analyse

Dankzij kunstijs is Nederland een schaatsnatie. Zestig jaar terug werd de eerste wedstrijd verreden

Reinier Paping en Jeen van den Berg bij de officiële opening van de Jaap Edenbaan. Beeld anefo
Reinier Paping en Jeen van den Berg bij de officiële opening van de Jaap Edenbaan.Beeld anefo

Zestig jaar geleden, op 22 december, werd de eerste kunstijsbaan van Nederland geopend met een rit tussen twee Elfstedentocht-winnaars: de deze week overleden Reinier Paping en Jeen van den Berg. Dankzij kunstijs is Nederland veruit de succesvolste olympische schaatsnatie.

Erik van Lakerveld

Het is zo’n typisch Hollandse winterdag: zwaar bewolkt en met een temperatuur rond het vriespunt. Overdag heeft het gedooid. Het is te warm om op natuurijs te rijden. Maar het hoeft deze avond, 22 december 1961, ook niet te vriezen. In Amsterdam ligt kunstijs: de eerste 400-meterbaan wordt officieel geopend.

In de allereerste rit staan twee mannen klaar voor de 500 meter, eigenlijk een veel te korte afstand voor het tweetal dat roem vergaarde op de 200 kilometer. Jeen van den Berg won de Elfstedentocht in 1954, Reinier Paping zou dat in 1963 doen.

Ook in het langebaanschaatsen heeft Van den Berg zijn sporen verdiend. Hij is tweemaal naar de Olympische Spelen afgevaardigd: in 1956 en 1960. Sportminnend Nederland is dol op de schaatsende onderwijzer. Hoe anders is de reputatie van Paping. Hij mag dan meervoudig kampioen van Overijssel zijn, maar op zijn beste dagen is hij op nationaal niveau een subtopper. Eenmaal had hij mee gemogen naar een internationaal titeltoernooi, het EK allround in 1955.

Ook al is de 500 meter in Amsterdam van weinig belang, Paping gunt zijn tegenstander geen ruimte. Hij had het niet zo op Van den Berg, vertelt hij zestig jaar later, kort voor zijn overlijden op 90-jarige leeftijd. ‘Hij was mijn grootste concurrent. En zeker niet mijn vriend.’ Paping wint de rit, al rijdt hij met 48,4 de tweede tijd van de dag. Winnaar is Geale Lourens, die 48,2 klokt, een baanrecord.

Kunstijs

Eigenlijk is de uitslag van ondergeschikt belang. Het draait deze avond vooral om de kunstijsbaan. Al sinds 1955 zijn Amsterdammers bezig met de aanleg, maar door de wereldtitel van Henk van der Grift in 1961 is het project in een stroomversnelling gekomen. Ineens blijkt er geld en enthousiasme.

De schaatsliefhebbers zijn in drommen op het kunstijs afgekomen. In de kleine twee weken voor de officiële opening hebben al 70.000 mensen op het kunstijs gestaan. Bij de feestelijke opening is de baan mooi versierd met lampionnen en een reusachtige kerstboom op het middenterrein. Daar staat een tienjarige jongen tussen de Amsterdamse notabelen. ‘Hiermee geef ik deze baan de naam van mijn grootvader,’ klinkt het helder en hoog uit zijn mond. Het is overigens ook zijn eigen naam: Jaap Eden. Hij is vernoemd naar de eerste wereldkampioen schaatsen (1893).

Er is in een mooi spektakel voorzien. Om acht uur worden alle lichten gedoofd en betreedt een sliert schaatsers de verse ijslaag. Voorzien van fakkels glijden ze over het ijs, op de maat van de Schaatsenrijderswals, een muziekstuk uit 1882 van componist Émile Waldteufel. De lichte tonen van de compositie contrasteren met het zwaarmoedige weer, maar de zwierige slagen van de schaatsers maken veel goed.

Achter de fakkeldragers volgt een vreemde stoet van sleeën die door ijshockeyers worden voortgetrokken. In de voorste slee zit de Amsterdamse Stedemaagd – of althans een vrouw die zich heeft verkleed als het standbeeld dat aan de ingang van het Vondelpark staat en de hoofdstad symboliseert. Of de gelijkenis goed is getroffen, is niet te zien. De vrouw is diep in haar kleding weggedoken. Alleen het puntje van haar neus is nog te zien. Ook burgemeester Gijs van Hall heeft het koud en zit, zo vermeldt de Volkskrant, ‘diep weggedoken in de kraag van zijn winterjas en getooid met een Engelse pet’.

Naast de hoogwaardigheidsbekleders betreedt ook Sjoukje Dijkstra de ijsbaan. Zij moet haar grootste roem nog bereiken. In 1964 wint de kunstrijdster olympisch goud. Maar ze geldt als tweevoudig Europees kampioene al wel als een schaatsgrootheid. Zij ‘nam met enige sierlijke sprongen haar aandeel in de bonte stoet’.

Kampioenschappen

De openingswedstrijden op de Jaap Edenbaan zouden snel vergeten worden. Maar het belang van de kunstijsbaan werd niet veel later dubbel en dwars bewezen. Het NK dat op 29 en 30 december in Assen was uitgeschreven, zou ouderwets op natuurijs worden verreden, maar moest na één dag vanwege dooi worden afgelast. In maart 1962 kon dat toernooi wel gehouden worden op de Jaap Edenbaan: Henk van der Grift won bij de mannen.

Het kunstijs bleek een uitkomst. Waren er tussen 1901 en 1961 slechts 19 NK’s verreden, vanaf 1962 zou er nooit meer een winter zonder zijn. Het langebaanschaatsen zou tot volle wasdom komen, met Nederland als verreweg de succesvolste olympische schaatsnatie (121 medailles). Paping: ‘Zonder kunstijs waren de Nederlanders in de toekomst nooit aan de beurt gekomen.’

De Elfstedenwinnaar van 1963 kon er zelf niet van profiteren. De ijsbaan in Amsterdam was voor de inwoner van Overijssel te ver van huis om regelmatig gebruik van te kunnen maken. Tegen de tijd dat de ijsbaan in Deventer opende was hij al 31. ‘Ik ging daar uiteindelijk twee keer peer week naartoe om te trainen, maar eigenlijk was het voor mij te laat.’

Dit is een ingekort hoofdstuk uit het boek Langebaan: Het Nederlandse schaatsen in 75 legendarische ritten dat onlangs is verschenen bij Noblesse Uitgevers.

Meer over