Bluf, strijdvaardigheid en John Steen Olsen in café Willem Slok

Zo ik iets ben, denk ik een FC Utrechter te zijn...

In een eerder leven als sportverslaggever kwam de gewenste objectiviteit altijd een momentje in het gedrang als een lied van cabaretier Herman Berkien door Nieuw-Galgenwaard schalde. Het ging over de Dom, dat je er bovenop op stond en wat je dan allemaal zag. Ja, dan sprong mijn hartsjie spontaan open.

Deze identiteit kreeg vorm in het eerste seizoen van FC Utrecht, dat in 1970 drie kwakkelclubs had samengebracht. Elke thuiswedstrijd was ik een zekerheidje achter het doel aan de stadszijde. De overkant was naar Bunnik vernoemd. Daar waren bangige tieners niet gewenst.

Het was een verrassend goed seizoen, dat eerste van FC Utrecht, met klinkende overwinningen in het oude Galgenwaard. In een feestelijke stemming kom ik nog altijd een heel eind in het opdreunen van de spelersnamen van toen, inclusief de bijbehorende tongval.

Jan Blaauw, Piet van Oudenallen en Co Adriaanse zijn vanwege de Utrechtse a altijd een succes, maar het liefst is mij John Steen Olsen. Een naam drievoud is al mooi, helemaal in het Deens. Als de herinnering niet bedriegt, was het trouwens ook een magnifieke voetballer. Enorme actieradius, goede techniek, echte teamspeler, trouw aan de club.

Mijn eigen voetballoopbaan leek dan ook eindelijk de beloofde vlucht te nemen toen een tegenstander eens waarschuwend sprak: let op die Steen Olsen. Die Steen Olsen was ik. Het kon geen toeval zijn dat tezelfdertijd de regionale talentendagen van FC Utrecht eraan kwamen. Maar dat was het wel.

Nadien is de FC Utrechter in mij praktisch vervaagd, maar begin deze week keerde hij helemaal terug in café Willem Slok, Korte Koestraat, Wijk C. Daar werd Uropa ten doop gehouden, een boek over de Utrechtse ervaringen in de Europa Cup. Het was een bijeenkomst van oude mannen en dingen die nooit voorbij gaan, om Hagenaar Louis Couperus nog eens te parafraseren.

De titel is natuurlijk te gek voor woorden, maar oud-sportjournalist Ton de Ruiter heeft een paar prachtige anekdoten opgediept. Wat te denken van Pepi Gruber, de Oostenrijkse trainer die DOS vijftig jaar geleden naar het landskampioenschap leidde.

Gruber was tevens de buurman van Tonny van der Linden en hield dus ook thuis een oogje in het zeil. Toen de trainer zijn sterspeler een dag voor de wedstrijd het gras zag maaien in zijn tuin, snelde hij naar buiten om dat karwei op zich te nemen. Pepi Gruber moet een lieve bescheiden man zijn geweest. Als DOS een wedstrijd dreigde te verliezen, zeiden de spelers tegen elkaar: kom op, we laten die ouwe niet zakken.

Mooie tijden zijn dat vermoedelijk geweest, maar dat waren ze beslist niet altijd. Wat te denken van supporters die, op weg naar Eintracht Frankfurt, een wegrestaurant binnenvielen om eten in het haar van de gasten te smeren. Wat te denken van supporters die als dolle Bokito’s in de hekken hingen om naar HSV-trainer Ernst Happel te spugen en zijn reserves met bierflesjes te bekogelen. Een FC Utrechter zou om minder in een identiteitscrisis belanden. Het is een clubyou love to hate.

Een forum in café Willem Slok boog zich nog over het fenomeen Utrechtse voetballer, want de stad heeft onevenredig veel talent voortgebracht. De overeenkomsten zijn bluf en strijdvaardigheid. Maar voor de rest kan het alle kanten op: die van de technische Sneijder en die van de brute Wouters.

In teamverband samengebracht kon dat tot mooie dingen leiden. Ton van der Linden herinnert zich het kampioenselftal van DOS als de combinatie van een paar aardige voetballers en een stelletje slopers.

In het verband van FC Utrecht balde zich dat 25 jaar geleden samen in een ploeg met het gedroomde middenveld Adelaar, Kruys en Wouters. Van de dertien basisspelers kwamen er elf uit Utrecht en omgeving. Een paar van die voetballers werden ontdekt op regionale talentenjachten, dezelfde waarop ik ooit een verbouwereerde scheidsrechter de bal in de voeten speelde.

Een mens moet niet te vaak beweren dat het vroeger beter was, maar de oude mannen in café Willem Slok hadden deze keer beslist gelijk. Dat was een elftal waarvan iedere Utrechter een FC Utrechter zou worden: schoonheid en afbraak, John van Loen en Rob de Wit, lachen en huilen. Het was een elftal als de stad zelf en een best pleidooi om profclubs te dwingen hun vlaggenschip vooral uit eigen kring te bemannen.

Overigens zei Leo van Veen, Mister Utrecht mind you, het maandag ook: John Steen Olsen is de beste middenvelder die ooit voor FC Utrecht speelde. Soms zijn uitzonderingen nodig om regels te bevestigen.

Meer over