Boogerd, meer hebben we niet

Morgen moet Michael Boogerd de Amstel Gold Race winnen. Of toch maar niet? Bij zijn werkgever is de lol van de enige Nederlandse klassieker er wel een beetje af....

Marije Randewijk

De eerste vragen komen meestal op de zondagmiddag van Parijs-Roubaix. Als de renners zich op televisie opmaken voor de kasseien van het Bos van Wallers en er in de krakkemikkige Salle de Presse van de afgebladderde wielerbaan nog tijd rest om de laatste nieuwtjes uit te wisselen. Meestal eindigt het in getreiter.

Hoe is het met Michael Boogerd? Geen flauw idee.

Wordt hij nóg eens tweede bij de Amstel Gold Race? Dat is maar vier van de twaalf keer gebeurd, dus wat bazel je nou.

Hoe heet de vreemdeling die hij deze keer aan de zege gaat helpen? Bedenk daar zelf het antwoord maar op.

En het tactische plan van Rabobank, hoe ziet dat eruit?

Meestal valt daar de eerste pijnlijke stilte. Niet bij de vragensteller. Die laat er doorgaans een hatelijk en zelfingenomen lachje op volgen. Het is leedvermaak.

In het buitenland vereenzelvigen verslaggevers hun collega’s met coureurs en ploegen. Dus worden de Vlamingen op het matje geroepen na het ‘falen’ van Tom Boonen. Staan de Italianen voor het tribunaal als het om Paolo Bettini gaat. En zijn de Nederlanders verantwoordelijk voor het wel en wee van Michael Boogerd.

Hoe beter de prestaties van ‘hun’ renner, hoe plezieriger het leven van de verslaggever. Hij ontleent er zijn status aan. Je kunt blijven herhalen dat chauvinisme de verkeerde leidraad is voor het schrijven van objectieve en heroïsche verhalen en dat nog menen ook, maar alles verandert zodra het over Michael Boogerd gaat. Kom niet aan Boogerd, hij is alles wat we hebben.

Zondag moet hij de Amstel Gold Race winnen. Het moet nu echt, bij zijn laatste poging. Om het hoongelach te laten verstommen. Om zijn ploeg te verlossen. En omdat – als hij het niet doet – de Nederlandse wielerliefhebber jaren verstoken zal blijven van een succesje in de enige klassieker op vaderlandse bodem.

Erik Breukink kon wel mooi zeggen dat zich vanzelf een opvolger voor Boogerd zal aandienen en dat we dan over 10 jaar net zo bij elkaar zouden zitten als donderdagochtend in Valkenburg. Maar dat relativeren, het kon dan wel zijn handelsmerk zijn, maar daar hadden we even geen boodschap aan. Het land zat in zak en as, behalve de leiding van de grootste wielerploeg van Nederland kennelijk. Dat kon twee dingen betekenen: zij wisten meer dan wij, of wij meer dan zij.

Een van de eerste vragen aan Breukink was donderdag of hij Karsten Kroon terug ging halen. De ploegleider mompelde iets in de trant van ‘zeg nooit nooit’, maar ook dat Kroon niet meer de jongste was.

De 31-jarige renner van CSC is voorlopig wel de enige Nederlander die net als Boogerd goed uit de voeten kan in de Limburgse heuvels. Thomas Dekker zou het ook moeten kunnen, maar nog even en dan wil die echt de Tour winnen. Dan hoort hij zijn neus op te halen voor de Goldrace. April wordt de maand om achter het brommetje van Luigi Cecchini, zijn Italiaanse trainer, de Alpenetappes van de Tour te verkennen.

Drie jaar geleden schreef de Volkskrant aan de vooravond van Olympia’s Ronde een lovend rapport over de nieuwe lichting. Nog even en Nederland was weer een wielerland, nog even en dan telden we weer mee.

Dat even wordt iets langer. Bij Parijs-Roubaix ging het ineens over Australiërs en Spanjaarden die hun oprit met kasseien wilden betegelen. Met het afscheid van Boogerd dreigt het gevaar dat die in hun veroveringsdrift ook de Cauberg aan het territorium willen toevoegen. Het viel al niet mee om er de Italianen en de Luxemburgers te verjagen.

Het heeft de laatste jaren tot grote frustraties geleid in de gelederen van de enige Nederlandse Protourploeg. Het begrip thuiswedstrijd bestaat niet in de wielersport. Maar Rabobank gaat zwaar gebukt onder het verantwoordelijkheidsgevoel in de Amstel Goldrace. Ze worstelt met de hoge verwachtingen die ze zich oplegt.

Erik Dekker boekte in 2001 de laatste zege op Limburgse bodem. In de daaropvolgende jaren werd keer op keer het tactische vermogen van renners en ploegleiders in twijfel getrokken als weer eens was verloren. Ze hebben het gevoel dat ze geen goed meer kunnen doen.

Zegevieren alleen is niet meer goed genoeg. De zege moet heroïsch zijn. Boogerd wordt er nog altijd aan herinnerd dat hij in 1999 alleen maar kon winnen omdat Jan Raas hem verbood nog langer met Lance Armstrong samen te werken.

Het heeft ertoe geleid dat Frans Maassen een zucht van opluchting slaakte toen bleek dat hij zondag, nota bene in zijn eigen Limburgse land, niet tot de uitverkozen ploegleiders behoorde. Nieuwkomer Dekker mag bewijzen dat hij, samen met Erik Breukink, wel in staat is een onfeilbaar meesterplan te smeden. Nee, hij móet het bewijzen. Zo werkt dat bij een thuisploeg.

Maassen babbelt wat bij Mart Smeets en zoekt daarna een rustig plekje in de heuvels. Drie jaar zat hij in de ploegleidersauto, drie jaar was het niet leuk. ‘Alleen maar negatief, elke keer was het alleen maar negatief. Met Boogerd werden we twee keer tweede en een keer derde. Maar niemand wenste er een positieve draai aan te geven. We zijn tot op de grond afgebroken, drie jaar aan een stuk. Dat heeft pijn gedaan. Vind je het erg als ik daar een keer voor pas?’

Zelfs zijn vader zei afgelopen week: ‘Boogerd zal wel op het podium staan zondag, maar winnen doet-ie toch niet.’

Toen hij de boze blik in de ogen van zijn zoon zag, verontschuldigde hij zich snel: ‘Dat moet ik ook niet zeggen, want ik heb er geen verstand van.’

‘Dat klopt pa’, zei Maassen, ‘Jij hebt er geen bal verstand van.’

De Nederlandse klassieker veroorzaakte de afgelopen jaren bijna tot slapeloze nachten. Het heeft hem in elk geval cynischer gemaakt. ‘Je mag geen fout maken hè’, zegt hij. De zondag van de Amstel Goldrace is voor zijn werkgever de Dag van het Jaar.

‘Ik had nog geluk, want Breukink kreeg als eerste ploegleider altijd eerder de schuld dan ik. Ik noem het schuld ja, zo noemen jullie het toch ook? Het is nooit de renner die iets fout doet, altijd de ploegleiding.’

Misschien hadden de Nederlandse verslaggevers zich wel te veel vereenzelvigd met hun renner, opgejut door collega’s en verblind door chauvinisme. Iedereen kon toch zien dat Boogerd geen Raas was? Aan hem hebben heel wat verslaggevers in het verleden hun status ontleent. Die telden mee.

De ploegleiders hebben er samen soms ook wel om kunnen lachen, om wat zij de ‘camping-tactiek’ noemen. Voor iedereen die niet in de koers zit, is het makkelijk praten. Vorig jaar had iedereen de mond vol van het werk dat de renners van Rabobank moesten opknappen nog voordat de finale was begonnen. Ze kregen er van koersdirecteur Leo van Vliet als ploeg zelfs de Herman Krott Trofee voor de strijdlustigste renner voor. Het was een cynisch eerbetoon.

Maar, weerlegt Maassen, Flecha, Posthuma en Dekker waren even goed gelost geweest op de Eyserbosweg. Het was lood om oud ijzer. Het ging er uiteindelijk alleen maar om dat Oscar Freire niet mee was na de Eyserbosweg. Alleen schreeuwde iedereen om het hardst dat tactisch was geblunderd. Dat de ploeg zichzelf de nek om had gedraaid.

De cultuur in de ploeg zou veel te netjes zijn. Ze hadden zich gedragen zoals het een gastheer betaamde, voorkomend en keurig. Ze had verantwoordelijkheid genomen en de risico’s werden beperkt, zoals het ook bij het imago van de sponsor paste.

‘Als we het een keer laten lopen, en het werk aan anderen laten, is dit jaar het jaar’, zegt Maassen getergd.

‘Je kunt wel een keer bluffen: wij niet, dan jullie ook niet.’ Maar, zegt hij er ook bij, hij heeft makkelijk praten. Hij zit niet in de auto, hij krijgt na afloop niet de volle laag. ‘De kritiek is altijd: ze moeten met groepjes mee springen, maar ho even, dat garandeert hélémaal niets.’

Wielertactiek bestaat ook niet, alleen maar als je over de beste renners beschikt. Afgelopen maandag zaten alle ploegleiders van Rabobank bij elkaar voor een vergadering. Iedereen had zo zijn eigen gedachten over hoe de Gold Race gewonnen moest worden. Er is niet een manier.

De ene keer lijken ze ook op Raleigh en de volgende keer vindt iedereen juist dat ze een voorbeeld moeten nemen aan de formatie die in de vorige eeuw het totaal-wielrennen, analoog aan Michels’ totaalvoetbal, introduceerde en brak met de feodale traditie van de sport. Iedereen mocht winnen, niet alleen de kopman.

Alleen als sprake was van de Heilige Handoplegging, voerden de knechten de orders van de kopmannen Raas en Knetemann feilloos uit. Dan was hun wil wet. Het gebeurde vaak in de Gold Race, ook wel de Amstel Gold Raas genoemd.

Boogerd zou willen dat hij zondag op het einde van zijn carrière nog eens op die Heilige Handoplegging kon terugvallen. Maar er zijn geen renners in zijn buurt die net als hij kunnen winnen. Alleen Freire worden die kwaliteiten toegedicht, maar die sprintte op de Cauberg nooit mee.

Er telt er maar één, en dat is Boogerd zelf. Daar heeft de aankondiging van zijn afscheidstournee niets aan veranderd. Hij was woensdag geïrriteerd als altijd toen de trainingsrit in Limburg later begon dan bedoeld was. En toen onderweg werd gestopt om vlaai te eten, zei hij tegen zijn collega’s dat ze moesten opschieten. Ze waren niet aan het picknicken.

Hij heeft nog niets aan fanatisme ingeboet. Nu al zou Boogerd moeten worden verplicht mee te gaan op de traditionele verkenningstocht van volgend jaar. Misschien doet hij het ook wel. Had hij niet gezegd dat hij er bij een wereldtitel nog een halfjaartje aan zou vastplakken? ‘Zoals Joop’, refereerde Boogerd donderdag aan Zoetemelk.

Beter is eigenlijk dat hij er ook na een WK-zege de brui aan geeft. Dat hij in zijn regenboogtrui lekker de woonkamer van huize Boogerd gaat stofzuigen. Het zal ze leren, al die verslaggevers in de Salle de Presse van de wielerbaan in Roubaix die jaren de spot met hem hebben gedreven.

Hoe het met Michael Boogerd is? Geen flauw idee, maar tweede in de Gold Race wordt hij in elk geval nooit meer. Hij was alles wat we hadden.

Meer over