Boodschapper van het slechte nieuws

Nooit oogde het Nederlandse wielrennen volgens bondscoach Egon van Kessel zo futloos als dit seizoen. Het roer moet om. Ook als een van zijn renners volgende week wel wereldkampioen zal worden in Salzburg....

Marije Randewijk

Zeg tegen Egon van Kessel niet dat het uitgesloten is dat een Nederlander volgende week wereldkampioen wielrennen op de weg wordt. Met zijn hartstochtelijke pleidooi is de bondscoach in staat iedereen ervan te overtuigen dat het echt niet anders kan dat zich in Salzburg eindelijk een opvolger aandient van Joop Zoetemelk.

Hij zal de komende dagen ook zijn negen renners van die onvermijdelijkheid op de hoogte stellen. Het lijkt de moeilijkste opgave. Zijn twee kopmannen wonnen dit seizoen slechts een koers. Michael Boogerd werd nationaal kampioen, Karsten Kroon zegevierde deze week in de tweede etappe van de bescheiden Drei Länder Tour. Hun zelfvertrouwen is allesbehalve onbegrensd.

En de overige zeven selectieleden? Ja, die overige zeven.

Over de successen van het Nederlandse wielrennen viel dit seizoen weinig positiefs op te merken. In de Protour, de eredivisie van de sport, werden welgeteld twee zeges geboekt. Max van Heeswijk won een rit in de Ronde van Polen, Thomas Dekker was in het voorjaar de beste in de etappekoers Tirreno-Adriatico.

De negen renners uit de WK-selectie behaalden het hele seizoen – op internationaal niveau – drie ritzeges en twee eindoverwinningen in kleinere etappekoersen, de Ronde van België en Qinghai Lake. Drie van de vijf successen kwamen op naam van een renner, Maarten Tjallingii. De relatieve nieuwkomer geldt met zijn bijna 29 jaar nog als de hoop voor de toekomst.

Van Kessel probeert in zijn verhaal geregeld de gulden middenweg te bewandelen. Maar vaker kan de bondscoach zijn ergernis nauwelijks verbergen. Hij zegt toch niets geks als hij beweert dat het Nederlandse wielrennen er slechter voor staat dan ooit? Hij heeft geen sponsor die hij voor de gek moet houden.

Laat hem dan maar de boodschapper van het slechte nieuws zijn. ‘Iedereen ziet toch wat ik zie? Ik zeg het alleen hardop. De renners kunnen mij veel wijs proberen te maken over tactiek, maar als je nooit aanvalt, win je ook nooit.’

Van Kessel is bij de wielerunie (KNWU) verantwoordelijk voor de mannenafdeling. Hij is de bondscoach van de profs, de beloften en de junioren. Die laatste categorie heeft hij, met een onderbreking van vijf jaar, al sinds 1989 onder zijn hoede. ‘Dus ik weet goed waarover ik het heb.’

Iemand moet de noodklok luiden. Van Kessel doet het niet voor het eerst. Hij zet de traditie van zijn voorganger, wijlen Gerrie Knetemann, graag voort. Eens zullen anderen toch ook wel inzien dat ze de verkeerde weg zijn ingeslagen? ‘Als we zo doorgaan, mogen we volgend jaar nog maar drie deelnemers afvaardigen naar het WK. Dat schijnen veel mensen niet te beseffen, maar dat is wel de realiteit.’

Van Kessel heeft dit seizoen hoofdschuddend voor de televisie gezeten tijdens alle grote ronden. Om over de klassiekers maar helemaal te zwijgen. ‘Het waren de dertigers die het daar moesten doen. Dezelfde namen als altijd, maar die hebben niet het eeuwige leven.

‘In de Tour heb ik, naast Boogerd, zegge en schrijven een Nederlander in de aanval gezien. Dat was Bram Tankink. En Joost Posthuma reed twee goede tijdritten. Dat was het. Het is diep en diep triest.’

Anderen kunnen wel roepen dat er een geweldige generatie zit aan te komen en achterover leunen. Maar het verleden heeft uitgewezen dat de verwachte knoppen niet vanzelf in bloei gaan staan. ‘We zijn al zo lang bezig. Vijf jaar geleden hadden we ook veel talent, acht jaar geleden ook.’

Onlangs was hij met zijn junioren in de Giro di Lunigana, de belangrijkste etappekoers voor die categorie. Op het palmares staan veel Nederlandse laureaten. Maar slechts een enkeling stroomde door naar de rangen van de profs, terwijl de meeste Italiaanse winnaars wel succesvolle beroepsrenners werden nadat ze de puberteit achter zich hadden gelaten.

‘Dan kun je wel blijven roepen: het gaat goed, we hebben talent. Ik denk ook dat we talent hebben, maar ik moet het nog zien doorbreken. Ik zie geen vooruitgang. Vorig jaar was ook ik nog positiefs en voorzag ik een prachtig toekomstperspectief. Maar je ziet het misgaan. Het baart mij zorgen dat renners van wie ik bepaalde verwachtingen had, stil zijn blijven staan.

‘Het Nederlandse wielrennen is initiatiefloos, dat moet een oorzaak hebben. Ik ken deze jongens, als junior hebben ze bijna allemaal bij mij gereden. Ze waren toen vol ambitie. Maar die ambitie lijkt, om welke reden ook, verloren te zijn gegaan.’

Hij heeft er deels wel een verklaring voor. De wielerwetten schrijven nu eenmaal voor dat nieuwkomers zich eerst maar eens in het zweet moeten werken voor de kopman voordat ze hun eigen kans mogen gaan. En de jeugd, denkende dat het zo hoort, schikt zich in die rol.

‘Er is een theorie die zegt: je moet eerst leren knechten, harder worden, om ooit een goede renner te kunnen zijn. Wetenschappelijk is dat niet bewezen. Ik vind het ook onzin. Ik zeg: van knechten leer je maar heel weinig, behalve afzien.

‘Ik heb vorig jaar voor het WK tegen Bram Tankink gezegd: jij bent een van de weinige renners die het in zich heeft na 250 kilometer nog voor de overwinning te rijden. Maar als je dat wilt doen, moet je een keer rechtdoor rijden, moet je durven, moet je lef hebben. Want als je voor je eigen kans gaat, je rechtdoor rijdt en je wint niet, dan heb je een probleem. Win je wel, is je kostje gekocht. Ik denk dat Tankink zich daarvan niet bewust is.’

Renners nemen veel te snel afscheid van het idee dat ze in een profwedstrijd ooit nog eens de beste zullen zijn. De eerste jaren wordt het niet verwacht en daarna zijn ze het verleerd. ‘Je moet als jonge renner eerst weer leren winnen in koersen die voor jou geschikt zijn. Durf de Tour links te laten liggen en investeer in de kleinere koersen.’

De Nederlanders laten zich veel te snel in een dienende rol drukken. En als ze de kans krijgen zich te profileren, verzuimen ze die te grijpen. Van Kessel: ‘Ik kan die bescheidenheid niet verklaren. Het zit niet bepaald in onze cultuur.’

Als een van de verantwoordelijken voor het beleid van de wielerunie kan hij niet anders dan de hand ook in eigen boezem steken. De bondscoach loopt er niet voor weg. ‘Ik heb het niet goed gedaan. Als meer partijen er zo over gaan denken, komt het misschien wel weer goed.’

Hij heeft zijn eigen theorie ontwikkeld om de deplorabele staat van zijn sport te kunnen verklaren en vraagt zich hardop af of het junioren- en beloftenwielrennen niet veel te belangrijk is gemaakt in Nederland. ‘Wij scoren al jaren goed in die categorieën, maar we blijken moeite te hebben dat niveau door te trekken bij de profs.’

Als hij naar de resultaten kijkt en analyseert wat het beleid heeft opgeleverd, noemt hij dat ‘bar weinig’. Niemand kan beweren dat de beloften de overstap naar de profs gemakkelijker zijn gaan maken. Integendeel zelfs. ‘Ik ga niet over het wielerplan van de Rabobank, maar ook zij moeten zich afvragen of ze de juiste weg zijn ingeslagen.’

Er zijn meer fouten gemaakt de afgelopen jaren, vindt Van Kessel. Het accent in de opleiding lag, verblind door de sportieve en commerciële waarde van de Tour, vooral op renners die uit de voeten zouden kunnen in etappekoersen.

Hij heeft zich er zelf ook schuldig aan gemaakt. ‘We hebben met z’n allen gedacht: als we nou goede Tourrenners kunnen voortbrengen, is dat goed voor de Nederlandse wielersport. We waren ervan overtuigd dat je een Tourwinnaar met een goede opleiding kon creëren. Dat is dus niet zo. Je kunt het een beetje sturen, maar zelf maken, dat gaat niet.’

Het ergste vindt hij nu dat al die tijd de talentvolle eendagsrenners tussen de wal en het schip zijn gevallen. ‘Dat zouden misschien toppers zijn geworden, maar door ze alleen maar etappekoersen te laten rijden, hebben ze zich fysiek en ook psychisch anders ontwikkeld.

‘De Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en de Amstel Gold Race, van oudsher het terrein van de Nederlanders, dat is knokken. Daar is power voor nodig. In een etappekoers spaart iedereen zich tot de dag waarop het klassement wordt gemaakt.’

In zijn aanbevelingen voor het KNWU-beleidsplan bepleit Van Kessel meer aandacht voor de eendagscoureurs. Voorheen selecteerde hij zelf acht tot tien renners op basis van een klimtest in de Ardennen. Dat aantal gaat hij bij de junioren terugbrengen tot maximaal vier. ‘De rest kies ik op basis van hun goede sprint of hun tactisch inzicht.’

Van Kessel steekt zijn energie het liefst in die categorie. Op de profs heeft hij nauwelijks invloed. Van de junioren kan hij eisen dat ze va banque koersen en in elk geval strijdend ten onder gaan. ‘Mijn eerste statement is altijd: doe wel wat ik niet heb gedaan en doe niet wat ik wel heb gedaan, dan kun je misschien een goede renner worden.’

Zijn eigen carrière heeft hij verprutst. Zes weken was hij beroepsrenner bij het kleine Container-Repair Service. Hij trainde wel hard, maar leefde niet voor zijn sport.

Zijn gedrevenheid maakt Van Kessel (50) geliefd bij de jeugd. Hij loopt over van de anekdotes en is een wandelend geschiedenisboek. Laatst was er een junior die hem de loef probeerde af te steken. Maar Van Kessel gaf alleen goede antwoorden op de vragen die de jongen van zijn zwager had meegekregen. ‘Ik geloof niet dat ze nu nog denken dat ik een of andere boerenlul ben.’

Die feitenkennis is een overblijfsel uit zijn jeugd. Zijn vader, een overtuigd marxist, gaf hem in het Brabantse Veldriel een socialistische opvoeding. Zijn moeder mengde er het rooms-katholicisme doorheen. ‘Mensen die mij niet goed kennen, zeggen dat ik een gespleten persoonlijkheid heb. Ik zeg altijd dat ik me met twee culturen heb verrijkt.’

Thuis heeft hij geleerd niet weg te lopen voor de realiteit. Hij kiest voor zijn overtuiging. De stille diplomatie is niet zijn weg. Het staat een carrière in de hogere echelons in de weg. ‘Maar het interesseert mij niet of Mentsjov en Freire het goed doen in de Tour. Ik wil weer eens een Nederlander zien winnen in een wielerkoers. Dat is toch niet zoveel gevraagd?’

Meer over