Armada drijft op training en topspin

Als hij één naam eruit zou moeten pikken zou het die van Alexander Corretja zijn, maar net zo goed kan het een van zijn vier andere landgenoten worden....

EEN HATELIJKE slow hand-clap tergt op het centre court van de Düsseldorfer Rochusclub het gemoed van Felix Mantilla. De 22-jarige Spanjaard moet na ruim twintig minuten spelen de eerste set met 6-1 afstaan aan zijn Zweedse opponent Magnus Larsson en het publiek laat zijn afkeuring blijken over het optreden van de Catalaan. Felix Mantilla is de nummer elf van de wereldranglijst, één van de revelaties van de voorbije weken én vandaag hopeloos uit vorm.

Vermanende woorden van coach Lorenzo Fargas en de temperamentvolle steunbetuigingen van teamgenoot Albert Costa - 'vamos Felix vamos' - doen diep in de tweede set alsnog de Spaanse furie ontbranden en laat op de avond, wanneer Costa op zijn beurt Gustafsson heeft overmeesterd, kent Spanje - Zweden in de strijd om de World Team Cup een tussenstand van 2-0.

'Ik stond versteld van zijn herstel. Ik ging niet slechter spelen, maar Mantilla werd ineens onklopbaar. Na elke goeie bal van mij, sloeg hij een betere bal terug', zegt Larsson.

'Ik begon gewoon te spelen zoals ik moet spelen', zegt Mantilla.

'Mantilla is natuurlijk niet voor niets de nummer elf van de wereld', zegt Larsson.

'Ik heb zeker vijf landgenoten die zo kunnen spelen als ik', zegt Mantilla.

'Het is bijna frustrerend om te bedenken dat je zes van dit soort spelers kunt tegenkomen op Roland Garros', zegt Larsson.

In het spoor van Sergi Bruguera, in 1993 en 1994 winnaar van de open Franse tennistitel, trok de afgelopen jaren een contingent van Spaanse talenten langs het internationale circuit. Zij hebben de tenniswereld in een bijkans onwrikbare greep genomen. Voor het eerst in de geschiedenis had eind vorig jaar een ander land meer vertegenwoordigers in de Top-100 dan de Verenigde Staten: veertien Spanjaarden tegen twaalf Amerikanen.

En de suprematie neemt slechts toe. Van de 34 toernooien die dit seizoen werden afgewerkt, kenden twaalf finales een Spaanse representant, waar de traditionele grootmacht Amerika in 'slechts' negen finales vertegenwoordigd was. De enige speler die dit voorjaar twee graveltoernooien op zijn naam wist te brengen, is uiteraard een Spanjaard: Alexander Corretja, winnaar in Estoril en Rome.

Volgens Alberto Rebi, technisch directeur van de Spaanse tennisfederatie, plukt zijn land momenteel de vruchten van een weldoordacht opleidingssysteem. 'Ruim vijftien jaar geleden zijn we begonnen ons systeem op te zetten. We zijn echter niet klakkeloos gaan zoeken naar alle talentjes, maar we hebben eerst gezorgd voor trainers die de talenten kunnen kneden. Je kunt wel een groot talent vinden, maar als je geen goede begeleiders kunt aanbieden gaat het talent onherroepelijk verloren.'

Eind jaren zeventig werd derhalve als eerste aanzet in Madrid de academie voor tenniscoaches geopend, waarvan de besten na het voltooien van hun studie gestationeerd worden op één van de zeventien regionale trainingscentra. Per leeftijdscategorie mogen twintig talenten zich op het regionaal trainingscentrum in het tennis bekwamen, waarna op vijftienjarige leeftijd bepaald wordt wie rijp is om te verhuizen naar het nationale trainingscentrum in Barcelona, waar oud-prof Juan Avendano de supervisie heeft.

Albert Costa, de nummer dertien van de wereld, doorliep alle stadia en nu al weet hij zeker dat hij ooit als trainer terugkeert naar Barcelona om toekomstige talenten de weg naar de top te wijzen. 'Bij ons heerst een hele sterke teamgeest, iedereen probeert elkaar te helpen. De tenniswereld is hard en zakelijk en erg individualistisch ingesteld. Onze teamgeest leidt ertoe dat we tegenslagen makkelijker kunnen overwinnen.'

Die filosofie, erkent Alberto Rebi, is allerminst nieuw. 'Zoals de Zweden bijna twintig jaar geleden werkten, zo werken wij nu.' De overeenkomsten tussen de toenmalige Zweedse succesgeneratie en de huidige Spaanse generatie zijn volgens Joachim Nyström, destijds lid van de Zweedse ploeg en nu bondscoach van zijn land, opmerkelijk. 'Ze leren van elkaars sterke punten, ze trekken zich aan elkaars successen op. En op een gegeven moment ontstaat een soort onoverwinnelijkheidsgevoel. Wij hadden dat, de Spanjaarden hebben het nu.'

In alle geledingen, van de jongste Spaanse lichting tot de internationaal gelauwerde sterren, is die hechte band terug te vinden. Albert Costa: 'Toen ik vijftien was mocht ik af en toe trainen met Carlos Costa, die toen een wereldtopper was. Voor hem was dat niet bijzonder leerzaam, maar voor mij wel. Zonder hem was ik misschien nooit zo ver gekomen. Nu ik zelf bij de besten van de wereld hoor, ga ik regelmatig trainen met jonge spelers. Dat is niet verplicht, maar ik voel het als mijn verantwoordelijkheid. En zo denken alle spelers erover.'

Met een mengeling van afgunst en bewondering aanschouwt de Nederlandse bondscoach Michiel Schapers in Düsseldorf de Spaanse opmars. 'Hun oefeningen zijn niet wereldschokkend, maar 't is vooral hun geweldige teamspirit.' En het zijn de faciliteiten die de Spaanse matadoren in Barcelona ter beschikking staan, die er volgens Schapers voor zorgen dat de overheersing door Costa cum suis voorlopig nog niet ten einde is. Schapers: 'Ook de jongere Spaanse lichtingen lopen voor op de andere landen.'

De tot in perfectie beheerste kick-service, een striemende topspin-forehand en een uitmuntende fysieke conditie vormen de dodelijke wapens die Schapers bij de huidige en de opkomende Spaanse spelers herkent en die Nederlandse en buitenlandse generatiegenoten in beduidend mindere mate beheersen. Schapers: 'En dat zijn zaken die je alleen kunt leren als je optimaal kunt trainen.'

Dankzij het nationaal trainingscentrum in Barcelona wordt in Spanje aan die voorwaarde voldaan. Twaalf maanden per jaar, zeven dagen per week kan de Spaanse elite zich op het gravel in het zweet werken. Overigens lieten Moya en Mantilla eerder dit jaar bij de Australian Open in Melbourne zien dat de moderne Spaanse tennisser ook op snellere baansoorten uit de voeten kan. In Barcelona wordt gestreefd naar complete tennissers en daartoe worden kosten noch moeite gespaard.

In de wetenschap dat een belangrijk deel van de tennistoernooien op hardcourt wordt afgewerkt, besloot de Spaanse bond twee jaar terug het complex in Barcelona te verrijken met zes hardcourt-banen. En over een jaar dient de accommodatie gecompleteerd te zijn met vier indoor-banen. 'We willen niet alleen kampioenen op gravel', zegt Alberto Rebi. De kosten van ruim vier miljoen gulden voor de nieuwbouw zijn bijzaak. 'Onze sponsors betalen het meeste.'

Tegen dat ideaalbeeld steekt het Nederlandse model bleekjes af, erkent Schapers. 'Schrijf maar op dat ik met smart zit te wachten op een nationaal trainingscentrum in ons land. Het is typerend dat ons nationaal trainingscentrum, het Frans Otten-stadion, tapijtbanen heeft terwijl op die ondergrond nota benen geen enkel internationaal toernooi wordt gespeeld.'

Hoewel al vijftien jaar geleden de fundamenten werden gelegd, zijn de successen volgens Alberto Rebi eerder gekomen dan verwacht. 'Ons doel was rond het jaar 2000 tot de toonaangevende tennisnaties te behoren.' Twee factoren, de Olympische Spelen van 1992 in Barcelona en de overwinning van Bruguera op Roland Garros een jaar later, brachten het proces evenwel in een stroomversnelling.

Rebi: 'Met het oog op de Olympische Spelen is met geld van de regering ons nationaal trainingscentrum verbouwd en gemoderniseerd. Als we dat zelf hadden moeten betalen was het pas rond deze tijd voltooid geweest; door de Spelen lagen we ineens vijf jaar voor op schema. En vervolgens won Bruguera Roland Garros. Na zijn overwinning was het bedrijfsleven ineens zeer geïnteresseerd om ons te sponsoren.'

Dankzij gulle sponsors die zich graag met de Spaanse successtory identificeren, liep het budget dat beschikbaar is voor de opleiding en begeleiding van talent in vijf jaar tijd op van 350 miljoen peseta's (ongeveer 4,9 miljoen gulden) naar 600 miljoen peseta's (ongeveer 8,4 miljoen gulden). Van zo mogelijk nog meer waarde was de zege van Bruguera op de moraal van zijn jongere landgenoten. Rebi: 'Wat Becker voor Duitsland is geweest, was Bruguera voor ons. Na hem kwam de boom.'

Inmiddels is Bruguera op de wereldranglijst overvleugeld door liefst vijf landgenoten, Corretja, Moya, Mantilla, Costa en Berasategui, maar het respect van het jeugdig quintet voor de man die tweemaal Roland Garros op zijn naam bracht is volgens Albert Costa grenzeloos. 'Dankzij Bruguera zijn wij voor niemand bang meer. Hij is een jongen zoals wij, iemand die met hard werken de top gehaald heeft. Hij heeft ons laten zien dat Amerikanen niet onklopbaar zijn.'

Meer over