De bedriegers voelen zich nu bedreigd

In de jacht op de ‘hogeschoolfraudeurs’ worstelt de directeur van de Dopingautoriteit met ‘een duivels dilemma’. In de zoektocht naar de waarheid krijgt hij de rol van aanklager opgedrongen....

Zijn vak roept emoties op. Soms heftige. Aan hatemail is Herman Ram gewend geraakt, al maakte hij onlangs wel bij de politie melding van een extreem onaangename scheldpartij. Voor de zekerheid.

Op een lugubere manier, beseft Ram, is de dreigende taal een compliment. In ruim drie jaar tijd is hij als directeur van de Dopingautoriteit uitgegroeid tot het gezicht van de dopingbestrijding in Nederland. De bedriegers voelen zich bedreigd.

Onder Ram (52) vaart de Dopingautoriteit een scherpe koers. Dat heeft verschillende geruchtmakende zaken op geleverd. De affaires met atleet Simon Vroemen, turnkampioen Yuri van Gelder en de 15-jarige schaatser Wesley Lommers en zijn 13-jarige zusje Dominique hebben voor veel publiciteit gezorgd.

De directeur heeft er bewust voor gekozen ‘op de bal te zitten’. Het gaat hem niet om de ‘amateurgebruiker’, maar om het ontmaskeren van de ‘hogeschoolfraudeurs’. Daarmee maakt Ram het zichzelf en zijn organisatie (15 werknemers plus 32 controleurs) niet gemakkelijk.

Een groot deel van zijn reglementaire taak beslaat voorlichting over en preventie van doping: ruim 98 procent van de Nederlandse topsporters is schoon volgens de ruim 2.600 jaarlijks gehouden dopingcontroles. Vorig jaar zijn 34 tuchtzaken wegens doping aangebracht.

Maar in de beeldvorming domineert de jacht op fraudeurs. Dat kost veel tijd. Ram staat per dag gemiddeld twee journalisten te woord over doping. In die strijd om de publieke opinie is Ram lang terughoudendheid geweest. Hij is van mening dat dopingzaken in beslotenheid moeten worden behandeld. De privacy van de verdachte sporter staat voorop. Alleen een eventuele schorsing moet bekend worden gemaakt.

Met die opvatting staat hij lijnrecht tegenover de wereldwijde antidopingorganisatie WADA, die sinds dit jaar het liefst ziet dat verdenkingen meteen worden gepubliceerd. De principiële benadering is steeds moeilijker vol te houden, meent Ram.

Dopingverdachten zoeken vaker de publiciteit, al dan niet geholpen door advocaten en een handvol wetenschappers. Hoewel Ram als jurist het recht op verdediging toejuicht, is hij van mening dat er vaak een onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven. Dat kan van invloed zijn op de uitspraken die tuchtrechters doen. ‘Dat raakt ons erg’, zegt hij in zijn kantoor in Capelle aan den IJssel.

Ram heeft besloten minder terughoudend te zijn, al zal hij zelf nooit de eerste zijn om de publiciteit te zoeken. Hij vecht terug als er naar zijn idee onjuist informatie wordt gegeven. Hij gaat in op individuele zaken. ‘Vergelijk het met het Openbaar Ministerie dat in strafzaken besloot actiever naar buiten te treden om tegenwicht te bieden aan partijdige informatie van advocaten in de media.’

Volledige openheid van zaken geeft Ram niet. Die wordt bewaard voor de tuchtrechtzittingen, hoe moeilijk dat soms ook is als de vermeende dopingzondaar zwaait met wetenschappelijke rapportages of (zogenaamd) deskundigenonderzoek.

Die afweging veroorzaakt weerstand. Sommige critici stellen de dopingbestrijding voor als een gesloten circuit, waarop geen controle mogelijk is. Controleurs, laboratoria en antidopinginstituten zouden samenspannen om resultaten te behalen en subsidiestromen veilig te stellen, soms door de waarheid geweld aan te doen.

Die indruk is versterkt door voormalig WADA-directeur Dick Pound. De Canadees heeft de mondiale dopingcode van de grond gekregen, maar hij deinsde er niet voor terug om beroemde topsporters (Lance Armstrong) zonder sluitend bewijs van dopegebruik te beschuldigen. Hij liet zich meer gelden als een aanklager, dan als een waarheidsvinder.

De werkwijze van Pound staat Ram niet aan. Formeel gezien is de Dopingautoriteit nooit aanklager in dopingzaken; het instituut draagt slechts feiten aan. Die kunnen ook ter verdediging van de sporter worden aangewend. De sportbond is altijd de formele aanklager.

In de praktijk wordt Ram wel gezien als de aanklager, zeker door de topsporters die worden beschuldigd van doping. Hij krijgt de rol opgedrongen.

Hoewel de Dopingautoriteit zegt in het belang van de sporter zo min mogelijk mededelingen te doen over de zaken, roept dat allerminst vertrouwen op.

Sterker nog: hoe vaker Ram benadrukt dat zijn organisatie te vertrouwen is, hoe sterker het wantrouwen bij de vermeende overtreders lijkt te worden.

Ram: ‘Het is een duivels dilemma. Tegenover al de twijfel die vanuit partijbelang wordt gezaaid, kan ik jammer genoeg niet het objectieve, wetenschappelijke belang zetten. Daar zou de verdediging meteen mee aan de haal gaan. Dan verzand je in enorm langdurige procedures. Daar ga je gegarandeerd kapot aan.’

Ram stoort zich ‘aan het aplomb waarmee de verdediging en de critici de waarheid claimen’. Hij beweert niet dat het anti-dopingsysteem perfect is, maar hij is ervan overtuigd dat het systeem ‘staat als een huis’.

In de 35 WADA-laboratoria wordt volgens hem wetenschappelijk gewerkt. Er is onderlinge concurrentie, collegiale toetsing en de diepgewortelde wens om sporters niet ten onrechte te veroordelen. Theorieën van verdediging, ook heel wilde, worden onderzocht om zogenaamd positieve tests te voorkomen. ‘Dat is de nachtmerrie voor onze beroepsgroep.’

Tegenover die zorgvuldigheid zetten (vermeende) dopinggebruikers een strategie die onder dopingbestrijders bekend staat als een ‘Landisje’, meent Ram. Wielrenner Floyd Landis zorgde voor eindeloze vertraging in zijn dopingzaak door de dopinglaboratoria herhaaldelijk in diskrediet te brengen. Uiteindelijk is hij wel veroordeeld. ‘Al zijn inhoudelijke argumenten zijn van tafel geveegd.’

Ook in Nederland rukt die strategie op. Ram geeft een onschuldig voorbeeld. De regels schrijven voor dat een urinestaal wordt verzegeld. De Dopingautoriteit verzegelt niet alleen het potje, maar ook de verpakking waarin het potje wordt bewaard. Zo wordt voorkomen dat iemand aan het potje zit of in de verpakking kijkt.

Dat tweede zegel hoeft niet. Soms komt het voor dat het tweede zegel ontbreekt, doordat de drukker te laat heeft geleverd of doordat ze op zijn vanwege een plotselinge drukte.

In een tuchtzaak is het ontbreken van het tweede, vrijwillige zegel door de verdediging met succes aangevoerd als een fout. De sporter ging vrijuit. ‘Hoe kunnen wij ons daartegen verweren? Door dat tweede zegel af te schaffen en dus minder zorgvuldig te handelen dan we willen.’

In Nederland bespeurt Ram steeds vaker twijfel bij tuchtcommissies door verstrooiende tactieken van advocaten en partijdige deskundigen. De leden zijn vrijwilligers: vaak met veel juridische of medische kennis, maar zonder specialistische kennis van dopingvraagstukken. Ook bij het Instituut Sportrechtspraak (ISR). Dat handelt de dopingzaken van zo’n 25 bonden af.

Ram: ‘Ik zie dossiers van 200, 300 pagina’s vol tabellen en grafieken. Dat snapt bijna niemand meer. Het ISR is van groot belang voor de tuchtrechtspraak in dopingzaken. Maar het werktempo baart me zorgen, ook vanuit het oogpunt van de sporter. Anderhalf jaar is te lang.’

Hij doelt vooral op de zaak-Vroemen, de atleet die in juni 2008 positief testte op het verboden middel metandiënon en dat resultaat sindsdien aanvecht.

Door de inhoudelijke complexiteit vallen straffen vaak lager uit dan is voorgeschreven in de dopingreglementen. De twijfel doet zijn werk. Ram: ‘Dat is precies wat het zo ingewikkeld maakt. Ik kan weinig stellen tegenover het zaaien van twijfel behalve de boodschap dat ik aanhoudend word getoetst, hoe de regelgeving tot stand komt en welke kwaliteitssystemen zijn ingebouwd.’

Ram wil maar gezegd hebben: ‘Dopingregelgeving is geen kattendrek.’

Vanwege zijn vertrouwen in het systeem is Ram bereid de ultieme consequentie te trekken als blijkt dat een atleet op grond van verkeerde laboratoriumanalyses ten onrechte is veroordeeld voor doping. Hij zou opstappen als directeur van de Dopingautoriteit.

‘Let wel, ik heb het niet over vrijspraak door een tuchtcommissie. Ik heb het over het zelf tot de conclusie komen dat we een fout hebben gemaakt, die tot een onterechte veroordeling heeft geleid. Die kans is klein, maar het kan. Als we in een lopende procedure een essentiële fout zouden ontdekken, trekken we zo’n zaak natuurlijk in. Want we werken nooit naar een veroordeling toe. Wij proberen de waarheid boven tafel te krijgen.’

Meer over