepvaart. Liefst was hij binnenschipper geworden, zoals zijn broer en zus. Maar op aandringen van zijn vrouw ging hij aan wal wonen. Dat zou beter zijn voor de toekomst van de kinderen. Het was een groot emotioneel offer.

Toen bleek dat zijn zoon goed kon leren, diende zich een alternatief aan. ‘Hij heeft altijd gehoopt dat ik zou gaan studeren, liefst in Delft. Ik moest waterbouwkundig ingenieur worden om zijn droom uit te laten komen. Maar van dat studeren kwam niets terecht. En toen liet ik ook nog mijn haar groeien. Toch denk ik dat hij uiteindelijk wel trots op me is geweest.’

Trots is geen woord dat hij graag in de mond neemt. Sijbrands zegt niet te weten of hij het op zichzelf is. Hij houdt niet van grote woorden. Dat hij een genie wordt genoemd, maakt hem onrustig. Een mens moet niet te snel onder de indruk zijn. Zo bijzonder is het niet wat hij doet. Er is altijd iemand beter.

In 1992 kreeg hij een boekje toegestuurd van een oude Franse huisarts. De man voelde dat hij dood ging en wilde niet dat zijn damliteratuur op straat kwam te liggen. Voorin schreef de Fransman dat hij Sijbrands bewonderde vanwege zijn goede en sterke spel, maar ook en vooral vanwege diens toewijding aan de zaak van het damspel. ‘Als je me vraagt hoe ik herinnerd wil worden..., dan is het zo.’

Hij denkt eigenlijk niet dat veel mensen zijn boeken zullen lezen. Maar het verlost hem niet van het gevoel ze te moeten schrijven. ‘Ik voel dat als een plicht, jegens de damsport en jegens mezelf. Ik wil verantwoording afleggen voor het leven dat ik heb geleid. Ik ben overtuigd van de schoonheid van het spel, dus ik heb geen spijt van mijn leven.’

Meer over