ColumnSam Planting

Bonucci en Chiellini zijn alsnog beloond voor hun decennium aan defensief beulswerk

Sam Planting artikel Beeld Sam Planting
Sam Planting artikelBeeld Sam Planting

Het was 2011. Ik was 20 jaar. Na een jeugd lang van elke voetbalkenner te horen hebben gekregen dat het vroeger zo veel beter gesteld was met het Nederlandse voetbal, was ik toe aan iets nieuws.

De scheefgroei van het grote geld in het topvoetbal had de eredivisieclubs in 2011 ver achterop geworpen. De ene Europese uitschakeling verliep op nóg naïevere wijze dan de andere. Aanvallend Hollandse School-voetbal bleek vooral leuk als de aanvallers er wat van konden.

Bij het kiezen van een buitenlandse club om nauwgezet te volgen – een ware voetbalverslaafde volgt uiteraard meerdere competities tot op microniveau – zocht ik dan ook naar een soort onfeilbaarheid waar het de Nederlandse clubs juist aan ontbrak. Naar een begrijpelijker vorm van dominantie dan het bewierookte aanvalsspel uit de ver gepasseerde jaren zeventig.

Ik vond wat ik zocht: Juventus. De club waar Giorgio Chiellini (inmiddels 36) en Leonardo Bonucci (34) ook toen al, tien jaar geleden, een defensie van absolute wereldklasse leiden. Meesters van het pragmatische overlevingsvoetbal, van verdedigend knokken tot kunst verheffen.

Toenmalig trainer Antonio Conte richtte een Italiaanse dynastie op in 2011. Slechts vijf jaar nadat de Turijnse club reglementair was gedegradeerd na een omkoopschandaal, werd Juventus weer kampioen. En nog een keer, en nog een keer. Tussen 2011 en 2020 won Juventus negen landstitels op rij.

In de kampioensjaren onder Conte (2011-2014) had Juventus de beste verdediging die ik ooit heb zien spelen: met Buffon op goal en Barzagli, Bonucci en Chiellini als centrumverdedigers was het gouden verdedigingskwartet nagenoeg niet te passeren. In drie Serie A-seizoenen onder Conte hield Juventus vaker de nul (62 keer) dan dat het wedstrijden speelde waarin het een goal incasseerde (52) – ongekende cijfers voor een defensie.

Vanwege de generatiekloof met hun mede-uitblinkers Buffon (inmiddels 43) en Barzagli (40), die beiden wereldkampioen werden in 2006, viel de druk bij de nationale ploeg nog meer op de schouders van Bonucci en Chiellini dan bij Juventus het geval was.

Ze bleken het ideale duo. Bonucci de fijnbesnaarde passer, sterke kopper en ongeëvenaarde etterbak. Chiellini de fysiek krachtige, feilloos dekkende aanvoerder wiens aanstekelijke lach niet van zijn gezicht te slaan is, zelfs niet voorafgaand aan een zenuwslopende penaltyreeks.

Waren beide verdedigers fit, dan was Italië even onpasseerbaar als de verdedigingsmachine uit Turijn: in de 54 interlands die Italië sinds 2010 met Bonucci én Chiellini in de basis speelde, incasseerde het gemiddeld 0,67 tegendoelpunt per wedstrijd – een moyenne van de absolute buitencategorie. Maar grote prijzen pakte Italië niet meer.

Vandaar dat het Italië van 2021 het anders leek aan te pakken. Gedaan was het met het defensief rigide overlevingsvoetbal dat het Juventus van Bonucci en Chiellini zo groot maakte. De ploeg van bondscoach Mancini speelde plots frivool, aanvallend voetbal. Snelle combinaties, fel doorjagen, veel creativiteit.

Totdat Spanje dit technische spelletje beter bleek te beheersen in de halve finale. Dinsdagavond was het 120 minuten lang aanklampen geblazen voor Italië. Het ideale duel voor oude rotten Bonucci en Chiellini. Buigen-buigen-maar-niet-barsten is wat zij al tien jaar als geen ander beheersen.

‘Zeges waarvoor je moet lijden, zijn altijd de zeges waarvan je het meest geniet’, glunderde Bonucci achteraf. Het overlevingsvoetbal van weleer blijkt ook te rijmen met de ambities van de nieuwe Italiaanse garde.

Kijken als een kenner

Waar moet je dit EK op letten? In Kijken als een kenner maakt voetbaljournalist Sam Planting van elke kijker een expert. Ontdek de elf spelers die de tactiek van hun land bepalen – en hoe het moderne voetbal wordt gespeeld.

Meer over