DAMMEN: Van hekstelling tot kettingstelling

We beginnen met een fragment. De stand van het eerste diagram deed zich na 36 zetten voor in een uit 1992 daterende competitiepartij tussen DAVO-speler Herman Meijer en oud-wereldkampioen Anatoli Gantwarg (Hiltex)....

36...18-22!

Om de bevrijdende opstoot 29-23x23 onmogelijk te maken.

37.36-31 12-18 38.31-27?! 22x31 39.26x37

Dit terugruiltje is al enigszins twijfelachtig. Inderdaad leek 38.32-28?! 22-27! 39.31x22 18x27 niet erg in aanmerking te komen, maar 38.40-35(!) 7-12 39.34-30(!) was een serieus alternatief. Een belangrijke finesse is dat zwart niet goed 39...22-27? kan doen wegens 40.31x22!!, 41.30x19, 42.35-30!, 43.38-32 en 44.33x2 met een gunstig of zelfs gewonnen eindspel.

39...18-22!

De geschiedenis herhaalt zich. Voor de tweede maal binnen vier zetten onttrekt zwart schijf 18 aan afruil.

40.37-31?

En hierna staat wit zowaar al verloren. Aangewezen was 40.32-28 dan wel 40.40-35 gevolgd door 41.34-30.

40...7-12! 41.31-26

Niet beter is 41.32-28 vanwege een soortgelijk schijnoffer als in de partij: 41...22-27! 42.31x22 12-18 enz. met onvermijdelijke doorbraak naar dam.

41...22-27! 42.32x21 11-16 43.29-23 16x27

Wit kan nu niet meer voorkomen dat zwart schijf 26 afruilt en vervolgens met 27 oprukt richting promotielijn. Na nog elf zetten (44.33-28 17-21 45.26x17 12x21 46.23-19 27-31 47.19x30 31-36 48.30-24 20x29 49.34x23 36-41 50.39-33 41-46 51.38-32 8-12! 52.40-35 21-27! 53.32x21 13-19 54.23x14 46x10) had Gantwarg de volle buit binnen.

Dat was kort maar krachtig. Ook in het praktijkvoorbeeld dat ik nu laat volgen, voltrekt het vonnis zich verbluffend snel. Een verschil is alleen dat de omsingelaar de centrumopstoot 29-23x23 (of 22-28x28) ditmaal niet verhindert maar - integendeel - juist uitlokt.

Zie diagram 2

Zo stond het na 33...7-11?! in de partij Vermin-Spanjer, Groningen 1990. Vanuit de tweede diagramstand volgde er:

34.34-29(!) 23x34 35.39x30

Dit is inderdaad veel sterker dan het weliswaar thematische, maar daarom nog niet automatisch correcte 34.33-29?! 15-20!, waarop in elk geval 35.38-33(?) te hoog gegrepen zou zijn wegens 35...10-15! 36.35-30 22-28! 37.33x22 17x28 38.30-25* (38.30-24?? 18-22! +) 20-24! 39.29x20 15x24 met fraai aanvalsspel voor zwart.

35...22-28 36.33x22 17x28

Ik schreef zoëven dat Vermin de opstoot 29-23x23 c.q. 22-28x28 uitlokte, maar het zou juister zijn te zeggen dat hij er zijn tegenstander zelfs toe verplicht. Spanjer heeft namelijk geen andere keus dan de vijandelijke bordhelft te betreden, want tegen de dreiging 33-29-23 + baatte ook 35...13-19? niet echt wegens 36.30-24! 19x30 37.35x24 en aansluitend datzelfde 33-29-23 +. Een grappig voorbeeldje: 37...10-14 38.33-29 14-20 39.44-39! 11-16 40.39-33! 17-21 (wat anders?) 41.24-19!! 21x32 42.38x27 en zwart kan niet tegelijkertijd èn 43.19-14 + èn de damzet 43.27-21 enz. + pareren.

37.44-39(!) 10-14?

De meest voor de hand liggende opbouwzet blijkt nèt te traag. Na het actievere 37...18-23 of (vooral) 37...15-20!, met de bedoeling 38.27-21 20-25! enz., had wit nog heel wat te bewijzen gehad.

38.27-21!

Het is niet duidelijk wat zwart nu nog kan uitrichten tegen de dreiging 39.21-16!, 40.16x7 en 41.38-33! enz. met verovering van schijf 28. In elk geval vormt 38...15-20 39.30-25! 20-24 geen bevredigende oplossing voor de gerezen problemen, want na 40.21-16! 24-29 41.16x7 12x1 42.38-32!! 28x26 43.36-31 26x48 44.39-34 48x30 45.25x3 ziet het resterende eindspel van vier (nog nauwelijks opgerukte) zwarte schijven tegen dam plus schijf er weinig hoopvol uit.

38...14-19 39.21-16! 11-17

Dit noodschot zal evenmin uitkomst brengen.

40.31-26! 18-22

Anders 41.38-33! 28-32 (41...18-22? 41.36-31! +) 42.42-38! enz. met schijfwinst of doorbraak naar dam.

41.26-21 17x26 42.16-11

Ten koste van slechts één schijf is wit doorgebroken naar dam. Na nog vijf zetten (42...12-17 43.11-6 13-18 44.38-33 17-21 45.6-1 8-12 46.42-37 19-23 47.1-6) gaf de zwartspeler zich dan ook gewonnen.

De slimme lezer heeft het natuurlijk allang begrepen: deze rubriek handelt over de halve hekstelling zonder vijandelijk randstuk op 35 (wit) of 16, het thema dat ook centraal stond in de vorige week besproken competitiepartij Haijtink - B. Okken.

(Even een terzijde. Mijn 'analyse' van het eindspelletje uit die partij bevatte een kolossale fout die er als het ware om schreeuwt te worden rechtgezet. In de toch waarlijk niet gecompliceerde stelling 12,D28/13,31 liet ik zwart namelijk 1...28-14?? spelen, welke zet na 2.31-26! niet meer dan remise oplevert. Maar 1...28-22 is vanzelfsprekend huizenhoog gewonnen...)

Een dergelijke versie nu van de halve hekstelling geldt - ik schreef het vorige week al - over het algemeen als veel minder kansrijk dan de veel vaker voorkomende verschijningsvorm waarbij de tegenstander het randveld 35 (16) bezet en zich derhalve nooit kan bevrijden met 29-23? c.q. 22-28?, dat immers steeds een volle schijf zou kosten. Maar het loutere feit dat die opstoot in bovenstaande fragmenten wèl aan de orde komt, betekent nog allerminst dat de bedoelde (halve) hekstellingsvorm zelden of nooit vruchten zou kunnen afwerpen. Dat bleek al uit de zojuist besproken praktijkvoorbeelden, en het blijkt ook uit de vele andere voorbeelden die bij het computergestuurde onderzoek(je) dat ik er de afgelopen week naar verricht heb, aan het licht kwamen.

Met één daarvan sluit ik deze rubriek af. De partij werd in april 1958 gespeeld in de openingsronde van het kandidaten-toernooi dat de uitdager van de toenmalige wereldkampioen Deslauriers moest aanwijzen. De overwinning van Iser Koeperman op Wim Roozenburg, de oudere broer van oud-wereldkampioen Piet Roozenburg, mag men met recht historisch noemen, want het was de eerste partij die ooit door een dammer uit de Sovjet-Unie op West-Europese bodem werd gespeeld!

Koeperman - W. Roozenburg

(Challenge Mondial 1958)

1.32-28 18-23 2.33-29 23x32 3.37x28 16-21 4.38-33 21-26 5.42-38 26x37 6.41x32 17-22 7.28x17 11x22 8.46-41 6-11 9.41-37 1-6 10.37-31 13-18 11.34-30 20-24 12.29x20 14x34 13.40x29 10-14 14.45-40 5-10 15.40-34 9-13 16.35-30 3-9 17.47-42 19-24 18.30x19 14x23 19.32-28 23x32 20.38x27 10-14 21.43-38 14-19 22.29-24 19x30 23.34x25 13-19 24.49-43 9-14 25.50-45 11-17 26.44-40 19-23 27.39-34 8-13 28.34-29 23x34 29.40x29 13-19 30.29-24 19x30 31.25x34 14-19 32.43-39 4-9 33.48-43 9-14 34.38-32! 19-23 35.34-29! 23x34 36.39x30 14-19 37.32-28!

De halve hekstelling wordt getransformeerd in een heuse kettingstelling. Voor commentaar op het slot van deze partij verwijs ik de lezer naar pagina 205 e.v. van het door Koeperman en Kozlov geschreven Mii Pobjedili, een in 1960 te Moskou verschenen boek dat Koepermans opmars naar de wereldtitel beschrijft en dat eigenlijk in geen enkele dam(mers)bibliotheek zou mogen ontbreken!

37...15-20 38.45-40 20-25 39.40-34 6-11 40.42-37 2-8 41.43-38 11-16 42.37-32 8-13 43.31-26 22x31 44.36x27 17-22 45.28x8 13x2 46.33-28 7-12 47.28-22 18-23 48.38-33 12-18 49.22x24 23-29 50.34x23 25x34 51.23-19 34-40 52.19-14 40-44 53.14-10 44-50 54.32-28 50-44 55.10-4

Zwart geeft het op.

Meer over