EK zwemmen

Bij schoolslagspecialist Kamminga draait het allemaal om de goede stroomlijn

Arno Kamminga is dit jaar top op de schoolslag. De vraag is of hij in staat is de Brit Adam Peaty aan te vallen. Begin komende week treffen de twee elkaar op de EK zwemmen in Boedapest. Wie heeft de meeste macht en de minste weerstand?

Arno Kamminga: 'Je moet bij de schoolslag het lichaam door het water slepen. Hoe kleiner, hoe minder weerstand.'  Beeld Klaas Jan van der Weij
Arno Kamminga: 'Je moet bij de schoolslag het lichaam door het water slepen. Hoe kleiner, hoe minder weerstand.'Beeld Klaas Jan van der Weij

Schoolslag heet in andere talen de borstslag, dan wel de armslag. De borstspieren en de armen zijn dan ook een kostbaar bezit voor Arno Kamminga, een laatbloeier die op zijn 25ste blijkt uitgegroeid tot een serieus te nemen olympische medaillekandidaat. ‘Ik heb de laatste twee jaar heel veel in mijn bovenlichaam geïnvesteerd’, zo beschrijft hij zijn inzet in het krachthonk.

Vorig jaar kwam Kamminga tot de ontdekking dat al dat werk al aardig wat spieromvang had opgeleverd. Het bleek bij een frivool experiment in het Amsterdamse Sloterparkbad toen hij het ‘snelle pak’ van Lennart Stekelenburg aantrok, waarin die zwemmer in 2009 het Nederlands record verbeterde. Het zogenoemde neopreen drijfpak was in die jaren bepalend. Er werden vele wereldrecords in gezwommen, tot het in 2010 verboden werd.

‘Lennart was voor mij in die tijd dé schoolslagzwemmer van Nederland. Ik keek tegen hem op. Vandaar dat ik me met opzet juist in zijn pak wurmde, die middag in Amsterdam. Ik ging ervan uit dat we dezelfde maat hadden. Maar dat was niet zo. De benen gingen nog wel, al zat het een beetje strak. Maar het was ­zeker bovenin een of twee maatjes te klein.

Bovenlichaam

‘Dat snelle pak was een volledig pak, met banden over de schouders. Het zat retestrak. Ik ging starten en ik kwam niet meer in stroomlijn. Het pak trok me krom. Ik ging van het blok en kwam als een banaan in het water. Geen enkele keer kwam ik in de gewenste stroomlijn, met de rug recht. Ik zwom uiteindelijk die dag harder met de gewone kniebroek die we tegenwoordig dragen. En dat hoort juist andersom te zijn.’

Lennart Stekelenburg, in 2013 gestopt, was slanker. ‘Hij moest het van zijn beenslag hebben en minder van zijn armen. Ik heb redelijke benen, maar mijn werk aan het bovenlichaam van de laatste jaren, dat zie je bij mij terug.’

Het grote voorbeeld van de schoolslagwereld is de Britse wereldrecordhouder Adam Peaty. Hij bezit een borstkas als een brandkast en heeft schouders om twee melkbussen aan te hangen. Lengte maakt geen verschil op de schoolslag, zoals bij vrije slag (borstcrawl) en vlinderslag.

‘Ik ben 1.84. Niet echt klein en voor schoolslag is het prima, maar als ik bij een internationale wedstrijd rondloop, dan ben ik meestal kleiner dan de vrouwen. Zoals de Zweedse Sjöström en de Australische zussen Campbell. Die vrouwen op de vrije- en vlinderslag zijn allemaal heel lang.

Minder weerstand

‘Ik heb wel eens uitgezocht hoe dat met de grote mannen van de schoolslag ligt. Maar de Japanner ­Kitajima, de Brit Peaty, de Zuid-Afrikaan Van der Burgh en de Noor Dale Oen en mijn persoontje, wij zitten qua lengte vijf centimeter uit elkaar. Dat valt mee. Het grote verschil zit ’m in breedte en borstomvang.’

Arno Kamminga: 'Best mooi, die favorietenrol. Hier heb ik altijd hard voor gewerkt.' Beeld Klaas Jan van der Weij
Arno Kamminga: 'Best mooi, die favorietenrol. Hier heb ik altijd hard voor gewerkt.'Beeld Klaas Jan van der Weij

Daarbij valt een kritische balans te bewaken. Klein is in zekere zin fijn. Om met Lennart Stekelenburg te spreken: ‘Je moet bij de schoolslag het lichaam door het water slepen. Hoe kleiner, hoe minder weerstand.’

Kamminga, sinds kort de nummer twee van de wereld op de 100 meter schoolslag, is ook kritisch over het groter en sterker worden. ‘De borstomvang, zoals van Peaty, is niet bepalend. Zeker niet. Bij zwemmen gaat het uiteindelijk om efficiëntie. Dat je met zo min mogelijk moeite zo hard mogelijk door het water gaat. Na een tijdje ga je meer kracht en conditie toevoegen, maar je probeert het zo efficiënt mogelijk te houden. Je ziet genoeg zwemmers die wel sterker worden, maar die niet sneller gaan zwemmen. Dat is de truc. Dat is wat Peaty heel goed kan. Dat hij de breedste is van iedereen en die kracht wel kan omzetten in zwemsnelheid.’

Met bewondering beschrijft de Nederlander de Brit die in 2016 olympisch kampioen werd en de enige man is die de 100 school ooit sneller dan 57 seconden aflegde: 56,88. Kamminga, twee weken geleden goed voor het Nederlands record van 57,90: ‘Peaty is heel agressief. Hij gooit zich naar voren. Daar heeft hij die enorme armen en grote borstspieren voor nodig. Hij trekt zich daarmee hoog op het water. Dat doet hij ultiem goed. Het is heel zwaar. Maar deze techniek heeft hij echt uitgevonden.’

Diverse technieken

Schoolslag is volgens Kamminga zo persoonsgebonden, ‘dat alle acht zwemmers in een olympische finale een verschillende techniek hanteren’. ‘Dat heeft te maken met de weerstand van je lichaam in het water. Je moet de techniek kiezen die bij jouw lichaamsbouw past. Het spelletje is zo min mogelijk weerstand krijgen en zoveel mogelijk kracht omzetten in snelheid.’

Nog meer uitleg over die weerstand: ‘Op de schoolslag heb je de meeste weerstand van alle slagen (crawl, vlinder en rug, red.), omdat je door het water en niet bovenop het water zwemt. Je benen gaan wijd voor de beenslag, je draait ze onder water open, de voeten wat naar buiten. Dat genereert weerstand. Peaty lost dat op met kracht. Er zijn veel zwemmers die hem trachten te kopiëren, maar na 50 meter houden die het niet meer vol. Peaty’s stijl kost zoveel kracht, dat is echt ongekend.’

Smalle heupen

Kamminga, toegewijd pupil van de Amsterdamse coach Mark Faber, heeft andere voordelen en een andere aanpak. Zijn lichamelijke voordeel wordt opgemerkt door Stekelenburg: ‘Arno is smal in de heupen. Dat is ideaal voor de stroomlijn.’

Kamminga wijst vooral op het zo efficiënt mogelijk bereiken van de gewenste stroomlijn, best lastig voor een man die voorheen een holle onderrug en een bolle bovenrug bezat. ‘Het gaat bij mijn techniek om zoveel mogelijk efficiëntie en zo min mogelijk weerstand. Hoe mooier jij in één lijn in het water kunt liggen, des te minder centimeters wateroppervlak je met je lichaam raakt. Zo simpel is zwemmen dan ook wel weer.’

Schoolslagzwemmen is uitermate lastig. Raggen en grote klappen geven heeft geen zin. ‘Het is de timing die Arno zo bijzonder maakt’, zegt oud-kampioen Stekelenburg. Armslag en beenslag mogen elkaar niet tegenwerken.

Kamminga legt uit, als een volleerd leraar: ‘Je haalt met je armen. Dan, op het moment dat je handen en armen naast je schouders staan, haal je ze naar binnen, waardoor je met je gezicht en borst boven water komt. Die haal en die beweging moet je zo sterk en snel doen, dat je op de snelheid die je daarmee genereert je handen naar voren lanceert en je zelf naar stroomlijn lanceert.

‘Tegelijkertijd ga je de benen intrekken. Maar pas als de handen voor je in stroomlijn staan, begin je de beenslag. Uit die beenslag, met mijn maat 44, 45, haal je de meeste snelheid. Die wil je pas doen, als je in stroomlijn ligt aan de voorkant. Want dan is-ie het meest efficiënt. Alle kracht die je op dat moment uit je benen perst, is voorwaarts gericht. Het is afhankelijk van de 50, 100 of 200 meter, hoe lang je in die stroomlijn blijft. Het is dan heel eventjes genieten van het werk dat je net hebt geleverd.’

Een volgende plus van Kamminga is volgens Stekelenburg de slagfrequentie: aantal slagen per minuut. Hij haalde zelf in zijn toptijd 47 tot 52. Kamminga: ‘58 tot 60 op de 50 meter, de sprint dus. Voor een 100 meter begin ik met een frequentie van 50 slagen. Voor de 200 is het tussen de 35 en 40.’

Tweestrijd met Peaty

Sinds de Champions Series van ­januari 2020 in China zwom Kamminga door de coronabeperkingen geen internationale wedstrijden meer. Hij bleef, uit zorg over de gehanteerde bubbel in Boedapest in de herfst weg van de ISL, het profcircuit waar Adam Peaty een eigen team aan de start bracht. Een wedstrijd tussen de twee in Edinburgh werd ook geschrapt. ‘Mark Faber en Melanie Marshall, Peaty’s coach, hadden dat afgesproken. Nu lijkt het alsof we elkaar ontlopen, maar dat was het zeker niet.’

In december 2019 werd hij tweevoudig Europees kampioen op de schoolslag, in het 25-meterbad. Peaty ontbrak in Glasgow. Maandag, mogelijk pas dinsdag in de EK-finale, treffen de twee elkaar, op de 100 meter, in het Dunastadion van Boedapest. De verwachtingen voor de Europese titelstrijd zijn bepaald hoog te noemen.

Er is getaperd, coach Faber heeft zijn pupil niet meer uit diens comfortzone geduwd, zoals hij in maart tijdens een trainingskamp in Turkije deed. ‘Heel gemeen van Mark. Zo van: ik ga het je nog even moeilijker maken’, zegt Kamminga. Toen hij terug was in zijn comfortabele zone, zwom hij het ongedachte snelle Nederlands record. ‘Het was mijn eerste 100 school in een jaar, waarbij ik dacht: dit is hoe het hoort te zijn. Ik dook erin, deed mijn ­onderwaterfase en wist meteen: dit zit goed.’

Stekelenburg, waarnemer op afstand, verwacht in Hongarije van zijn persoonlijke favoriet zilver op de 100, goud op de 200 en een medaille op de 50. ‘Waar kan ik tekenen?’, reageert Kamminga.

Zijn prognose: ‘We gaan strijden om eremetaal. Best mooi, die favorietenrol. Ik vind dat een compliment. Hier heb ik altijd hard voor gewerkt. Het is voor weinigen weggelegd. Ik ga lekker racen. En ik ga ervoor.’

Geen traditie op de schoolslag

Nederland heeft een dun geschiedenisboekje op schoolslaggebied. Nel van Vliet werd in 1948 in Londen olympisch kampioen op de 200 meter, toen de concurrentie al de nog toegestane vlinderslag hanteerde. In 1960 was er, in Rome, olympisch brons voor Wieger Mensonides, ook op de 200. Nederland kwam dichtbij een wereldtitel door Wijda Mazereeuw in 1975, in Cali. Op de 100 en de 200 eindigde zij als tweede, beide keren achter Hannelore Anke, een vertegenwoordiger van het later fout gebleken DDR-zwemregime.