De Grote Depressie en de sportwereld

Ook in de jaren dertig was het crisis alom. Nederland dreigde de Olympische Spelen van 1932 in Los Angeles daardoor zelfs te missen....

Wat later de Grote Depressie zou heten, werd in de jaren dertig op de sportpagina’s omzichtig een financiële quastie genoemd.

Misschien kwam het doordat de sport, anders dan nu het geval zal zijn, niet zoveel te lijden had van de economische neergang. Buiten het boksen en wielrennen werd sport niet professioneel beoefend.

Anders ook dan nu was het bezoek aan grote voetbalwedstrijden betaalbaar en voor een verzetje had men graag wat over. Dat laatste zal vermoedelijk nu overigens ook gelden.

Met het aanvalstrio Beb Bakhuys, Leen Vente en Kick Smit had Oranje destijds ook wat te bieden. Niet voor niets plaatste het Nederlands elftal zich in 1934 voor het eerst op een WK.

Ondanks de crisis reisden zevenduizend supporters naar Milaan voor de eerste wedstrijd. Bob Scholte zong optimistisch We gaan naar Rome, maar verder dan Milaan kwamen we niet. Zwitserland was met 3-2 te sterk.

Dat de financiële kwestie toch werd aangeroerd in de sportrubrieken had te maken met de Olympische Spelen van 1932 in Los Angeles. Een jaar voor aanvang maakte het Nederlands Olympisch Comité bekend dat er geen geld was om een afvaardiging die kant op te sturen.

In die tijd moest de sport nog zijn eigen boontjes doppen en de regering had tot twee keer toe een subsidieverzoek afgewezen. Met een grote loterij hoopte het NOC de blamage nog af te wenden, maar de opbrengst was te gering.

Baron Schimmelpenninck van der Oye, voorzitter van het comité, sprak het bestuur op 2 oktober 1931 toe als mannen die ‘staan op de bodem van de realiteit’. Het benodigde bedrag van honderdduizend gulden was gewoon niet voorhanden. Wat niet kon, kon niet. ‘Sportbeoefening moet achter staan bij de grotere belangen die het Nederlandse volk nu raken.’ Een nationale inzamelingsactie vond Schimmelpenninck ongepast.

De kranten stonden er bol van. Er werd begrip getoond, zoals in het commentaar van Algemeen Handelsblad. ‘Alles wat onproductief is, mag thans geen geld kosten.’ Maar er werd ook schande van gesproken. De Telegraaf meende dat het algemeen belang juist nu gediend was met de ‘vaderlandsche driekleur’ aan de hoogste mast van Los Angeles.

De afzegging kwam extra hard aan, omdat de Spelen vier jaar eerder in Nederland waren gehouden. Hoe groot was de schande als de burgemeester van Amsterdam helemaal in zijn eentje de Olympische vlag moest overdragen?

Drie weken later kwam het NOC- bestuur in een geheime vergadering bijeen met de aangesloten sportbonden. In hotel Krasnapolsky werd duidelijk hoe de problemen zo acuut konden worden.

Carl Hirschman, de secretaris- penningmeester van de NOC, had veel geld verspeeld in de beurskrach. De Olympische beweging had 13.500 gulden bij hem uit staan en Hirschman, in het dagelijks leven, beurshandelaar, was failliet gegaan.

Volgens de notulen stelde niemand vragen over deze vermenging van zaken. Alle aanwezigen hadden juist te doen met de afgetreden Hirschman. ‘Hij genoot een onbeperkt vertrouwen’, zei Schimmelpenninck van der Oye. Niet alleen had Hirschman aan de wieg van het NOC gestaan, hij had ook de stoot gegeven tot de oprichting van wereldvoetbalbond FIFA.

Uiteindelijk hielp de KNVB de olympische beweging met een ruime gift uit de brand. Zodoende kon Nederland toch met een kleine afvaardiging vertegenwoordigd zijn in Los Angeles. In een bestuursvergadering op 2 mei 1932 werden de kosten per atleet berekend: 350 gulden voor de bootreis, 750 gulden voor de landreis, 200 gulden voor verblijf, 100 gulden voor verzekering, 25 gulden voor tenue en 75 gulden onvoorzien.

Meteen ging een telegram met het goede nieuws naar Los Angeles. Per ommegaande kwam een antwoord dat Het Vaderland als volgt vertaalde: ‘Geluk gewenscht. Wij wisten dat gij het zoudt doen.’

Van de 24 sporters die van 30 juli tot 14 augustus 1932 aantraden, voorzagen de ruiters in hun eigen kosten. Eén van hen, Charles Pahud de Mortanges, was goed voor goud. Hetzelfde gold voor baansprinter Jacques van Egmond.

Hoe hard de crisis wereldwijd had toegeslagen, bleek uit het deelnemersveld: 1.408 sporters uit 37 landen. Vier jaar later ontving Berlijn 4.066 sporters uit 49 landen.

Op initiatief van Karel Lotsy, die de afzegging ontoelaatbaar had gevonden, organiseerde het NOC vanaf 1933 elk jaar een Olympische Dag in het gelijknamige stadion. Dat leverde in de aanloop naar Berlijn een bedrag op van zestigduizend gulden. Nooit meer zou geldgebrek deelname aan de Spelen in gevaar brengen.

Meer over